Hollands Dagboek: Lucian Eremia

De Roemeen Lucian Eremia is 37 jaar. Hij is afgestudeerd aan de muziekschool (afdeling viool) en aan de rechtenfaculteit van de universiteit van Boekarest. Vervolgens werkte hij als vioolleraar, als juridisch adviseur voor economische vraagstukken en als rechter aan het tribunaal van Boekarest. Hij heeft gedichtenbundels en proza gepubliceerd. Op het ogenblik verblijft hij als asielzoeker in het AZC in Amersfoort en wacht op de beslissing in zijn zaak.

DONDERDAG 11 APRIL

Ik loop naar buiten in de frisse ochtendlucht, met de gedachte de Nederlandse dag te proeven, samen met de vogels. Ik merk dat april is doorgebroken, met een geur van narcissen, met veel kleuren, fris, als bladeren van de wilde appelboom.

Voor wie? Vorige nacht moest ik aan mezelf denken. Ik keek in de verborgen spiegel tussen mijn vingers en probeerde te raden wie ik ben. Een asielzoeker in het 'land van de tulpen', of een Don Quijote in het Nederland van de windmolens? Of gewoon een vechter zonder tegenstander, zoals in de filosofie van het absurde?

Het is de dag van de politie, van stempels en antwoord, zoals bij roulette. Over hoeveel tijd moet ik Nederland verlaten? Als die brunette die geboeid tussen de tanden van honden van de gang werd weggerukt? Of met de waardigheid van wie zich een menselijk wezen acht?

Ik adem moeizaam. Ik zweet. De gangen zijn verlaten en mijn eigen stappen klinken als een vonnis. In mijn hoofd als het lood van een moordende kogel het minachtende beeld van de politieman die weet dat je vroeg of laat weg moet en dat laat merken. Mijn benen zijn zwaar als lood. Nou ja, ik ben bang!

... Niets. De uitspraak wordt uitgesteld. Aan de andere kant van de muur van hardboard een banaal ritueel, vleugjes conversatie, in ultrakorte zinnen. Een stempel op een groen karton: 'Registratiekaart wekelijkse meldingsplicht'. En de ijskoude onverschilligheid van de ambtenares: 'Alstublieft!'

Ik zit met een brok in mijn keel en voel me misselijk. Tot donderdag zal dat gevoel verdwijnen in de frisse bladergeur die als een groen getij door de stad wiegt.

Maar donderdag?

VRIJDAG

Ik sta voor het Belgische monument, om even rust te zoeken. De bast van de bomen zit vol rimpels, is van wit roodachtig geworden. Lange evenwijdige rijen reusachtige rode mieren zoeken de hoogte op, op jacht naar voedsel, of misschien op jacht naar hun eigen verhaal. Net als ik!

Ik kom tot mezelf en hoop, geloof misschien zelfs, in het goede en het kwade, in idealen en het mooie. In Roemenie kan men niet dromen. Kan men niet liefhebben. De politiek en de aantrekkingskracht van de macht hebben de kwaliteit, de idealen en de hoop vertrapt. De vuist dicteert met legioenen arbeiders, die zonnebloempitten spugen op de boulevard.

Het land wankelt, ik heb het gelezen in de stapel kranten die ik gisteren heb gekregen. Het vaderland is de revolutie, de doden en de tranen vergeten. Wat zal er van het Latijnse eiland worden?

Wie is in mij geinteresseerd? En wat ben ik eigenlijk? Een individu dat automatisch drie keer per dag het toegewezen vluchtelingenvoedsel slikt, in een voormalige en perfecte gevangenis? Een mens die nog hoopt? Welke God heeft me als Roemeen geschapen en laat me dat stigma door Europa dragen?

ZATERDAG

Ik ben bijna gevlucht van de hoge kamer met tralies in het raam die als eetvertrek dient. Vier mensen bewaakten de manden met margarine en jam, de borden met avondrantsoenen. Een andere volgde met belangstelling, zelfs ongeloof, de manier waarop dezelfde pakjes jam en margarine onaangebroken werden teruggelegd, de manier waarop al vijf maanden hetzelfde voedsel moeizaam werd doorgeslikt. Ik kan het moeilijk begrijpen. Enkele maanden geleden verzamelde de pensionhoudster in een tehuis in het noorden de sneetjes brood uit de prullenbak, de restjes kaas, de doeken, om ze opnieuw te gebruiken.

Hier zet de keukenchef zijn geliefde aan tafel, maar weigert hij de kinderen een extra stukje kaas, kaas die de anderen weggooien. ''Zo is het reglement!''

Ik verdroeg het niet meer. De verdroogde zielen in het land van de tulpen. Ik heb me in mezelf teruggetrokken en ik heb Mozarts Requiem gedraaid. Maat voor maat... De muziek doet me pijn. Als een eeuwige wond of als een kruis dat op Golgotha wordt opgetrokken. God is ergens in mij, en ik voel hem soms als hoop.

Ik ben nu zes maanden in Nederland en ik heb de contrasten leren kennen. Achter de tegenstrijdige rust is het alsof de pijn kreunt.

Soms voel je het mes dat door je vlees snijdt. De ervaring heeft me getekend. Uit Roemenie ben ik verjaagd door het geweld en de onderontwikkeling van de brute meerderheid. Hier heb ik onverschilligheid en gemene berekening leren kennen. ''Weet je wat je levensonderhoud kost, asielzoeker? Als het je niet bevalt, ga je maar!''

ZONDAG

Vandaag zei iemand dat Nederland een slechte keus was. Een minuscuul landje, met een grote bevolkingsdichtheid. Daarna hield hij een toespraak over Iliescu en de Roemeense democratie, alsof hij voorkwam op de lijst van propagandisten van de neo...propagandistische regering in Boekarest. Uiteindelijk gaf hij me te verstaan dat de buitenlanders de banen van de autochtonen komen afpakken en dat er hier tienduizenden werklozen zijn. Goed, zei ik, maar weet u wat voor opleiding ik heb? Hij keek me aan alsof ik een marsmannetje was en hij zei me dat dat niet belangrijk is. ''Hier kun je van alles zwart doen.'' ''Maar er zijn toch mensen die om politieke redenen hun land hebben verlaten en die tegen de regeerders zijn,'' antwoordde ik.

''Dat is mogelijk, maar hier komen ze allemaal voor geld. Wij zijn kapitalisten.''

Wat voor zin had het, die kennis de Securitate betekent, wat de speciale onderzoeken betekenen, de bespionering die begint in het echtelijke bed, de verdwijningen en vreemde ongelukken. Dat zou een pagina uit een roman van Agatha Christie kunnen zijn, of van Simenon.

Maar wie dat niet heeft meegemaakt begrijpt niet dat geld de ziel niet kan vervangen!

Hier, tussen de vier muren met tralies voor het raam denk ik aan de eenzaamheid van het geloof. Ik geloof niet in het aardse paradijs, maar ik ben ook geen muis. Het leven heeft me een streek geleverd.

Thuis veroordeelde ik anderen tot de gevangenis. Hier zit ik er zelf in.

MAANDAG

Men zou de ontwikkelingen in het leven en de antieke bewoners van Griekenland eens heel nauwkeurig moeten bekijken. Anders valt de legende van Pandora niet uit te leggen, in wier doos alleen de hoop achterblijft. Eerlijk gezegd: hoop kost niets en doet geen pijn. Je wordt er niet rijker van, maar ook niet armer. Wie durft zeggen dat hij geen hoop meer heeft, gedraagt zich schandelijk. In de diepte van zijn ziel hoopt iedereen.

Het stoort me het permanente slachtoffer van de omstandigheden te zijn, net zoals ik me erger aan het medeleven, om niet te zeggen: het medelijden, waarmee men mij bekijkt. Misschien heb ik daarom vandaag het recht in de toekomstige tijd te denken, of om te geloven dat morgen anders wordt.

Ik ben de laatste dagen aangezien voor een Hongaar, een Rus, een Tsjech, een Pool, een Joegoslaaf, een Bulgaar. Nooit voor wat ik echt ben, een Roemeen. Zou Roemenie op de landkaarten niet bestaan? Of is er iets anders?

De hemel schudt de bladeren van de bloesem van de wilde abrikoos van zich af. Ik heb slaap, maar de slaap ontvlucht me. Ik bekijk de koude lichte hemel en denk aan de hoop.

DINSDAG

De marteling van het wachten berooft me van mijn geloof, liefde, alles. Ik denk dat dat het gevoel is van de man die op zijn vonnis wacht. Hij hoopt op vrijspraak, vrijheid, zon, op vrienden, op het haar dat over haar schouders valt. Ik wacht vol zorg, ik weet wat me te wachten staat. Dat banale, harde, onbegrijpelijke antwoord, op wit papier, met de standaardformulering: ''U voldoet niet aan de voorwaarden...''

Bijna een jaar geleden ben ik uit het gerechtsgebouw gegooid en het oneindige ingestuurd. Wat ik heb meegemaakt is pijn, leed en ballingschap. Vernedering en onzekerheid. Ik denk aan mijn medeburgers, die de wegen van Europa als tatouages bedekken, soms onder de blote hemel, hongerig en ontgoocheld. Ze zouden een echte politieke partij kunnen vormen: de Partij van Hen die Hopen.

WOENSDAG

Ik ben heel vroeg wakker geworden. Het was nog donker toen ik in de gangen vol achtergelaten etensresten en papier mijn 'nachtronde'

maakte. Ik denk, met een door vermoeidheid mistige geest, hoeveel haat er moet bestaan in het hoofd van sommige menselijke wezens, hoeveel leegte in hun ziel, als ze ons in het gezicht grijnzen en ons een etiket opplakken, zoals een ziek, vet individu dat loert op een half onsje worst. Waarom in godsnaam is hij geboren als hij zijn voorbestemming niet begrijpt en zijn rol als MENS niet serieus neemt?

In deze vervloekt lijkende wereld, waarin op elk willekeurig moment de uitwijzing kan komen, begeleid door hondengeblaf, omhelsde me een Nederlander. Hij heeft me gevraagd of het gaat, hij heeft geglimlacht, hij heeft me over zijn vaderland verteld. En over mijn vaderland. En over ons vaderland, de wereld. Hij heeft me een paar dagen bij zich uitgenodigd en we hebben over onszelf gedroomd, in de toekomst, ooit.

Een ander heeft twee kleine Roemeentjes naar een school gebracht. Een Nederlandse school. Dat is tegen de regels, maar hij zei dat de mensen toch fundamentele rechten hebben, niet alleen op papier.

DONDERDAG

Vannacht heb ik, terwijl de wind heftig aan de ramen rammelde, gedroomd van de gele trein die ongeduldig op me wacht, opgewonden als een tiener. Toen ik wakker werd, was ik mijn stem kwijt. Het is weer donderdag, de dag van de paranoia. Ik heb gedacht: wat betekent een week extra op de kalender van de ballingschap?

De ervaring van de vreemde en vijandige wereld ligt al vast in de ijsberg van de eerste contacten. Amsterdam, Wolvega, Scherpenzeel, Zwolle, Utrecht, namen op de kalender van mijn Nederlandse tijd. Ik wist dat het eind een soort schop onder het achterwerk zou zijn, en toch heb ik het geprobeerd in de arena zonder overwinnaars.

Maar wat dan? Wat heb ik bereikt? Gisteren, bij de sociale dienst, heeft de dame zich verontschuldigd dat ik weg zal moeten (hoe kent zij de afloop?). De blondine met de vuile broek maakte avances. Beiden dachten dat ik me zou verheugen. En beiden verontschuldigden zich.

''Sorry'' zegt men hier als men je op de tenen trapt, als je kind sterft, als je wordt ontslagen en als je minnares je wegstuurt.

Taalarmoede? Nee, zuinigheid met energie. En toch, er zijn ook nog bloemen op deze wereld. Het tuinafval stapelt zich op in de tijd, maar het goddelijk gekleurde sublieme vertelt me dat iets mogelijk is.

Op welke donderdag hoor ik wat? En hoe?