Wilde tuinen

Iets dat buitenlanders altijd heeft geintrigeerd is de kwets baarheid van het gras in Frankrijk. De Engelse tuinarchitect Russell Page, die het grootste deel van zijn leven in Frankrijk gewerkt heeft, schrijft het toe aan het klimaat: ''Het lijkt wel of Franse regen zwaarder van substantie is, alsof Franse grasvelden niet in staat zijn het op te nemen''.

Op Franse grasvelden mag niet gelopen worden. Ik denk soms aan de middagen in het Parc Monceau, waar je voortdurend in de weer was met het terugroepen van de kinderen; je liet ze tenslotte min of meer oogluikend hun gang gaan, tot de parkwachter op zijn fluitje blies en dan ging je ze mokkend ophalen. In Engeland bestaat dat verbod niet en desondanks zien Engelse grasvelden er doorgaans veel beter uit. Hebben de Engelsen betere regen? Beter gras? Een beter instinct voor tuinieren?

Dat laatste wordt door veel mensen geloofd, niet in de laatste plaats door de Engelsen zelf. Jane Brown, in een boek getiteld Eminent Gardeners (Viking 1990), is zelfs bezorgd over de toekomst van deze speciale gave: ''Op dit tijdstip, waarop wij een zullen worden met Europa,'' mijmert zij, ''zullen wij dan een natie van tuiniers worden, een wereld die geen Europeaan ooit zal kunnen begrijpen?'' Zij ziet het als iets unieks dat beschermd moet worden tegen de opdringende buitenwereld en beschrijft de tuin van Lord McAlpine, Penningmeester van de Conservatieve Partij als voorbeeld van ''een van de beste Engelse tuinen van na de oorlog''. Deze sprookjescreatie bevat niet alleen een obelisk ter herdenking van de Tory overwinning van 1979, er zijn ook plannen ''er een triomfboog op te richten, gewijd aan de First Lady Prime Minister.''

Zou in Frankrijk ooit iemand in zijn tuin een triomfboog hebben willen oprichten voor Fran(c,)ois Mitterrand? Daar is het Franse tuiniersinstinct vermoedelijk niet voldoende ontwikkeld voor. Geen wonder dat het gras er niet goed wil groeien.

Gelukkig kan men zich troosten met andere dingen, zoals het uitstekende Europese boek van Jean-Paul Pigeat, Parcs et jardins contemporains (Parijs, La Maison Rustique, 1990). Het evenwicht wordt hier wat hersteld: wat Pigeat omschrijft als ''Gertrude, Vita en consorten'' wordt in twee bladzijden afgehandeld, tussen beschrijvingen en foto's van allerlei andere tuinen en parken over heel Europa en Amerika.

In het ideaal van de Engelse tuin zijn er geen zichtbare grenzen tussen tuin en landschap; vanuit het huis gezien moet het perspectief geleidelijk overgaan in de buitenwereld, die moet dienen als een soort achtergrond. De benadering van Pigeat verschilt daarvan op een fundamentele manier, het gaat hem meer om het geheel en vooral om het landschap zelf: ''Er in slagen een eigentijdse tuin of park te scheppen'', schrijft hij, ''betekent dat het landschap voor de volgende generaties wordt vastgelegd.'' We hebben oplossingen moeten vinden voor aan hun lot overgelaten industrieterreinen, zegt hij, en wat zal nu het lot zijn van prijsgegeven landbouwgrond?

Deze afwijkende manier van zien levert onverwachte perspectieven op, zoals de 'wilde parken', waarvan ook voorbeelden in Nederland bestaan.

Zo bevat het boek een zeer romantische foto van het 'wilde' stadspark in Heerenveen, ontworpen door de Nederlander Louis-Guillaume Le Roy, die een jaar of vijftien geleden in Mildam (Friesland) is begonnen met de aanleg van een nogal ongebruikelijk soort tuin, een kunstmatig verrijkte wildernis: er werd niets gekapt, gesnoeid of verwijderd, maar wel toegevoegd - niet alleen organisch materiaal maar ook bijvoorbeeld puin. Ik ben er nooit geweest, maar Pigeat beschrijft het als ''verwilderd, maar niet verwaarloosd''; er is wel degelijk een zekere menselijke ingreep, alleen niet op de gebruikelijke manier.

Zelf heb ik een paar jaar geleden een dergelijke (door een of ander Proefstation aangelegde en niet voor het publiek toegankelijke) tuin in Montmartre kunnen bezichtigen; er werd ook geprobeerd deze kunstmatige wildernis bewoonbaar te maken voor de dieren die er min of meer thuishoren; wat daarvan terecht is gekomen weet ik niet maar de tuin was indrukwekkend.

Iemand die ook een soortgelijk ideaal nastreeft is de Fransman Gilles Clement. In La Vallee, in de Creuse, heeft hij een tuin aangelegd die voortdurend aan verandering onderhevig is: de natuur kan er zijn gang gaan, en wordt alleen soms een handje geholpen. Pigeat vermeldt in het voorbijgaan een curieus detail dat niet nalaat indruk op mij te maken, en dat is dat beroepstuinmannen, dus werkkrachten in loondienst, graag in zulke tuinen werken.

Gilles Clement is een landbouwingenieur, maar Pigeat beschrijft hem als ''een landschapskunstenaar, niet een (landschaps)architect'': ''In feite is hij een echte tuinier, ongetwijfeld een van de eersten die bezig is dit beroep zijn waardigheid terug te geven''. Pigeat heeft het niet erg op tuinarchitecten: hij verwijt de modieuze 'paysagistes'

die gespecialiseerd zijn in het aanleggen van zg. 'espaces verts' in moderne gebouwen, dat zij als regel volstrekt onkundig zijn op plantkundig gebied. Hij citeert als voorbeeld het nieuwe park in het Parijse Museum der Wetenschappen aan de Porte de la Villette: hiervoor werd een internationale prijsvraag uitgeschreven voor architecten, maar er was geen botanische kennis vereist om een plan in te kunnen dienen. De beschrijving van het project was gehuld in ronkende taal, waarin verwijzingen naar iets plantaardigs kennelijk werden gezien als wat te laagbijdegronds; het woord dat Pigeat gebruikt is 'plouc', boer(s).

Ook van de plantenkas heeft de mode zich meester gemaakt. Twee recente architectuurprijsvragen in Parijs, voor de Grote Bibliotheek en een Internationaal Conferentiecentrum, werden beide gewonnen met een ontwerp ''geheel van glas, met inwendige en uitwendige tuinen''. De glazen constructie met planten heeft een ''positief imago in termen van marketing'' verworven, zegt Pigeat in een hoofdstuk over het oorspronkelijke gebruik van plantenkassen, bedoeld om exotische planten te acclimatiseren (hij citeert daarbij ook de befaamde opmerking van Victor Hugo over de nu sinds lang vergeten wintertuin aan de Champs Elysees, waar de mooiste vrouwen van Parijs konden worden gezien: ''Il n'y avait la de vierge que la foret''). De dwaalbegrippen op dit gebied wijt Pigeat rechtstreeks aan de ontwerpers: men ziet ze hun bouwtekeningen maken, fraaie bellen blazen van glas, en er dan wat groen in tekenen: ''Dat moet later maar even worden uitgewerkt door een of andere plouc''.

De ironie van het noodlot wil dat de mensen die wel verstand van planten hebben, tot en met de tuinlieden in dienst van de gemeentelijke plantsoenendiensten, veroordeeld zijn tot het aanleggen van grote kakelbonte bloemperken op volstrekt onbegietbare plekken tussen grote verkeerssnijpunten. De Franse gemeenteperken staan bekend als de lelijkste ter wereld (en dat hoewel ze er in Nederland en Engeland ook raad mee weten).

Wat Pigeat in feite beschrijft zijn de ravages veroorzaakt door modieuze opvattingen; en natuurlijk door de conjunctuur en de grondprijzen, leidend bijvoorbeeld tot de ondergang van schitterende tuinen die in het verleden, tot in de jaren dertig, zijn aangelegd over de hele wereld, zoals aan de Franse Cote d'Azur. Prachtige, hartverscheurende foto's getuigen daarvan. Frappant is wat Pigeat schrijft over de huidige status van bomen. Bomen zijn in de mode.

Mensen die het landschap willen beschermen krijgen subsidie om ze te planten, terwijl boeren subsidies krijgen om ze te rooien. Vooral in de steden zijn bomen verabsoluteerd: bomen planten is altijd en overal inherent goed, bomen weghalen altijd en overal inherent slecht.

''Hoewel zij nog deel uitmaken van het decor dat gebruikt wordt in de creaties van hedendaagse landschapsarchitecten, zijn bomen nog slechts aanwezig als abstracties. Er is geen sprake meer van hun stoffelijke aard, hun groei, hun materiele en immateriele voortbrengselen, vruchten, geuren, lommer; zij doen zich alleen nog voor aan het oog als een statische abstractie, als silhouet.