LIEFDE EN LEUGENS IN DE BRITSE KOLONIEN

Empire and Sexuality. The British Experience door Ronald Hyam 234 blz., Manchester University Press 1990, f 157,50 ISBN 0 7190 2504 4

Seks en geweld, daar gaat het om, op de televisie, in het leven en dus ook in de geschiedenis. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat althans in de geschiedschrijving het laatste meer aandacht pleegt te krijgen dan het eerste. Dat de oorlog de vader van alle dingen is, hebben historici altijd al geweten. Al vanaf Herodotus en Thucydides hebben oorlog en geweld een centrale plaats in hun werk ingenomen. Hoeveel scholieren hebben niet hun jeugdjaren doorgebracht met Xenophons dagmarsen en Caesars veldtochten.

Ook in de wetenschappelijke geschiedschrijving die in de negentiende eeuw ontstond, nam de oorlog een centrale plaats in. Die geschiedschrijving ging vooral over oorlog, politiek en diplomatie, kortom over de publieke zaak. De moderne geschiedschrijving daarentegen toont juist een grote belangstelling voor het individuele en particuliere. Er bestaat zelfs een groot Frans verzamelwerk over de geschiedenis van la vie privee. Zoals in de verstrooiingsliteratuur heeft ook in de geschiedenis de klassieke vraag: 'Wie deed het?', plaats gemaakt voor de meer eigentijdse kwestie: 'Wie deed het met wie?'.

Helemaal nieuw is die belangstelling overigens ook weer niet. In de sociale geschiedenis bestaat al sinds lang een stroming die de Duitsers Sittengeschichte noemen en waarin prostitutie, pornografie en geslachtsziekten een belangrijke plaats innemen. Ook in biografieen werd uiteraard wel enige aandacht gegeven aan deze aspecten van de beschrevenen. In Frankrijk bloeit literatuur over onderwerpen als Les Secrets de Versailles, Louis XIV intime, Trois Femmes autour de Napoleon III en dergelijke. Serieuze historici zijn hierover echter doorgaans vrij beknopt en terecht. De reden waarom men zich voor Caesar, Napoleon of Bismarck interesseert, is immers hun functioneren als staatsman, niet als minnaar. Daarin verschilden zij waarschijnlijk niet veel van hun soldaten of lakeien.

De geschiedschrijving over het Britse Empire heeft tot nu toe aan deze problemen, als dat het woord ervoor is, weinig aandacht gegeven.

Afgezien van enkele beschouwingen over de erotische eigenaardigheden van empirebuilders als de veldheren Gordon, Kitchener, Baden-Powell en de staatsman Cecil Rhodes, bestaat er over dit onderwerp vrijwel niets, behalve dan Kenneth Ballhatchetts Race, Sex, and Class under the Raj, ongetwijfeld de meest eigen-aardige combinatie van titel en auteursnaam uit de geschiedenis der geschiedschrijving.

EROTISCH CREDO

Deze situatie is niet naar de zin van Ronald Hyam die voor dit onderwerp grote belangstelling heeft en er na enkele artikelen nu dan ook een boek over heeft geschreven. Blijkens zijn Sex and Empire voelt Hyam zich bij het onderwerp van zijn studie zeer betrokken en heeft er uitgesproken ideeen over. Seks is goed en de victoriaanse afwijzing ervan was fout, aldus kort samengevat zijn erotisch credo. Een terugkeer naar deze oude waarden, zo laat hij weten, 'is the last thing the world needs'.

Sommige kwesties brengen hem in een staat van grote (morele) opwinding. Niet zozeer prostitutie, polygamie of perversiteiten uiteraard, want hij is een verlicht man - maar andere dingen. Zo noemt hij het amendement-Labouchere dat alle homoseksuele handelingen strafbaar stelde 'the ineffably awful clause XI', een wandaad die alleen door Hitler werd nagevolgd. Ook vinden we soms nogal boude uitspraken als: 'We are all more or less bisexuals nowadays.' Ten slotte verklaart de auteur dank zij zijn werk een meer Aziatische dan Europese houding ten opzichte van de seksualiteit te hebben verworven, zonder precies uit te leggen waar het verschil in zit.

Hyams boek is geen echt overzichtswerk en kan dat gezien het schaarse materiaal en het gebrek aan voorstudies ook niet zijn. Het bestaat in feite uit enkele min of meer op zich zelf staande essays over diverse aspecten van het onderwerp. De voorbeelden worden genomen uit het hele Britse Empire en zelfs daarbuiten (Argentinie, China, Japan).

Chronologisch gezien loopt het boek van het einde van de achttiende tot het midden van de twintigste eeuw, maar de nadruk ligt op de tweede helft van de negentiende eeuw. Dat laatste is niet toevallig, want de auteur is van mening dat in deze periode de overgang valt te zien van een door hem gewaardeerd vrij en vrolijk interraciaal seksleven in de kolonien naar een door hem betreurde saaie en starre seksuele segregatie. Te laten zien dat dit zo was en te verklaren waarom dit gebeurde, is een van de hoofddoelstellingen van zijn boek.

Deze thematiek komt echter pas aan de orde na een aantal relatief zeer omvangrijke inleidende beschouwingen die tezamen bijna tweevijfde van de tekst vormen. Daar is om te beginnen de Inleiding, waarin de auteur uitweidt over de dingen van het leven en het vele vreemde dat er op seksueel gebied onder de tropenzon is te vinden. Hij geeft hierbij een woordenlijstje en dat is maar goed ook, want niet iedere lezer zal vertrouwd zijn met begrippen als coprolalia en scopophilia om van nkotshane en hlo-bongo maar te zwijgen.

In het tweede hoofdstuk wordt aangetoond hoe belangrijk het drift- en liefdesleven voor vele publieke figuren is geweest. Meer dan een koloniale coryfee zag zijn carriere erdoor verwoest. Zij waren op dit gebied veelal vreemde vogels die van vrouwen in het algemeen en van het huwelijk in het bijzonder weinig moesten hebben. Gordon, Kitchener en Rhodes trouwden ooit, vele anderen (Milner, Baden-Powell, Stanley, Lord Lugard) laat en zonder veel overtuiging.

Baden-Powell bijvoorbeeld kreeg zo'n hoofdpijn van de vervulling van zijn echtelijke plichten dat hij zijn bed verplaatste naar het balkon.

De imperialisten vereerden God, hun moeder en hun zusters, en hadden vaak een warme belangstelling voor jeugd en jongerenwerk. Daar bleef het bij. Het Empire was een echte mannenzaak waarin voor echtelijk geluk zelden plaats was. De Engelse mannen demonstreerden bovendien een duidelijke misogynie waarvoor de grondslag waarschijnlijk gelegd werd op de public schools. Zo verklaarde de minister van kolonien Alfred Lyttelton dat geen enkele positie in zijn leven zo grandioos was geweest als die van ouderejaars in Eton. Lord Curzon, de onderkoning van India, had in zijn huis een kamer ingericht die een replica was van zijn vroegere schooljongenskamer in Eton.

ENGELSE AFWIJKING

Hoewel de Engelsen in seksueel opzicht veel menselijks hebben, wijken ze toch ook hier in belangrijke mate van hun medemensen af. Hyam citeert met instemming E. M. Forsters dictum: 'England has always been disinclined to accept human nature.' De Engelse afwijking van het algemeen menselijk patroon kwam neer op een late huwelijksleeftijd, een pathologische vijandigheid tegenover homoseksualiteit, de aseksuele houding van de Engelse vrouw en een algemene afkeer van seksuele genoegens. Deze houding werd ontwikkeld in de victoriaanse tijd. Ze sloot overigens in de praktijk homoseksuele activiteiten (met name op de kostscholen) en overvloedige prostitutie niet uit (evenmin als het zich op grote schaal vergrijpen aan het talrijke huishoudelijke personeel).

Omstreeks 1870 kwam echter een grote Purity Campaign op gang die zich met name richtte op de bestrijding van venerische ziekten, jeugdseks, masturbatie, homoseksualiteit, pornografie, incest en bloot zwemmen.

De campagne sloeg in brede kringen aan. De latere secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken Robert Vansittart werd zelfs door zijn tante uit haar testament geschrapt vanwege een bezoek aan Parijs, terwijl deze jonge en ambitieuze diplomaat daar toch alleen maar heen ging om Frans te leren. Hyam brengt deze campagne in verband met de groei van een imperiaal bewustzijn en de imperiale behoefte aan een krachtig en gezond ras. Hier komen we dus bij het eigenlijke onderwerp van zijn boek, Empire and sexuality.

De visie die de auteur ontvouwt, is even eenvoudig als voor de hand liggend. De Europese expansie was in eerste instantie een zaak van mannen. De meeste van die mannen wilden contacten met vrouwen.

Sommigen wilden liever (jonge) mannen maar zelfs in het Engelse geval was dat slechts een minderheid. Aangezien de Europese expansie zich vooral richtte op Azie (Afrika kwam pas later in de imperiale belangstelling te staan) kwamen zij in contact met Aziatische vrouwen.

Daarmee boften zij, want de Aziatische vrouwen waren beter en boeiender dan wat zij in Europa gewend waren: aardiger, aantrekkelijker, schoner en meer bedreven in de liefde. De Japanse vrouwen stonden aan de top maar de anderen mochten er ook zijn. Voor de victorianen was de Orient in feite een gigantische erogene zone, die liep van Tanger tot Tokio.

Zo hadden deze kolonisten, zeelieden en soldaten dus over het algemeen een goede tijd. Vrouwen waren in ruime mate beschikbaar voor het vervullen van diverse zorgeloze en vrolijke rollen als die van prostituee, concubine, slavin. De beste formulering van dit geluk vinden wij bij de beroemde koloniale generaal Sir Garnet Wolseley die aan zijn moeder schreef dat zijn 'oosterse prinses' diende voor 'all the purposes of a wife without any of the bother'.

Aan deze paradijselijke toestand kwam een einde als gevolg van antikoloniale protesten, zoals de revolutie op Santo Domingo (1791) en de Indian Mutiny van 1857. Het werd hierdoor politiek noodzakelijk een grotere afstand tussen heersers en overheersten te scheppen. De Engelse, protestantse, missies voelden hier ook veel voor. Zo nam de sociale afstand toe.

De komst van blanke vrouwen later in de negentiende eeuw voltooide dit proces van segregatie. De memsahib in India (een door de karikatuur geliefde figuur: dom, preuts, bigot en arrogant) schiep een samenleving die op apartheid neerkwam. Hyam neemt deze zo gesmade vrouwen overigens wat in bescherming. Zo erg waren ze nu ook weer niet. Ze zorgden voor een veilige haven voor de gekwelde en vermoeide bestuurders.

TROUWEN

Hier raken we aan een enigszins paradoxaal punt. Iedereen die er geweest was en er over kon oordelen, was het erover eens: er ging niets boven een Aziatische vrouw. De Europese kon er niet aan tippen.

Maar als het om trouwen ging, bleken ze toch de voorkeur te geven aan Europese vrouwen: daar konden ze beter mee praten.

De groep van trouwlustigen was echter klein. De doorsnee-koloniaal was jong, ongetrouwd en avontuurlijk. Hij zocht en vond zijn gerief op andere plaatsen dan bij de huiselijke haard. Prostitutie en homoseksualiteit waren de kurk waarop leger, vloot en kolonie dreven.

Hier is de historicus, althans wat zijn bronnen betreft, op vaste grond, want prostitutie is een onderwerp waarover tal van rapporten bestaan. Hyam geeft hierover dan ook zeer gedetailleerde cijfers. In Japan, zo lezen we, waren er in 1930 50.056 prostituees. Wie dat veel vindt, bedenke dat Sjanghai alleen er al 40.000 had. Singapore had 235 bordelen en Hong Kong 2600. Sjanghai telde in 1900 2000 blanke prostituees maar in 1930 nog slechts 15. Wie dit alles gelooft, zoals de auteur lijkt te doen, want hij vertelt het zonder commentaar, is een naief man want er zijn per definitie weinig cijfers die zo onbetrouwbaar zijn als die over prostitutie.

Ook de bordelen en andere paleizen van plezier vielen ten slotte ten offer aan de grote Purity Campaign die in 1869 werd ingezet. In Afrika richtten de missionarissen zich voorts in toenemende mate op wat zij als misstanden beschouwden. Aangezien dit een enkele maal tot een schandaal of incident leidde, beschikken wij over enige documentatie hierover. Onze zendelingen brachten vreemde idealen naar Afrika: romantische liefde en monogamie. 'It is all this thing called love,'

verzuchtte lang voor Cole Porter een Afrikaanse chief. 'We do not understand it at all.' Voor hen was het bezit van 'wives and other cattle' een statussymbool.

Geen wonder dat de culturen botsten. Maar het was niet alleen een kwestie van vrouwen en liefde. Voor de Kabaka van Buganda ging het om sodomie. Hij had, ter vervulling van zijn verlangens, naast een meer conventionele harem, tevens de beschikking over vijfhonderd jeugdige pages. Hij voelde wel wat voor het christendom, maar hij voelde er niets voor deze jongens op te geven. De missionarissen probeerden toen de pages zelf op andere ideeen te brengen. Een conflict brak uit en enkele honderden pages werden gedood. Dertien hunner werden in 1964 heilig verklaard.

In Kenia richtte de missie-campagne zich tegen de vrouwenbesnijdenis, waarvan in Kenia een buitengewoon bloederige variant werd beoefend die echter volgens Kenyatta onlosmakelijk met de morele code van de Kikuyu's was verbonden. De campagne van de missionarissen werd ook hier een compleet echec. Het verhaal van deze weinig succesvolle campagnes vormt het laatste hoofdstuk van Sex and Empire.

XAVIERA HOLLANDER

Een boek als dit is noodzakelijkerwijs enigszins fragmentarisch. De bronnen beperken zich tot incidentele gegevens. Over de prostitutie bestaan tal van statistieken, maar ze zijn onbetrouwbaar en moeilijk vergelijkbaar. Pogingen tot verbreiding van westerse ideeen vinden we slechts gedocumenteerd als een probleem of schandaal ontstond. Een enkele halve gare hield een seksueel dagboek bij en daaruit is het natuurlijk aardig citeren, maar het zou even dwaas zijn hierop een geschiedverhaal te baseren als op correspondentie van Xaviera Hollander.

Het verhaal hangt daarom enigszins als los zand aan elkaar. Hyam vertelt het echter met groot enthousiasme en op een opgewekte toon die enigszins het midden houdt tussen Playboy en Verstandig ouderschap.

Hij geeft dan ook weinig blijk van gevoel voor humor. Zo schrijft hij in volledige ernst dat prostitutie als 'een stelsel van opwaartse sociale mobiliteit' kan worden beschouwd.

Het vreemde is dat een boek over zo'n nieuw onderwerp eigenlijk zo weinig nieuws brengt. De boodschap is immers even simpel als vertrouwd. De meeste mannen deden het met vrouwen, maar in tijd van nood behielp men zich met de eigen sekse, de fauna, de flora of helemaal niets. Ook hier geldt immers het bekende woord: 'If you can't get what you like you better like what you have got.' Dat er zo weinig nieuws over dit alles valt te zeggen en dat men zich bij zo'n opwindend onderwerp toch al gauw een beetje verveelt, is dan ook niet de schuld van de auteur maar van de Schepper die met een opmerkelijk gebrek aan fantasie niet meer dan twee seksen schiep en elk dezer slechts met een zeer beperkt aantal relevante organen uitrustte.

De vraag rijst ook wat dit boek ons eigenlijk leert over het Britse Empire en het Britse imperialisme. Wat is het historische belang van deze gegevens? Werd het Empire erdoor beinvloed? Geldt ook hier de stelregel uit de economische theorie: private vices public virtues?

Het antwoord is, geloof ik, nee. Ongetwijfeld hebben deze driften, verlangens en obsessies een aantal imperialisten vele uren van de dag bezig gehouden, maar uit niets blijkt dat zij hun daden en beslissingen hebben beinvloed. Het is interessant te lezen dat Cecil Rhodes een obsessie had met baden en wassen, nimmer trouwde en zich omgaf met goed ogende secretarissen, maar voor de geschiedenis van de Europese expansie is het van groter belang te weten hoe hij zijn fortuin vergaarde, wat zijn imperiale ambities waren en hoe hij in staat was een kolonie te cree-ren die vele malen groter was dan Engeland zelf.