STOP KALKAR; De geschiedenis van een veelbelovend project

Een geur van lentebloesem drijft over het fabrieksterrein. Het is stil tussen de reusachtige betonnen koeltoren, de stoomgeneratorgebouwen en de reactorhal. De vredigheid van de omringende weilanden, van de traag stromende Rijn en van het naburige stadje Kalkar lijkt ten lange leste ook te zijn neergedaald over de snelle kweekreactor, nu na jaren van bittere strijd is besloten de kerncentrale niet in gebruik te nemen.

'''t Is een mooie plant'', verzucht het hoofd van de afdeling techniek, ir. H. van den Brink. In 1975 kwam hij naar Kalkar, om te werken aan wat de centrale van de toekomst moest worden. Zestien jaar later constateert hij gelaten dat het allemaal voor niets is geweest.

''Het is ten hemel schreiend. Alles ziet er prachtig uit; klaar, keurig afgewerkt en van hoge kwaliteit. Wanneer besloten wordt tot afbraak, ben ik niet van plan ook maar een vinger uit te steken.''

De omstreden stroomfabriek is al sinds 1986 startklaar. De pompen, de turbines, de warmtewisselaars, alles werkt. Het vloeibaar natrium van het in Nederland ontworpen en geteste koelsysteem wordt al meer dan vier jaar lang rondgepompt en op temperatuur gehouden. Alleen het belangrijkste ontbreekt: de vergunning om de reactor met plutonium te laden en te starten.

Vorige maand liet de bondsminister voor wetenschap en technologie weten dat hij de hoop had opgegeven dat de deelstaat Noordrijn-Westfalen die vergunningen ooit nog zou verstrekken. De elf miljard gulden die Duitsland, Nederland en Belgie in de loop der jaren samen in het project hebben geinvesteerd konden daarmee zo goed als worden afgeschreven.

Smetteloze gangen, sluizen en gepantserde kluisdeuren leiden tot in de reactorhal, groot en hoog als een kerk. Diep in de bodem verzonken ligt als een lege crypte het reactorvat. Een mobiele hijsinstallatie staat op een brede rails gereed om de brandstofstaven in het vat te laten zakken. Maar het zal niet nodig zijn. Het merendeel van de verfijnde apparatuur, de glimmende roestvrijstalen cilinders en de speciaal ontworpen machines zal als schroot worden verkocht, beaamt Van den Brink.

Kalkar is van de baan, de strijd is gestreden. De eerste fase van de ontmanteling - het aftappen van het vloeibare natrium - is al begonnen. Maar het dossier van de mislukte onderneming is nog niet gesloten. Binnenskamers onderhandelen de betrokken partijen nog over de financiele afwikkeling van het debacle. En de echte geldschieters, de belastingbetalers in de deelnemende landen, rest de vraag: hoe heeft het zo ver kunnen komen?

BUITENKANSJE

''We hadden er nooit aan moeten beginnen'', zegt het Tweede-Kamerlid K. Zijlstra van de PvdA. Maar in de jaren zestig leek deelneming aan de ontwikkeling, bouw en exploitatie van de snelle kweekreactor voor Nederland een buitenkansje. Kernenergie had de toekomst en was nog niet controversieel. Minister Den Uyl van economische zaken noemde het in 1966 ''noodzakelijk dat de stimulering van overheidswege van de nucleaire industriele ontwikkeling met kracht wordt voortgezet''. En zo gebeurde het.

''Men had toen heel hoge verwachtingen van het vreedzame gebruik van kernenergie'', herinnert ir. R. van Erpers Royaards zich, voormalig directeur van de kerncentrale in Dodewaard en van de KEMA, het ingenieursbureau van de Nederlandse elektriciteitsproducenten. Namens de elektriciteitsbedrijven zou Royaards zitting nemen in de directie van Kalkar. In heel West-Europa overwoog men grootschalige invoering van kernenergie, de kweekreactor zou een hoeksteen kunnen worden van het nucleaire programma.

''De wederopbouw-gedachte leefde nog sterk. Er zat een idealistisch tintje aan. Samen zouden we de schouders er onder zetten: overheid, elektriciteitsbedrijven, industrie en onderzoeksinstellingen. En dan dachten we niet aan de bouw van dat ene prototype, maar aan de ontwikkeling van een hele lijn van snelle kweekreactoren.'' Op eigen kracht had Nederland zo'n ambitieuze onderneming nooit aangekund, maar in een samenwerkingsverband konden de Nederlandse bedrijven zich concentreren op een beperkt aantal onderdelen, zoals het natriumcircuit, de pompen, warmtewisselaars en turbines.

Politiek gevoelig was de ontwikkeling van kernenergie in het algemeen, en kweekreactoren meer in het bijzonder, hoogstens in de internationale verhoudingen. ''Met snelle kweekreactoren kan men plutonium maken en dat was militair interessant'', zegt ir. K.A.

Warschouwer, voormalig directeur van TNO. ''De Amerikanen, de Russen, de Engelsen en de Fransen wilden die technologie aanvankelijk met man en macht uit handen houden van de andere landen. In de jaren vijftig, zo kort na de Tweede Wereldoorlog, wilde men de Duitsers en de Japanners niet toestaan daar aan te werken. Pas in de jaren zestig is die blokkade opgeheven, en toen is Duitsland er meteen op gesprongen.

Onder meer om duidelijk te maken dat ze geen militaire bedoelingen hadden, zochten de Duitsers denk ik samenwerking met de Benelux''

(Luxemburg zou al spoedig afhaken, red.).

URANIUM-238

In West-Europa steeg het elektriciteitsverbruik tussen 1955 en 1965 met tien procent per jaar, wat een snelle uitbreiding van het aantal stroomcentrales nodig maakte. Kernenergie kon een uitkomst bieden, alleen de reserves aan uranium leken beperkt. Bovendien is voor gewone kerncentrales alleen het zeldzame uranium-235 als splijtstof te gebruiken, dat slechts 0,7 procent uitmaakt van het in de natuur gevonden uranium. Het aantrekkelijke van de snelle kweekreactor is dat hij de splijtstof plutonium maakt uit het veel algemener voorkomende uranium-238, dat 99,3 procent vormt van het in de natuur gevonden uranium. Bovendien produceert ('kweekt') een kweekreactor meer splijtstof dan hij verbruikt. Ook andere centrales zouden zo van splijtstof voorzien kunnen worden.

Toch was voor Nederland het veilig stellen van de energievoorziening niet de voornaamste reden om mee te werken aan de kostbare ontwikkeling van de SNR 300, zoals de snelle kweekreactor ging heten.

In 1967, toen de eerste memoranda van samenwerking met Duitsland, Belgie en Luxemburg werden getekend, en zeker in 1972 toen de plannen werden omgezet in afspraken, ging het niet om energiebeleid, maar om industriepolitiek.

De olieprijzen waren immers laag en in Nederlandse bodem bleken zich grote hoeveelheden aardgas te bevinden. Wat Nederland zorgen baarde was, zoals minister Den Uyl in 1966 schreef, dat de bouwers van kerncentrales in andere landen ''een toenemende voorsprong zullen verkrijgen op onze industrie, die vooralsnog niet over een thuismarkt beschikt''. De voor de werkgelegenheid zo belangrijke metaalindustrie en machinebouw moesten innoveren en zich toeleggen op de produktie van hoogwaardige onderdelen van de nieuwe generatie kerncentrales.

Deelneming aan het Kalkar-project moest de industrie daarbij helpen en verdiende dan ook ''de volle financiele steun van de overheid'', zo schreef het Nederlands Economisch Instituut in een destijds invloedrijk rapport. Uiteindelijk zou dat neerkomen op 1,2 miljard gulden, maar in 1972 rekende men nog op 328 miljoen.

''De kostenramingen zijn toen doelbewust laaggehouden'', zegt Van Erpers Rooyaards nu. ''Je begint met zoiets financieel te onderschatten, deels uit enthousiasme, deels omdat je de investeringsbeslissing maatschappelijk moet verkopen. Het was, ook toen al, een gigantisch bedrag. Maar wij voelden allemaal dat brede draagvlak in de maatschappij om tot iets groots te komen voor de toekomst. De industrie moest aanhaken bij de nieuwste ontwikkelingen, en ook de elektriciteitsmaatschappijen, die het eigenlijk helemaal niet nodig hadden, wilden voorkomen dat ze buiten de technologische vooruitgang kwamen te staan. Er was veel te leren.''

Intussen was bij de deelnemers, en vooral bij het industriele consortium dat het ontwerp en de bouw van de snelle kweekreactor zou uitvoeren, een ''heel duidelijk haastgevoel'' ontstaan, aldus Royaards. ''De Verenigde Staten begonnen af te haken na een ongeluk in Chicago, maar de Engelsen waren heel snel aan het opkomen. Vooral bij de industrie leefde het idee: straks verliezen we de concurrentiestrijd nog. De afvalproblematiek was nog niet goed bestudeerd, voor de reactor was een aantal zaken heel slecht geregeld, maar dat zocht je later wel uit.''

Iemand anders die tien jaar nauw bij Kalkar betrokken is geweest zegt: ''Het project was niet echt uitgewerkt toen we eraan begonnen. Het was als de architect van een huis die tegen de aannemer zegt: begin maar vast met het leggen van de fundering, de rest van het ontwerp komt later wel.''

VIETNAM-PROTESTEN

De grote problemen deden zich echter op een heel ander terrein voor: bij de maatschappelijke acceptatie en de vergunningverlening. Al bij de eerste hoorzittingen over hun vergunningsaanvragen werd het de ingenieurs en ondernemers pijnlijk duidelijk dat de samenleving in enkele jaren ingrijpend was veranderd. Na de studentenrevoltes uit de late jaren zestig, de Vietnam-protesten, de opkomst van Small is Beautiful en de groeiende afkeer van Big Science, bleek tegelijk met de aanloop naar Kalkar een anti-kernenergiebeweging te zijn ontstaan.

Ongerustheid over de veiligheid van kerncentrales en het radio-actieve afval ging deel uitmaken van een meer algemene angst voor 'de atoomstaat'. De kweekreactoren werden voor tegenstanders van kernenergie het symbool van de 'plutonium-economie'. ''Om de daarmee verbonden gevaren binnen de perken te houden, zou er een anti-demokratisch kontrole apparaat moeten worden ingevoerd'', schreef Jan van Arkel in zijn boekje Stop Kalkar. De politiestaat lag op de loer. Atomkraft? Nein danke!

Precies een dag voor het aantreden van het kabinet-Den Uyl, op 11 mei 1973, had minister van economische zaken H. Langman de besluitvorming over de Nederlandse deelneming aan Kalkar afgerond. Betaalden Belgie en Duitsland hun bijdrage aan de bouw van de centrale rechtstreeks uit de staatskas, Nederland had gekozen voor een heffing op de individuele stroomrekeningen - een keuze waarvan de politieke tact achteraf betwijfeld kan worden. PvdA, PPR, CPN, D'66, PSP en de Boerenpartij hadden tegen de drie-procentsheffing gestemd, maar een meerderheid van de Tweede Kamer was voor. En zo werd iedere Nederlander die een elektriciteitsrekening ontving, maandelijks met zijn neus op het feit gedrukt dat hij moest meebetalen aan de bouw van die nieuwe kerncentrale in Duitsland.

(F) 1,02

De jonge fysicus dr. W.A. Smit uit Yde, bij Groningen, had daar bezwaar tegen en weigerde. Toen hij in september 1973 de eerste acceptgirokaart van het elektriciteitsbedrijf voor Groningen en Drenthe (EGD) in de bus kreeg waarop de heffing in rekening was gebracht, maakte hij het totaalbedrag over minus de gewraakte drie procent, in zijn geval (f) 1,02. In een brief aan het EGD zette hij zijn principiele bezwaren uiteen en verklaarde hij het bedrag best te willen betalen, als het maar ten goede kwam aan de ontwikkeling van andere energievormen dan kernenergie.

Nu zegt Smit, inmiddels universitair hoofddocent aan de Universiteit Twente: ''In een werkgroep had ik mij beziggehouden met de veiligheidsaspecten van kerncentrales, met de effecten van straling en de vraag wat er met radioactief afval kan gebeuren. We werkten aan een computermodel om de gevolgen van een ongeval kwantitatief te berekenen. Minister Langman had in zijn kernenergienota (in 1972, red.) een perspectief geschetst waarbij kerncentrales in het jaar 2000 zouden voorzien in de helft van onze stroombehoefte, die werd geschat op 70.000 megawatt. Dat zou neerkomen op 35 kernenergiecentrales van 1.000 megawatt. Wij vonden dat het niet die kant op moest gaan.''

Het stroombedrijf sloot de elektriciteit bij de fysicus af, waarop hij en zijn vrouw zes winterse weken met kaarslicht rond een petroleumvergassertje leefden. In een kort geding wisten ze weer aansluiting af te dwingen, een vonnis dat in hoger beroep echter werd vernietigd. Intussen had de zaak grote landelijke bekendheid gekregen en ook navolging. De Kalkar-heffing was in opspraak, de weigeraars waren in het nieuws, actiegroepen werden opgericht en de eerste massale demonstratie tegen de snelle kweekreactor bracht tienduizend mensen naar Kalkar - voornamelijk Nederlanders.

Een dag voordat de Hoge Raad eind 1974 de vernietiging van de uitspraak in kort geding bekrachtigde, maakte minister Lubbers van economische zaken een speciale ontheffingsregeling bekend voor principiele weigeraars. Zij mochten de drie procent voor een apart fonds voor alternatieve energie bestemmen. ''Onze conclusie was toen'', zegt Smit, ''dat we juridisch hadden verloren, maar politiek gewonnen.'' In 1977 trok de regering de heffing in; sindsdien werd Kalkar uit de algemene middelen betaald. De Kalkar-heffing heeft in totaal 436 miljoen gulden opgeleverd, het alternatieve fonds beliep uiteindelijk ''een paar ton'', aldus Economische Zaken.

Kernenergie was een politiek probleem geworden, onderkende minister Lubbers in 1974. Over Kalkar schreef hij in dat jaar dat er ''reeds nu aanleiding is dit project en de toekomst daarvan opnieuw op zijn verdiensten te bezien''. Hij noemde met name de veiligheid, de economisch-technische haalbaarheid en het verband daartussen, maar van weglopen uit het samenwerkingsverband was geen sprake want de afspraken met de partners Belgie en Duitsland waren al beklonken.

In een poging de Nederlanders toch voor Kalkar te winnen gaven de elektriciteitsbedrijven in een miljoenenoplage een boekje over Kalkar uit, dat door het hele land huis-aan-huis werd verspreid. De geduldige en begaafde lezer kon daaruit niet alleen leren wat een kernsplijting precies is en hoe een snelle kweekreactor werkt, maar ook waarom de bouw van Kalkar een veilige en goede zaak was.

Maar het verzet bleef groeien en de confrontatie kreeg een grimmiger karakter. Van Erpers Royaards sprak op menige voorlichtingsavond, ''maar als ik eens een keer zonder eierstruif op mijn kleren thuis kwam, was dat meegenomen''. Bij een demonstratie in 1977 kwamen 50.000 mensen naar Kalkar, waar de Duitse politie, bevreesd voor geweld, een kordon om de centrale had gelegd.

Intussen stegen de kosten, waarvan Nederland steeds 15 procent voor zijn rekening nam, en liep de bouw ernstige vertraging op.

Vergunningen kwamen met grote vertraging af, of werden juridisch aangevochten, wat weer extra vertraging en daardoor extra kosten tot gevolg had. De veiligheidsvoorzieningen moesten contractueel steeds volgens de laatste inzichten zijn, en noopten de bouwers herhaaldelijk tot kostbare en tijdrovende aanpassingen.

MINDER RENDABEL

De hele economische filosofie achter de snelle kweekreactor kwam ter discussie te staan toen uranium steeds minder schaars bleek te zijn en kernenergie in het algemeen minder rendabel dan andere energiebronnen.

De oorspronkelijke Nederlandse doelstelling, ondersteuning van de industrie, was in het begin van de jaren tachtig al opgegeven toen duidelijk was dat invoering van kernenergie op grote schaal voorlopig niet aan de orde was en financiele overheidsdeelneming aan de ontwikkeling en bouw van nog andere snelle kweekreactoren uitgesloten was. Teleurgesteld besloten de bedrijven Stork, De Schelde en Comprimo, die grote orders hadden uitgevoerd voor Kalkar, hun samenwerking in het consortium Neratoom op een laag pitje te zetten.

In Duitsland liep de strijd om de vergunningen intussen steeds meer uit op een impasse, waarbij de SPD-regering van de deelstaat Noordrijn-Westfalen de CDU-FDP-coalitie in Bonn onverzoenlijk tegenover elkaar stonden. Zeker na de ramp bij Tsjernobyl in 1986 leek het vrijwel uitgesloten dat de vergunningen ooit nog verstrekt zouden worden.

In 1981 had minister Van Aardenne de partners laten weten dat Nederland zijn bijdrage in bouwkosten niet hoger zou laten oplopen dan 480 miljoen DM. Inclusief de ontwikkelings- en onderzoekskosten werd de totale Nederlandse bijdrage daarmee 'geplafonneerd' op ongeveer 1,2 miljard gulden. Sinds 1984, toen dat plafond werd bereikt, heeft Den Haag dan ook niets meer aan Kalkar meebetaald. Maar helemaal uit het project stappen, zoals de oppositie bepleitte, was volgens Van Aardenne niet mogelijk.

Tot op heden bestaat veel onduidelijkheid over de afspraken waarop de samenwerking tussen de drie staten in Kalkar stoelt. Had Nederland zich uit het project kunnen terugtrekken toen de kosten de pan uitrezen en het vertrouwen dat de installatie ooit nog zou werken begon te tanen? Of had Den Haag dan als spelbreker op een schadeclaim van Bonn kunnen rekenen? En kan Nederland dan nu de Bondsrepubliek aanspreken voor een schadevergoeding?

Een duidelijk verdrag hebben de staten nooit gesloten. Een ministeriele briefwisseling uit het begin van de jaren zeventig die als juridische basis voor de samenwerking dient, wordt angstvallig geheimgehouden. Volkenrechtsdeskundigen die inzage hebben gehad in die stukken verschillen in hun interpretaties. Volgens ingewijden is sprake van een onduidelijk en in de loop der jaren sterk uitgedijd stelsel van regels en afspraken. Een juridische strijd daarover zou jaren kunnen gaan duren, en de verhouding tussen Nederland en zijn belangrijkste handelspartner niet ten goede komen, zo is de gedachte in Den Haag.

SYMBOOL

Als snelle kweekreactor mag Kalkar nooit hebben gefunctioneerd, als symbool draait ze al jaren op volle toeren. Aanvankelijk was Kalkar de belichaming van wat de naoorlogse industrie en technologie wel niet vermochten. Daarna werd de centrale gezien als de uiting bij uitstek van de hoogmoed van een wetenschap en technologie die de maatschappelijke bezwaren uit het oog hadden verloren. Om vervolgens het betonnen bewijs te worden van de bestuurlijke en politieke onmacht om een kostbaar plan door te zetten, dan wel tijdig af te blazen.

Omstreeks half vijf maken de werknemers van Kalkar zich op om naar huis te gaan. In een kleedkamer bij de reactorhal hangt betonnen reuzenbloembakken en monsterlegostenen, strategisch geplaatst om te voorkomen dat een terrorist zich met een vrachtauto vol explosieven tegen de kweekreactor te pletter zou rijden. In de laagstaande voorjaarszon wandelen de laatste Kalkar-medewerkers ontspannen naar de goed bewaakte uitgang.

Wat Kalkar-weigeraar Smit betreft, mag van de centrale nu een museum worden gemaakt. De uitkomst van het hele drama geeft hem ondanks de hoge kosten toch een zekere bevrediging. ''Je ziet hieraan dat de technologie niet een autonoom voortdenderende ontwikkeling is, maar dat je je als samenleving betrokken moet voelen. Er spelen natuurlijk allerlei toevalligheden mee, maar de dingen zijn toch te beinvloeden.''