Monument voor democratie verdeelt de Tweede Kamer; IJzer en steenkool als symboliek

DEN HAAG, 19 april - Een zeven meter hoog onderstuk van gietijzeren platen, waarin teksten uit de Grondwet zijn afgegoten. Daarop een stalen korf die is gevuld met grote brokken steenkool. Ziedaar het ontwerp van de Grieks-Italiaanse kunstenaar Jannis Kounellis voor een monumentaal kunstwerk dat zal verrijzen bij de nieuwbouw van de Tweede Kamer, op een nieuw te vormen driehoekig pleintje dat begrensd wordt door de Hofweg, de Hofcingel en de Hofstraat. Tenminste, als de volksvertegenwoordiging dit geschenk van de minister van WVC accepteert.

Maandagavond zal de kunstenaar voor een select gezelschap van Kamerleden een toelichting geven op zijn ontwerp. Niet elk Kamerlid is even enthousiast over dit 'monument voor de democratie', zoals het in de wandeling wel heet. Maar wellicht, zo hopen WVC-ambtenaren, adviseur Rudi Fuchs en andere voorstanders, zal het charisma van de kunstenaar de twijfelaars over de streep trekken. Op 15 mei zal de bouwbegeleidingscommissie haar advies aan het presidium uitbrengen.

De bezwaren tegen het ontwerp zijn gevarieerd. PvdA- kamerlid Van Nieuwenhoven, tevens lid van de commissie die een advies moet uitbrengen over de aanvaarding van het monument, zet grote vraagtekens bij 'de uitstraling' van het monument. “Die vind ik niet positief, ik associeer het met vernietiging. Ik vraag me af of dit monument wel voor de eeuwigheid is”, verklaarde ze enkele weken geleden.

In christelijke en rechtse kring had men zich nogal gestoten aan een zinnetje in de brief van minister d'Ancona, waarin te lezen stond: 'De sokkel draagt dus geen ruiter, engel of ander symbool van door de Hemel verleende macht, maar een hoop uit de aarde opgedolven versteende energie. Democratie is mensenwerk.'

Dat demonstratieve atheisme ging menig confessioneel Kamerlid te ver. Fuchs heeft later getracht de zaak recht te zetten door te zeggen dat de democratie zoals die in Nederland tot ontwikkeling is gekomen het produkt is van de industriele revolutie en dat daarom steenkool en ijzererts de symbolen zijn van onze beschaving - meer dan het klassieke symbool van de democratie, de Apollo van Belvedere. We leven niet meer in een idealistische, maar in een materiele cultuur, volgens Fuchs, en de mensen staan autonomer ten opzichte van Opperwezen dan vroeger. Met de Franse en de Industriele revolutie hebben de mensen de geschiedenis zelf in handen genomen. 'Dat houdt geen enkele depreciatie in van van welk religieus gevoelen dan ook, maar dat is wat er gebeurd is en daar gaat het werk van Kounellis over.'

Of die exegese nu plausibel is of niet (Fuchs' uitleg over de bronnen van onze democratie zal zeker niet door iedereen worden aanvaard), de verwikkelingen rond dit monument vormen een fraaie illustratie van een pijnlijk probleem van de moderne monumentale kunst: de betekenis ervan. In een museale omgeving is dat probleem niet zo urgent. Wat de kunst betekent, of de kunst wel wat betekent en of de kunstenaar erin geslaagd is die betekenis vorm te geven, dat zijn allemaal legitieme vragen in een bij tijd en wijle interessant debat.

Bij een kunstwerk met duidelijk monumentale pretenties, een kunstwerk in de openbare ruimte, dat bovendien duidelijk gebonden is aan een omgeving en aan een gelegenheid, zijn die vragen veel minder vrijblijvend. De tragikomische gebeurtenissen rond het Koningin Wilhelmina-monument bewijzen hoe moeilijk de kunst het kan hebben als zij niet aan die verwachtingen beantwoordt. Na vijfentwintig jaar van alternatieve ontwerpen hield men het tenslotte maar op een bronzen beeld - daar was in ieder geval niemand tegen.

Tegenover die duidingsdrang staat echter het even respectabele standpunt dat de betekenis van een kunstwerk, zeker dat van een monumentaal kunstwerk niet te zeer moet worden vastgelegd. Het is voor het 'overleven' van een monument van groot belang dat het ruimte biedt voor interpretatie en herinterpretatie. Dat vereist een zeker niveau van abstractie, complexiteit en ambiguiteit. Vroeger, in de klassieke periode, stond de kunstenaars nog een heel repertoire van antieke en kerkelijke, later ook van socialistische symbolen ter beschikking. Die symbolen waren verstaanbaar, waren geschikt voor herinterpretatie en boden kunstenaars toch gelegenheid tot zelfexpressie. Tot in deze eeuw is er van dat repertoire gebruik gemaakt.

De moderne kunstenaar moet het helemaal alleen doen. Van hem wordt verwacht dat hij zijn eigen symbolen ontwerpt, maar ook dat ze aanspreken en overtuigen. Dat zijn twee eisen die moeilijk met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Veel moderne monumentale kunst heeft zich daarom teruggetrokken op het niveau van de 'autonome beeldtaal': stukken steen of staal die uitspraken doen over zichzelf en de omgeving, maar zich niet op het terrein van de gewone wereld wagen.

Het beeld van Kounellis lijkt dat wel te doen en is om die reden verfrissend. Of het ook een goed beeld is, of het werkt en of het dat over twintig jaar nog doet - daar is weinig zinnigs over te zeggen.

Misschien dat het plan van de kunstenaar om eerst een mock-up (schaal 1:1) neer te zetten enige opheldering kan geven.

Het is een moeilijke taak die op onze volksvertegenwoordigers rust. De kunst moet de gelegenheid krijgen zich te bewijzen, maar in de parlementaire democratie wil men van tevoren weten waar men zijn geld aan uitgeeft. Ook als het gaat om een geschenk.