Spoorwegwals en andere Maasmuzijk

Tentoonstelling: Rotterdamse liedjes. Gemeentebibliotheek, Rotterdam, t-m 15-5.

Als het om liedjes met een Rotterdamse connectie gaat, kent het Nederlandse volk in de allereerste plaats het sentimentele Ketelbinkie van Anton Beuving en Jan Vogel, waarin die “straatjongen uit Rotterdam” (met de lelijke klemtoon op de derde lettergreep van het eerste woord) aan een ongeneeslijke zeeziekte jammerlijk ten onder gaat. Het is wellicht de tragiek van de havenstad, dat de rest van het land dus vooral kennis draagt van een tekst die begint met de regel: “Toen wij van Rotterdam vertrokken...” Over de stad zelf wordt verder met geen woord gerept.

Toch is over Rotterdam heel wat afgezongen. Het bewijs wordt geleverd door een tentoonstelling op de vierde etage van de ruimhartig gebouwde Gemeentebibliotheek, voornamelijk bestaande uit omslagen van bladmuziek en samengesteld uit particuliere verzamelingen. Er liggen er bijna 200, ietwat fantasieloos gedeponeerd onder glasplaten met hoogst beperkte toelichtingen. Jaartallen zijn zelden aangegeven, van een duidelijke chronologie is geen sprake. Men moet er zijn eigen verhaal bij verzinnen, maar daartoe liggen er gelukkig voldoende aanknopingspunten te kijk.

Het begon al halverwege de vorige eeuw, met de door A.W.A. Heijblom gecomponeerde Jubel-Marsch voor de dichter Tollens en diens Marsch ter gelegenheid van het Rotterdamsch Muzijkfeest uit 1853. De drukkers moesten het toen nog stellen met de ornamenten uit de loodbak, pas rond de eeuwwisseling kwamen de veel grotere illustratieve mogelijkheden. Tot visuele hoogstandjes heeft dat overigens zelden geleid; de meeste Nederlandse bladmuziekomslagen zijn primitief geillustreerd. Op enkele uitzonderingen na - zoals het werk van ontwerper Joop Geesink en dat van cartoonist Carol Voges - is het peil van de omslagen altijd laag gebleven. Nu kijkt men er met vertedering naar, maar in feite was het allemaal uiterst primitief.

Aan de populaire nummers van het verleden valt, zoals gebruikelijk, heel wat alledaagse geschiedenis af te lezen. De komst van de trein en de tram, vereeuwigd in nummers als de Tramway Galop en de Rotterdammer Spoorwegwals, het bloeiende verenigingsleven (zelfs de Rotterdamsche Bankvereeniging had een eigen mars), de mobilisatie tijdens de eerste wereldoorlog, de opkomst van diverse dansrages in het interbellum, de populariteit van de sport (daar is de Sparta-Stadion-Marsch van de produktieve Jac. Blazer, kapelmeester van het vooroorlogse Casino), de trots van de Rotterdamse schutterij, bezongen door Speenhoff (“Daar komen de schutters”), de mobilisatie van 1939, de oorlog met zijn vlucht in de fantasie en het optimisme na de bevrijding, inclusief het schalkse Trees heeft een Canadees van Albert de Booij en Lou de Groot - tot de uitgifte van de laatste hits in de vorm van bladmuziek in het begin van de jaren zestig in onbruik raakte. Misschien is dat de reden waarom Hand in hand, kameraden van Jaap Valkhoff ontbreekt.

De grenzen zijn ruim getrokken. De in Rotterdam geboren Louis Davids is prominent vertegenwoordigd, zelfs met het weemoedige Nou... tabe dan..., waarin de ik-figuur met droefenis afscheid neemt van “mijn mooi Amsterdam”. Het feit dat de bladmuziek verscheen bij een Rotterdamse uitgever, moet in dit geval de rechtvaardiging vormen. Ook de aanwezigheid van het swingende Mooi Holland, de herkenningsmelodie van de Ramblers, roept vragen op. Maar de tango-hit Ole Guapa is duidelijk: componist Malando heette Arie Maasland en kwam dus uit Rotterdam.

De expositie duidt op een hernieuwde belangstelling voor de rijke Rotterdamse amusementshistorie, waarover vorig jaar al het - helaas nogal dunne en weinig tot de verbeelding sprekende - boekje Van Doon tot Duin verscheen. In de nationale geschiedschrijving ligt de nadruk op Amsterdam; een Rotterdamse aanvulling op dat beeld is dan ook welkom.