Chailly vergaloppeert zich in Tweede Symfonie Schumann

Concert: Concertgebouworkest onder leiding van Riccardo Chailly. Solist: Matthias Maurer, altviool. Programma: J. Haydn: 'Trauer Symphonie' nr. 44; P. Hindemith: altvioolconcert 'Der Schwanendreher'; R. Schumann: Tweede Symfonie. Gehoord: 20-4 Grote Zaal Concertgebouw, Amsterdam. Herhaling: 22-4, Muziekcentrum Vredenburg, Utrecht.

“Uw belangstelling voor een werk zo vol melancholie bewijst uw oprechte sympathie ... Ik was verrukt te horen, dat u mijn droevige fagot in het adagio hebt opgemerkt want ik moet bekennen dat ik die partij met speciaal genot heb geschreven.” Aldus berichtte Schumann aan zijn Hamburgse vriend de dirigent D.G. Otten.

Ook zaterdagavond in de Grote Zaal van het Concertgebouw werd de droevige fagot opgemerkt, evenals de hobo, de klarinet en de fluit die samen in het langzame deel van Schumanns Tweede Symfonie zorgden voor het hoogtepunt van dit concert. Een onbeschrijfelijke weemoed ging uit van dit tedere klankweefsel waarbij de melodielijn steeds ver omhoog reikt en berustend daalt zonder daarbij de grond te raken. Ergens tussen hemel en aarde bleef de klank zweven, aangrijpend en ongrijpbaar. De soloblazers wisten waarover zij het hadden, en Riccardo Chailly kreeg deze momenten gratis en voor niets cadeau.

Dat de strijkers dergelijke geschenken niet uitdeelden lag niet aan de musici maar aan het feit dat een groep zich nu eenmaal verstaanbaar maakt bij monde van een woordvoerder. Met luide stem voerde Chailly in Schumann het woord, maar het is de vraag of hij namens het orkest sprak. De kille klank, gelardeerd met keiharde accenten stond in ieder geval in schril contrast met de passages waarin de soloblazers vrij spel hadden. Manmoedig probeerde Chailly greep te krijgen op Schumanns partituur, maar hoe meer hij aanpakte, hoe meer hem ontglipte.

Meteen bij het begin was het al mis: het pianissimosignaal van de koperblazers werd ongelijk en mezzoforte ingezet. Extra geluidssterkte geeft nog geen extra houvast. Dat bleek voortdurend in deze Schumann.

Chailly trachtte spanning op te bouwen met veel decibels, vaak juist op momenten waar dit misplaatst is, terwijl hij in ogenblikken waarin Schumanns hart sneller gaat kloppen juist opmerkelijk kalm bleef.

Zo verliep de episode die volgt op de mysterieuze langzame inleiding van het eerste deel nogal tam terwijl de partituur daar met gepuncteerde ritmes en grote intervalsprongen overduidelijk vraagt om een intensere geladenheid. Dergelijke aanwijzingen voor de expressie door middel van de ritmiek werden door Chailly vaak niet opgevolgd, evenals de uitdrukkingskracht die verborgen is in de genoteerde verbindingsbogen. Daar waar in het adagio de strijkersmelodie een hoogtepunt bereikt, lopen die bogen over de maatstreep heen. Hoe prachtig wist iemand als Haitink dit expressiemiddel uit te buiten en hoe mager klinkt zo'n climax bij Chailly ondanks het vervaarlijke crescendo.

Met de dynamische tekens is het bij Chailly trouwens wonderlijk gesteld. Hij neemt ze vaak zo letterlijk dat hele zinnen erdoor uit hun verband worden gerukt. De talloze plaatsen waar Schumann binnen een maat een aanzwellen en meteen afnemen van de toonsterkte voorschrijft worden door Chailly overdreven nauwkeurig uitgevoerd. Wat dat betreft had hij bij de blazers zijn licht kunnen opsteken: door een minimale intensivering van de klank werd door hen de juiste uitwerking bereikt terwijl het betoog erdoor werd onderbroken.

De kracht van Chailly ligt in het glashelder openleggen van een partituur en het hoorbaar maken van het nog niet eerder gehoorde. Ook bij Schumann paste hij dit recept toe maar helaas vaak ten onrechte.

Want ook al hebben de blazers of de pauk bij voorbeeld een pregnant motiefje, dan wil dat nog niet zeggen dat dit ook solistisch moet klinken. Vaak gaat het in Schumanns partituur niet zozeer om lijnen danwel om een vermenging van kleuren.

Bij zijn aantreden in 1988 als chef-dirigent van het Concertgebouworkest zei Chailly traditie heel belangrijk te vinden.

Het lijkt er op dat het hem desondanks niet lukt, greep te krijgen op de traditie wat betreft de interpretatie van het romantische repertoire. Chailly's kracht ligt elders, en het is te betreuren dat hij in zijn functie wordt gedwongen om zo veel energie te geven aan het uitvoeren van muziek waar hij geen affiniteit mee heeft.

Aan Schumann vooraf ging een herhaling van Haydns 'Trauer Symphonie', al eerder hier besproken, en een uitvoering van Hindemiths altvioolconcert 'Der Schwanendreher', waarin Matthias Maurer, solo-altist van het orkest, op een bekwame maar weinig fantasievolle manier de solopartij speelde.