Heilig huisje van het minimumloon wankelt

Het minimumloon staat opnieuw ter discussie. Verlaging daarvan zou werk opleveren. De vakbeweging is mordicus tegen, de politiek kijkt angstig naar de werkloosheidscijfers.

Alweer lijkt er een taboe te sneuvelen: het minimumloon. Jaar in, jaar uit is er over gesproken. Jaar in, jaar uit eindigde de discussie in het absolute niets. Politiek is de zaak in 1988 afgedaan toen de Tweede Kamer nog eens in grote meerderheid te kennen gaf niet verder te willen praten over een verlaging van het minimumloon. “Aan een dood paard moet je niet blijven trekken”, concludeerde de toenmalige minister van sociale zaken De Koning en klapte het dikke minimumloondossier dicht.

Maar sinds de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid begin dit jaar met een rapport over arbeidsparticipatie kwam, wordt er toch weer over het minimumloon gesproken. Aanvankelijk vooral door theoretici, maar de laatste weken in toenemende mate door politici.

Stijging van de werkloosheid kan het al zo veel geplaagde kabinet er niet nog eens bij hebben. Toch is dit het sombere vooruitzicht dat het Centraal Planbureau voor 1992 in zijn jongste publicatie schetst.

Lubbers en Kok is er alles aan gelegen dit te voorkomen. Zelfs als dit eventueel ten koste gaat van een tot voor kort heilig huisje.

Daarom wegens absolute noodzaak geprolongeerd: de discussie over de vraag: moet het mes in het wettelijk minimumloon? Simpele economische logica suggereert een simpel antwoord. De werkloosheid onder laaggeschoolden is in Nederland relatief hoog. En het bruto minimumloon ligt vergeleken met de omringende landen vijf tot dertig procent hoger.

Het nu zo veel besproken rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid - 'Een wenkend perspectief, arbeidsparticipatie in de jaren negentig' - bepleit dan ook een forse verlaging van het minimumloon, met liefst dertig procent.

In politiek Den Haag kreeg het WRR-rapport de afgelopen weken de status van een sociaal-economische bijbel. We moeten de werkloosheid niet bestrijden met korter werken, de Vut en via oneigenlijk gebruik ook de WAO. Dan blijft Nederland steken in de 'valkuil van de sociale zekerheid'. Te weinig mensen moeten dan de kosten van teveel uitkeringen verdienen, zegt de WRR. In plaats daarvan moeten meer mannen en vrouwen aan de slag.

Het huidige minimumloon werpt volgens de WRR voor veel laaggeschoolden, ouderen, vrouwen en allochtonen die aan de slag willen een onneembare barriere op. Dat is volgens de Raad van belang omdat de werkloosheid onder laaggeschoolden relatief groot is. Veel laaggeschoolden zouden van de arbeidsmarkt worden verdrongen door hoger geschoolden die nauwelijks duurder zijn.

Het minimumloon, zegt de WRR, kan ook uit inkomenspolitieke redenen omlaag. Sinds de invoering - eind jaren zestig - is het minimumloon geent op het kostwinnersbeginsel en dus bedoeld om een traditioneel gezin van man, vrouw en twee kinderen te kunnen onderhouden.

Ruim negentig procent van de minimumloners bestaat tegenwoordig echter uit jongeren en tweeverdieners. Hun huishoudens kunnen volgens de WRR wel met minder toe.

En dat moet ook, betoogden de wetenschappers, want de arbeidsparticipatie is in Nederland veel te laag. Per honderd inwoners tussen de 15 en 65 jaar werken in Nederland 59 personen. Dat is weliswaar ongeveer evenveel als in Frankrijk, Belgie en Duitsland, maar in Nederland wordt naar verhouding veel in deeltijd gewerkt.

Omrekening in arbeidsjaren leert dat Nederland in de EG - na Spanje - het laagste aantal arbeidsjaren per honderd volwassenen kent. Zowel de participatie van vrouwen (deeltijd) als die van oudere mannen (WAO, VUT) is hier opvallend laag, en de WRR noemt die lage arbeidsdeelname “de achilleshiel van het Nederlandse sociaal-economische stelsel”.

Arbeid is volgens de WRR niet langer een noodzakelijk kwaad, maar een doel op zich. Voor de samenleving, omdat traditionele instellingen die vroeger zorgden voor maatschappelijke integratie - kerk en partij - nu aan erosie onderhevig zijn. Deelname aan het arbeidsproces is daarom nu extra belangrijk voor de maatschappelijke cohesie.

De WRR wijst op de toenemende vergrijzing. Nu staan tegenover honderd niet-zieke werknemers 65 ontvangers van een sociale uitkering. In 2020 zullen dat er 93 zijn. De collectieve lastendruk stijgt daardoor.

Een grotere arbeidsparticipatie zou het 'draagvlak' voor die collectieve last versterken, aldus de WRR. Een lager minimumloon kan daarbij helpen.

pag. 18

Politici branden hun vingers liever niet aan verlaging minimumloon

Ondanks al het ideologische geweld tussen voor- en tegenstanders van een lager minimumloon lijkt de zaak in kwestie kwantitatief van beperkt belang. In oktober 1989 (de laatste maand waarvan gegevens beschikbaar zijn) waren er in Nederland slechts 88.000 volwassen werknemers (23-64-jarigen) met een brutoloon lager of gelijk aan het minimumloon. Het aantal jeugdige minimumloners (15-22 jaar) bedroeg 75.000.

Bijna de helft van hen - vrouwen in het bijzonder - werkte in deeltijd (deze cijfers betreffen alleen werknemers die tenminste eenderde van de normale arbeidsduur werkten). Gegeven deze relatief kleine aantallen rijst de vraag of een verlaging van het minimumloon werkelijk zoveel mensen aan werk zal helpen.

Kan een lager minimumloon het hele loongebouw omlaag trekken en via een matiging van de arbeidskosten de werkgelegenheid een impuls geven?

In de jaren zeventig - toen het minimumloon fors omhoog ging - had dat inderdaad een stuwend effect op de lonen. Maar sinds het minimumloon in 1983 met drie procent werd verlaagd en vervolgens werd bevroren, vormen de minima in de CAO's de vloer van het loongebouw. Want die minimum CAO-schalen gaan doorgaans niet met het minimumloon mee omlaag. Van een loonmatigend effect is dus nauwelijks sprake.

In zijn pleidooi voor 'individualisering' van het minimumloon neemt de WRR de bijstand als voorbeeld. Voor de zogeheten 1990-generatie - oftewel iedereen die in of na dat jaar achttien wordt - is de bijstand afgestemd op het 'sociaal minimum' zoals dat geldt voor een individu.

Het kostwinnersbeginsel bestaat niet meer voor deze generatie. Partners krijgen een aparte uitkering. De keerzijde van de medaille is dat ook beide partners beschikbaar moeten zijn voor de arbeidsmarkt.

De WRR wil voor de 1990-generatie iets soortgelijks met het minimumloon: een dertig procent lager minimumloon gaat dan samen met een aparte toeslag voor de partners van samenwonende of gehuwde minimumloners als die niet over eigen inkomsten beschikken. Voor de oudere generaties wil de Raad het minimumloon niet verlagen maar wel bevriezen.

Werkgevers omarmen de WRR-voorstellen. Directeur sociale zaken D.E. Cnossen van het Nederlands Christelijk Werkgeversverbond: “Het minimumloon geeft geen antwoord op de politieke vraag hoe hoog de onderkant van de welvaartsverdeling moet zijn. Het is de laagste prijs op de arbeidsmarkt. Die twee zaken moeten we scheiden.”

Cnossen is het met de WRR eens dat het minimumloon moet worden afgestemd op het individu. “Dat is in deze wereld van tweeverdieners niet meer dan logisch.” Ook de gedachte van een partner-uitkering kan op zijn steun rekenen. Cnossen: “Voorop moet staan dat werk belangrijk is voor mensen. Dat mag je ze niet onthouden.”

Cnossen erkent dat een verlaging van het minimumloon niet onmiddellijk leidt tot meer werk voor laaggeschoolden. “Door het huidige minimumloon is in Nederland veel ongeschoold werk weggeorganiseerd, meer dan in het buitenland. Bij voorbeeld in de textiel, de confectie en de lederwarensector”, zegt hij. Als het minimumloon wordt verlaagd, komen er volgens Cnossen pas na verloop van tijd nieuwe banen bij. Zij het niet zozeer in de oude sectoren als wel in de kleine commerciele dienstverlening.

Werkgelegenheid is traditioneel een hoofddoelstelling van de vakbeweging, maar voor de Federatie Nederlandse Vakbeweging blijkt werk toch niet heilig. Simon van de Pol, beleidsmedewerker scholing en arbeidsmarkt van de FNV, zegt: “De politiek stelt soms werk boven inkomen. Dat doen wij niet. Daarom vinden we ook dat in de banen-pools CAO-lonen moeten worden betaald, en niet het minimumloon.”

Een geleidelijke verlaging van het minimumloon met dertig procent is voor Van de Pol volstrekt onbespreekbaar. “Ook laaggeschoolden moeten met een werkweek van 38 uur een sociaal minimum kunnen verdienen,”

zegt hij. Daarbij doelt hij op het sociaal minimum voor (echt)paren. Aart-Jan de Geus, bestuurder sociale zekerheid van het CNV, sluit zich daarbij aan. “Er is een sociale bodem in de markt nodig”, zegt hij.

De Geus wijst ook op het feit dat het minimumloon in de jaren tachtig jarenlang werd bevroren. “Het moet nu worden gekoppeld aan de welvaartsontwikkeling”, zegt hij.

De Geus voelt helemaal niets voor het WRR-voorstel van de partner-toeslag. “Je moet geen onderscheid maken tussen alleenstaanden en gezinnen. Dan introduceer je langs een omweg toch weer een kostwinnerstoeslag”, zegt hij. Maar op dit moment is het netto minimumloon voor een alleenstaande circa dertig procent hoger dan de netto uitkering. En bij kostwinners ontbreekt zo'n verschil. Is dat geen bezwaar? “Nee”, zegt De Geus, “dat vormt juist een prikkel om te werken. Alleenstaanden zijn vaak jongeren, als zij gaan werken gaat hun inkomen omhoog. Kostwinners hebben zo'n prikkel zelden nodig.”

De FNV Jongeren zijn inmiddels zozeer gealarmeerd door de discussie over het minimumloon en het minimumjeugdloon dat ze begin deze week in een brief aan de leden van de Tweede Kamer daarover hun “afschuw”

lieten blijken. Ondernemers vinden jongeren helemaal niet te duur, stellen zij, wijzend op recente CAO's waarbij jongeren in diverse gevallen een forse loonsverhoging krijgen.

Het argument dat de werkloosheid onder jongeren in de jaren tachtig fors is gedaald omdat het minimumjeugdloon zo sterk omlaag ging (in 1981-1983 met zeventien procent) snijdt volgens de FNV Jongeren geen hout. Want de hoogconjunctuur stimuleerde de werkgelegenheid terwijl het aanbod van jongeren terugliep, onder meer om demografische redenen.

Hoewel de WRR met 'Een wenkend perspectief' in de politieke roos heeft geschoten, willen politici hun vingers liever niet aan een verlaging van het minimumloon branden.

PvdA-leider en minister van financien Wim Kok stond bij voorbeeld zowel vorige week woensdag in Eindhoven als zaterdag in Utrecht uitgebreid stil bij het WRR-rapport. Kok noemde de noodzaak van matiging van de minimumloonkosten en dus van het bruto minimumloon met nadruk. Over het netto minimumloon zweeg hij als het graf.

CDA-fractieleider Eelco Brinkman ging weliswaar een stapje verder - hij betoogde net als de WRR dat het huishoudinkomen van veel minimumloners helemaal niet minimaal is - maar ook hij wilde het minimumloon “niet zonder meer ter discussie stellen”.

Die politieke schroomval is niet verwonderlijk. Na de daling van het reele, voor inflatie gecorrigeerde minimumloon in de eerste helft van de jaren tachtig probeerde minister Jan de Koning van sociale zaken het in de tweede helft van het decennium opnieuw. Onder druk van de Tweede Kamer moest hij schielijk bakzeil halen. Was de koopkracht van het minimumloon tussen 1979 en 1984 niet al met veertien procent gedaald?

Bij het effect op de werkgelegenheid werden vraagtekens gezet. De totale werkgelegenheid steeg tussen 1983 en 1990 fors, maar het aandeel van minimumloners bleef ondanks de relatieve daling van het minimumloon vrijwel stabiel. Ook bij de jeugd bleef het werkgelegenheidseffect bescheiden. De WRR concludeert in 'Een wenkend perspectief' dat de verlaging van het minimumloon “waarschijnlijk erger heeft voorkomen”. Dat lijkt een bewijs uit het ongerijmde.

De WRR baseert zijn optimisme over het werkgelegenheidseffect van een verlaging van het minimumloon vooral op het werk van de Tilburgse econoom Van Soest. Van Soest berekende wat de relatie is tussen diverse eigenschappen van werknemers (opleiding, leeftijd, geslacht, etc.) en hun loon. Vervolgens kon hij voor werklozen berekenen welk loon bij hun eigenschappen zou passen. Als dat minder dan het minimumloon zou zijn, zouden ze dus het minimumloon niet kunnen waarmaken en als gevolg van het minimumloon werkloos zijn.

Van Soest berekende op deze manier in eerste instantie dat - als het minimumloon in 1984 met tien procent zou zijn verlaagd - liefst 230.000 mensen weer een baan hadden kunnen krijgen, gelet op hun vermogens. Latere berekeningen kwamen echter veel lager uit. In een studie in opdracht van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid berekende Van Soest samen met Kapteyn met een uitgebreider wiskundig model dat - als het minimumloon in 1987 met tien procent zou zijn verlaagd - dit 65.000 (na een jaar) a 136.000 (na drie jaar) nieuwe arbeidsplaatsen zou hebben opgeleverd. Wat overigens nog altijd aanzienlijke getallen zijn.

De bevriezing van het minimumloon in de jaren tachtig heeft volgens Van Soest en Kapteyn de werkloosheid aanzienlijk teruggedrongen. Zij schatten die bijdrage wat betreft de mannen op een kwart. Maar door de bevriezing is het minimumloon achtergebleven bij de voortdurende stijging van de produktiviteit. Een daling van het minimumloon met tien procent vergrootte de werkgelegenheid voor mannen daardoor volgens de auteurs in 1987 minder dan in 1984: vier a vijf procent in 1984, een a twee procent in 1987. De belangstelling van economen voor het minimumloon is de afgelopen jaren explosief gestegen. De taxaties van effecten een verlaging daarvan op de werkgelegenheid lopen uiteen.

Onderzoeker P.C. Allaart van de Organisatie voor Strategische Arbeidsmarktonderzoek zegt dat onderscheid gemaakt moet worden tussen tijden van recessie en hoogconjunctuur. “De doorwerking in de feitelijke lonen is vooral in tijden van hoogconjunctuur beperkt,”

zegt hij. “Tijdens een recessie liggen de zaken anders. Een verlaging van het minimumloon kan om die reden tijdens een recessie wel effectief zijn.”

De WRR laat niet alleen zien dat het bruto minimumloon in Nederland tot de hoogste in West-Europa behoort, maar ook dat het netto minimumloon na de bevriezing in de jaren tachtig relatief laag is.

Bruto bedraagt het minimumloon voor een volwassene sinds 1 juli 1990 2041 gulden per maand; netto komt een alleenverdiener uit op 1625 gulden. Uitkeringen en minimumloon hangen via de netto-netto-koppeling samen. Wie een partner moet onderhouden heeft recht op een sociaal minimum van honderd procent van het minimumloon; een alleenstaande krijgt zeventig procent.

De loonkosten worden in dit land niet door de netto lonen omhoog gejaagd, maar door de premie- en belastingdruk. Het aantal mensen met een uitkering steeg van 1,2 miljoen in 1960 tot meer dan vier miljoen in 1990. Per tien actieven stonden in 1960 nog 34 actieven, nu nog slechts dertien. Het bedrag dat met de diverse uitkeringen is gemoeid steeg dan ook van tien procent van het nationale inkomen in 1960 tot 28 procent nu (in 1985 werd een maximum van 29 procent bereikt).