Het eerste wat ik deed nadat ik mijn koffers naar ...

Het eerste wat ik deed nadat ik mijn koffers naar mijn hotel had laten brengen, was opnieuw op zoek gaan naar een vrouw. Dat was, afgezien van hard werken, de manier waarop ik ongelukkige liefdes vergat: door snelle seks. Mijn journalistenvriend uit Wenen had me een adres meegegeven en me verzekerd dat het om 'het beste bordeel van de Balkan' ging. Ik liet me erheen brengen door een oud huurrijtuig. We reden eindeloos lang door halfdonkere straten en stegen met krijsende katten en klaaglijk huilende zwerfhonden. Ik herinner me maanlicht op kinderhoofdjes.

Op een gegeven moment hield de koetsier stil in een totaal verduisterd straatje. Ik aarzelde. Een echte journalist zou gevraagd hebben of daar werkelijk een hoerenkast was en de koetsier opgedragen mij, indien ze gesloten was, naar een andere te brengen. Ik stapte uit en betaalde. Misschien komt het omdat ik zelf te graag naar anderen kijk, maar ik voel altijd schaamte wanneer ik me door anderen bekeken weet.

Het rijtuig verdween rammelend en klapperend om de hoek en ik bleef alleen achter. Ik telde de huisnummers, voorzover er huisnummers waren. Mijn blik bleef hangen bij een smal, scheefgezakt huis. Ik liep ernaar toe en zag inderdaad een klein koperen bordje met de naam die mijn collega me had opgegeven (die naam ben ik vergeten, maar ik geloof dat hij vertaald zoiets als 'Het aardse paradijs' betekende).

Het bordeel was duidelijk gesloten. Voor alle zekerheid klopte ik hard op de massieve deur, maar er kwam geen enkele reactie.

Ik bleef nog lang staan, niet wetend wat te doen. Ik kon een rijtuig zoeken en teruggaan naar mijn hotel, waar ik mijn aantekeningen en verzamelde stukken over de plaatselijke anarchistenorganisatie de Zwarte Hand zou kunnen bestuderen. Maar, maar. Teruggaan betekende zeker een slapeloze nacht vol gedachten over verloren momenten en gemiste kansen. Bovendien hadden de woorden van mijn vriend over 'het beste bordeel van de Balkan' een harde spanning in mijn lichaam opgewekt die zich niet zomaar liet wegdrukken. Ik klopte nog eens.

Opnieuw geen antwoord. Juist op dat moment hoorde ik een hard gelach uit een van de andere huizen van de straat komen. Het was een mannelach, donker en grof. De lach herhaalde zich, nu ondersteund door andere zware stemmen en glasgerinkel. Ik hoorde nu ook een schelle vrouwestem, die iets in het Duits riep. Het rumoer was afkomstig uit een van de hoekhuizen.

Onwillekeurig liep ik erop af. Met de moed van het verlangen liet ik de klopper op de deur vallen. Het werd direct stil.

Na een tijdje hoorde ik hoe boven mij luidruchtig een raam werd opengeschoven. Ik keek op en zag het silhouet van een vrouwehoofd tegen gelig licht. Ja? vroeg de vrouw, niet onvriendelijk. Ze had een heldere, jonge stem. Achter haar hoorde ik het rumoer van de stemmen weer langzaam aanzwellen. Bitte, begon ik, zonder dat ik wist wat ik wilde vragen. Maar een blik was blijkbaar voldoende: de begeerte moet van mijn gezicht af te lezen zijn geweest. Warten Sie.

Het was weliswaar nog geen achtenveertig uur geleden dat ik me in een bordeel had bevonden, maar het was de eerste keer in mijn leven dat ik alleen was; voorheen had ik altijd minstens een vriend of kennis bij me gehad. In vertrouwd gezelschap had ik me, vreemd genoeg, nooit bekeken gevoeld; alleen voelde ik me opgelaten. De vrouw van het raam opende de deur, glimlachte breed, en gebaarde dat ik binnen moest komen.

Ze zag eruit als een gewone vrouw die zich voor een avondje opgedirkt had, een feestelijke parodie op een hoer: zwarte netkousen met een felrode kousenband, een opengewerkt zwart korset waarin haar bleke borsten gepresenteerd werden als op een dienblad. Ze had zwaar opgemaakte, koolzwarte ogen, maar zonder de verwrongen blik die ik zo goed kende uit de havenbordelen van Amsterdam. Haar haar of pruik (valse gebitten of haren herken ik nooit als zodanig) bestond uit opgestoken rossige krullen en haar lippen hadden een gevaarlijk uitziende, paarsachtige kleur. Maar mijn eerste indruk bleek gerechtvaardigd: ze was vriendelijk. Haar glimlach was niet op haar gezicht geschilderd, maar kwam ergens van binnenuit en stond bovendien in direct contact met haar grijsblauwe ogen. Hallo, Hallo! Ze greep me bij mijn schouders, schurkte zich even speels tegen me aan en vroeg me naar mijn naam.

Bitte, kommen Sie weiter, Herr Sebastian. Ze ging me voor, een gammele houten trap op, draaiend met haar uitpuilende billen. Ze liep door naar de tweede etage, waar het feestgedruis onverminderd doorging. Met een theatraal gebaar gooide ze de deur open.

Het huis in Wenen was sjiek geweest, dat wil zeggen, veel fluweel, veel zijde, veel boeketten en kroonluchters, veel zachte kussens en matrassen; het soort protserige luxe waar bordelen het patent op lijken te hebben. Het vertrek waar ik nu naar binnen keek, was het andere uiterste: een kale ruimte, waarin een klein, luidruchtig gezelschap aan een ronde tafel zat. Aan de muren hingen een paar oude, scheve gaslampen en een portret van de keizer achter gebarsten glas.

In een hoek stond een sofa, een afgebroken poot steunend op een collectebus. Er lag een naakte vrouw op, met in haar armen een slapende man. Hun kleren lagen verspreid over de houten vloer; ik herkende stukken van een officiersuniform. In een donkere hoek, links van me, zag ik een paar vollemaansbillen op en neer gaan, de vlezige heupen erboven strak omklemd door vrouwebenen.

Soms kan de geilheid van anderen je je eigen lust ontnemen. Een blik in die kamer en het was duidelijk dat ik die avond een toeschouwer zou blijven. Ik kon niet zien of het hier om een gevestigd bordeel ging of om een geimproviseerde orgie. De mannen aan de tafel in het midden waren voor het merendeel militairen, de vrouwen zagen er allemaal uit als hoeren, maar hadden stuk voor stuk de frisheid van mijn gastvrouw.

Zij kwam nu aanlopen met een fles witte wijn en twee glazen en gaf een van de vrouwen aan de tafel een duwtje. Die gaf gewillig haar stoel op en nam zelf wijdbeens plaats op het tafelblad. De madam - als het de madam was - schonk twee glazen vol. Sigrid wird viel Spass machen, ja, zei ze en ze verdween naar achteren.

Ik glimlachte naar Sigrid, een blonde vrouw met Wagneriaanse vormen en een brede, muurvaste grijns op haar gezicht. Ik wist niet wat ik tegen haar moest zeggen en werd me plotseling pijnlijk bewust van de situatie waarin ik verkeerde: ik was diezelfde nacht uit Wenen gekomen om een serie artikelen te schrijven over nationalistische elementen in Bosnie, een onderwerp waar ik zo goed als niets van wist, en hier zat ik, een paar uur na aankomst, in een vreemde kamer, mijlen ver van mijn hotel, omringd door hoeren en dikke legerofficieren die hun broek los hadden.

Hallo, Sigrid, zei ik en toen pas zag ik het groepje achterin het vertrek. Het waren zes of zeven jonge mannen en ze zaten in een kleine kring op de grond. Ze hadden flessen en glazen tussen hen in staan, maar stonden overduidelijk los van de algemene atmosfeer in de kamer.

Ik kon hun gezichten niet goed onderscheiden, maar ik zag dat ze druk discussieerden, hun gebaren steeds feller, hun stemmen steeds luider.

De Zwarte Hand, dacht ik automatisch, maar juist toen ik besloot een gesprek met hen aan te knopen, stonden ze als een man op en liepen het vertrek uit. Ik wilde hen achterna gaan, maar op dat moment liet Sigrid zich grijnzend op mijn schoot zakken.