Niet nieuw

Nog even over mijn saaie stuk van vorige week (saaie stukken moeten ook geschreven worden trouwens) - Amnon zei dat er binnenkort een winkel geopend zal worden van geluidsapparatuur, video-apparatuur, computers en aanverwante artikelen die kleine krasjes hebben, ingeruild zijn of overjarig zijn.

Ik vertelde het meteen door, want mijn vrienden zijn daar, net als ik, gek mee. Ik vertelde het ook aan een collega-columnist (van een andere dag), maar die zei dat dat niks voor hem was. ''Oh nee, kleine krasjes, ik moet er niet aan denken, overjarig, brrr, nee hoor, ik wil brandnieuw, zo uit de doos.'' Amnon zei al dat ik - en mijn meeste vrienden dus - tot een minderheid behoren. Negen van de tien mensen willen nieuw, brand nagelneu nieuw. En zoals bij alle afwijkingen die ik bij mezelf constateer, denk ik meteen: zou het aan de Oorlog liggen?

Het ligt dit keer niet erg voor de hand. In de Oorlog was er vrijwel niets nieuw te verkrijgen, dus men zou zeggen dat je na die vijf jaar tweedehandsspullen uitsluitend nieuwe dingen wilt. Dat is het dus niet. Toch hebben we het. En vrij behoorlijk.

De vriend aan wie ik het heugelijke bericht bracht, vertelde me dat hij laatst op de rem trapte bij het zien van zo'n TAJA-bord ''totale leegverkoop'', twee blokken omreed om een parkeerplaats te vinden en toen in de etalage zag dat het om bh's, corsetten en steunzolen ging.

Ikzelf denk nog met weemoed terug aan het poepbruine Harris Tweed-jasje dat ik aan de Mathenesserlaan (klemtoon op laan, Rotterdammers) in een etalage zag liggen voor (f) 7,50 en wat ik nog jaren heb mogen dragen. ''Mooi jasje zeg. Duur?''

Ik was ook eens op de Portobello Roadmarkt, inmiddels verworden tot een schamele toeristische vertoning met veel te duur spul, waar ik op een handkar een paar prachtige zwarte bottines zag, handgemaakt bij Harrods. Ze waren drie en een halve pond en geheel tegen mijn gewoonte in maar meer om indruk te maken op de vrienden, riep ik of het ook voor drie pond kon. De handkarvrouw, die ook al gezien had dat ze me perfect pasten, lachte me in mijn gezicht uit. ''Not on your nellie, me lad! Three and a half it is.''

Koopjes jagen heeft een slechte bijbetekenis. Kajken nie kope, riepen de handelaars in Port Said voor de Oorlog als de Hollandse boot naar de Oost aanlegde. Ik ben dus een op de tien Nederlanders die Nederland op dit gebied zo'n slechte naam bezorgen, de Schotten van het continent, vraag de Belgen maar, die voortdurend moppen over ons verkopen in de trant van ''Weet je wie het koperdraad hebben uitgevonden? Twee Nederlanders die aan een cent trekken.'' Zuinigheid in extremis. Van Appeltje voor de dorst tot Vrek.

Gisteren belde ik de man-die-met-de-Koningin-sprak. Hij moest even iets opschrijven, maar had geen papiertje bij de hand. ''Ja, wel een nieuw vel briefpapier,'' zei hij, ''maar dat mag ik van mezelf niet gebruiken.'' Dus werd het de achterkant van een oude envelop.

Persoonlijk ben ik ook een meester in het opgebruiken van oude voorraden, zoals briefpapier en enveloppen van reeds lang gestorven maatschappijtjes. Ik kan ze eenvoudigweg niet weggooien, en het briefpapier zelf wordt gebruikt om deze stukjes uit de krant op te plakken, voordat ze in de ordner gaan. Paperclips liggen vrijwel te roesten. Plastic zakken ''kunnen altijd nog wel eens van pas komen''

en elke keer weer gebruik ik met graagte iets ouds. Het stoort me daarom dat ik twee (of misschien wel drie) potjes witte schoensmeer heb. Schoensmeer gaat sowieso nooit op (heeft u wel eens een potje helemaal leeg gemaakt?), maar witte? Drie!

En zo verstoft de schoensmeer naast het kruidenrekje uit 1970. Intussen voorspel ik toch dat de winkel in bekraste apparatuur geweldig zal lopen (ik bedenk me nu ineens dat mijn zusje een winkel in tweedehands kleding drijft - zou het misschien een familietrek zijn?) en dat de Angelsaksische Garage Sale en Boot Sale waar ik gaarne koop, ook in Nederland een hoge vlucht zullen nemen.

U heeft misschien gelezen dat onlangs een man in Pennsylvania (het meest Europese en zuinigste gedeelte van de VS!) voor vier dollar een lelijk schilderijtje kocht op een rommelmarkt, omdat hij het lijstje wel aardig vond. Toen hij het afzichtelijke doekje uit de lijst verwijderde zag hij, netjes opgevouwen, achterop een document geplakt, een originele eerste druk van de Onafhankelijkheidsverklaring, met een geschatte waarde van 800.000 tot een miljoen dollar.

In de Herald Tribune meldt de columnist Jack Ficarra dat hij niet gefopt is door dit bericht. Het zit heel anders, schrijft hij. Vorig jaar begonnen de rommelmarkten in Amerika wat in te zakken en er wordt een vergadering belegd van tophandelaren onder leiding van een dikke man die Carl heet wiens overhemd altijd achter uit zijn broek hangt en die in een '77-Chevey Station Wagon' rijdt, met een bak vol sigarenbandjes, zilveren schalen en stripboeken. U kent hem wel. Carl en zijn kornuiten die ieder rond een miljoen omzet per jaar hebben, zien met lede ogen de verkoopcijfers dalen. Er moet iets gebeuren, dat is duidelijk, maar wat? Er is een voorstel om echt antiek in te kopen, en onder acht lagen verf op de markt te gooien voor twintig dollar per meubel. Nee, zegt Carl, we moeten met iets groters komen, een stunt, iets spectaculairs dat de kranten haalt.

Ieder fourneert 100.000 dollar en er wordt een originele Onafhankelijkheidsverklaring gekocht, in mint condition. Men vouwt hem voorzichtig op en hij wordt achter op het lelijke schilderijtje geplakt. Vervolgens wacht men in spanning af tot de tijdbom ontploft.

Het resultaat heeft u in de krant kunnen lezen. Maar zover gaat Amnon niet, denk ik.