GEORGE C. MARSHALL; Een beschaafd generaal

General of the Army. George C. Marshall, Soldier and Statesman door Ed Cray 847 blz., geill., W. W. Norton & Co 1990, f 67,90 ISBN 0 393 02775 9

Wanneer generaal George C. Marshall ergens binnentrad, vielen de gesprekken meestal stil. Zijn vijf fonkelende sterren en statige gestalte, gecombineerd met zijn vaderlijke uitstraling, boezemden ontzag in. Iedereen die de militair en politicus van nabij meemaakte, weet zich de aantrekkingskracht van Marshall te herinneren. George F.

Kennan karakteriseerde hem als iemand met een 'onwrikbare integriteit' en een volkomen gebrek aan ijdelheid en eerzucht. Dean Acheson, Trumans onderminister van Buitenlandse Zaken, kwalificeerde Marshall als een voorbeeld voor velen, een persoon waaraan je een vreemd soort inspiratie ontleende, 'doordat je de overtuiging in hem voelde'.

Het is niet verwonderlijk dat biografische artikelen en boeken over Marshall door bewondering gekenmerkt worden. Deze hagiogafische trend is in 1963 ingezet door Marshalls persoonlijke biograaf Forrest C.

Pogue, die maar liefst vier kloeke delen over de man het licht liet zien. Gezien de hoogstaande kwaliteit van Pogue's werken leek er voor historici verder weinig eer te behalen aan Marshall. Je kunt je daarom afvragen waarom de Amerikaanse journalist-historicus Ed Cray negen jaar ploeterde op een nieuwe levensbeschrijving van 847 bladzijden lang en anderhalve kilo zwaar. Het antwoord luidt dat Cray, ondanks dat hij sterk op het werk van Pogue leunt, Marshall verrassend genuanceerd portretteert. In General of the Army ligt de klemtoon op het gegeven dat de intrigerende essentie van Marshall is dat hij zo weinig in zich had om een heroische grootheid te worden.

George Catlett Marshall werd geboren op 31 december 1880 in Union-town, Pennsylvania. Ofschoon hij verre familie was van de belangrijke Opperrechter John Marshall en in redelijk welvarende omstandigheden opgroeide, had hij weinig kenmerken die hem een succesvolle carriere in het vooruitzicht stelde. In Union-town stond hij bekend als een verlegen jongen, 'lang en weinig zeggend'. Hij wilde maar een ding worden: beroepsofficier.

ROMANTISCHE TRADITIES

Zijn vader ondernam tegen beter weten in een poging zijn zoon op de militaire academie van West Point geplaatst te krijgen. Maar George's matige schoolresultaten resulteerden slechts in een militaire opleiding aan het veel bescheidener Virginia Military Institute. Het was een militaire academie in het zuiden van de Verenigde Staten, waar de romantische tradities van de generaals uit de Amerikaanse Burgeroorlog, Robert Lee en Thomas Jefferson, hoog in het vaandel stonden. Hier werd Marshall in 1901 gepromoveerd tot Eerste Kapitein van de Kadetten, zij het dat hij op het college meer populariteit genoot vanwege zijn lange postuur en zijn verdiensten voor het football-team.

Zoals vele van zijn collega's in een leger in vredestijd kende hij als beroepsofficier een trage carriere. Hij diende in 1902 op de Filippijnen, werkte als instructeur van de Massachusetts National Guard, en keerde vervolgens in 1913 weer naar de Filippijnen terug.

Daar viel hij op vanwege zijn tactische en strategische inzichten en zijn voortdurende verwijzing naar het belang van de logistieke aspecten van de legervoering. Deze kwaliteiten brachten Marshall echter niet een door hem vurig verlangde hogere rang en begin 1917 beschouwde hij zijn carriere als beroepsofficier als saai en eentonig.

Gelukkig voor hem werd hij in dat jaar naar het front in Frankrijk gezonden waar de Eerste Wereldoorlog de beslissende fase was ingegaan.

Hij arriveerde met de eerste Amerikaanse troepen en leverde als rechterhand van de beroemde generaal John J. Pershing een, althans volgens Cray, belangrijke bijdrage aan het afstoppen van het laatste Duitse offensief bij Chateau Thierry. Cray geeft in zijn boek hoog - misschien wel te hoog - op van Marshalls logistieke aanpak van de verplaatsing van Amerikaanse legeronderdelen naar lokaties waar de Duitsers teruggeslagen konden worden. Dat neemt niet weg dat Marshalls optreden in Frankrijk hem de rang van luitenant-generaal opleverde en, belangrijk voor zijn latere loopbaan, daar een hechte vriendschap met generaal Pershing ontwikkelde.

Ondanks het feit dat George Marshall al bijna veertig was, zag de oude generaal in hem een soort jongere uitvoering van zichzelf, terwijl Marshall op zijn beurt in Pershing een vaderfiguur zag waarmee hij persoonlijke en militaire problemen kon bespreken. Marshall bleef Pershing zes jaar dienen, tot 1924, toen hij naar Tientsin in China werd gezonden. Hier hoorde Marshall voor het eerst van studenten-opstanden en locale gevechten van Soen-Jat-Sen en diens nationalistische partij de Kwomintang. Blijkens zijn correspondentie met Pershing was hij overigens maar weinig geinteresseerd in het opkomende nationalisme en leek hij zich meer druk te maken over het feit dat 'Chinees eenvoudiger te leren was dan Frans'.

WEINIG OPWINDEND

Tot dat moment werd de loopbaan van Marshall nog steeds gekenmerkt door een weinig opwindende ontwikkeling en tegenover Pershing beklaagde hij zich er regelmatig over dat hij zo weinig promoties maakt. Zijn bevordering tot brigade-generaal in 1936 gaf hem ook niet de rust die van een vijftig-plusser verwacht kon worden. Van tevredenheid was pas sprake toen hij in 1939, door toedoen van Pershing, door Roosevelt tot chef van de generale staf van het Amerikaanse leger werd bevorderd.

Roosevelt had duidelijke redenen waarom hij Marshall tot die post benoemde. Met de nodige instemming had Roosevelt in de jaren dertig bemerkt dat Marshall opvallend vaak wees op de noodzaak van structurele kaderopleidingen voor jonge officieren om, 'het drama van een langzame mobilisatie zoals in 1917 te voorkomen''. In Marshall zag hij de militair die zijn eigen internationalistische politiek kracht kon bijzetten en degene die de blik van het traditioneel ingestelde Amerikaanse Congres over de grenzen kon verleggen. De isolationistische politici bekeken immers met grote argwaan naar elke presidentiele poging een hoger defensiebudget te legitimeren. En bij verklaringen omtrent Amerikaanse hulp aan de geallieerden liep de president al helemaal op eieren.

Marshall beschouwde het dan ook als een hoogtepunt in zijn carriere dat hij in 1940 het congres uiteindelijk van de noodzaak van een beperkte dienstplicht wist te overtuigen. De senatoren waren onder de indruk van zijn verschijning en met sonore stem gebrachte redenering dat de ontwikkelingen in Europa een invoering van de dienstplicht in Amerika noodzakelijk maakte.

Toch is het opmerkelijk dat juist Marshall zich in de naar binnen gekeerde Amerikaanse cultuur als internationalist aandiende. Het was niet waarschijnlijk dat Roosevelt een grote invloed op hem uitoefende omdat de relatie tussen hen aanvankelijk nogal koeltjes was. De president peinsde er niet over de plechtige militair bij zijn voornaam aan te spreken en Marshall vond Roosevelt soms maar een vreemde 'Dutchman'. Het internationalisme of Europeanisme van Marshall sprong vooral in het oog omdat hij tot 1940 het overgrote deel van zijn diensttijd in Amerika, China, en de Filippijnen had doorgebracht. Was het dat ene jaar in de Franse loopgraven, de in Europa onstane vriendschap met Generaal Pershing, dan wel politiek-democratische overwegingen, die de liefde voor het Europese continent kan verklaren?

Het zijn vragen waarop de biograaf in dit boek helaas te weinig ingaat.

Hoewel te merken is dat Cray zijn hoofdpersoon gaarne anders presenteert, kan van Marshall niet gezegd worden dat hij in de eerste oorlogsjaren in strategisch inzicht uitblonk. Hij kreeg zware kritiek omdat hij het bericht van een Japanse aanval op Pearl Harbor niet serieus nam en zijn standpunt dat alle Filippijnse eilanden tegen Japan verdedigd dienden te worden, strookte niet met de Amerikaanse strategische traditie in deze regio. Maar zijn bereidheid als eerste toe te geven dat hij het bij het verkeerde eind had en zijn vasthouden aan het feit dat zijn medewerkers geen blaam troffen, maakten veel goed bij politici en media.

TWEEDE FRONT

Pas bij de strategische voorbereiding van de bestrijding van nazi-Duitsland begonnen de generaalssterren van Marshall enigszins te schitteren. Hij wist Churchill ervan te overtuigen dat het Tweede Front in Normandie moest plaatsvinden en met zijn daadwerkelijke bezorgdheid over het lot van het Rode Leger wist hij het vertrouwen van Stalin te winnen. Omdat hij de in 1943 gestarte Geallieerde operaties in Italie tamelijk nutteloos vond, was het voor hem schrijnend dat zijn geadopteerde zoon juist daar sneuvelde. Hoewel Marshall dan wel alle conferenties van de Grote Drie bijwoonde, was zijn plaats toch in Washington. Daar regelde hij de logistieke aspecten van de mobilisatie en zag erop toe dat de Buitenlandse Zaken en Defensie elkaar niet in de wielen reden.

Churchill bestempelde hem als de 'organizer of the victory' en voor Roosevelt leed het geen twijfel dat Marshall met de leiding over de invasie in Normandie beloond moest worden. Tegen Eisenhower verzuchtte de president dat de chefs van staven zo ondergewaardeerd werden omdat alle aandacht uitging naar de 'heroische daden' van de generaals te velde. ''George verdient het grote commando, ik wil dat hij als een groot generaal zijn plaats in de geschiedenis krijgt,'' aldus Roosevelt.

Niet bekend

Hoe moeilijk te verteren het voor Marshall ongetwijfeld ook was dat hij de Geallieerden op 6 juni 1944 niet kon leiden, hij werd in 'zijn'

Europa toch onsterfelijk. Als minister van Buitenlandse Zaken onder Truman lanceerde hij in 1947 zijn 'European Recovery Plan', zoals hij het in alle bescheidenheid noemde. In feite was Marshall de laatste van wie zo'n plan verwacht werd. Want in tegenstelling tot zijn collega's op Buitenlandse Zaken bleef hij na 1945 hopen dat de Verenigde Staten met Stalin tot een vergelijk konden komen.

Het is jammer dat Cray zo weinig ingaat op de discussie in de geschiedkundige wereld over de vraag in hoeverre het Marshall-Plan ingegeven was door altruisme, anti-communisme, de overweging de Amerikaanse export naar West-Europa veilig te stellen, of alle drie voorafgaande zaken tegelijk. Cray merkt slechts droogjes op dat Marshall zijn plan ontwierp 'op basis van politiek-strategische en economische overwegingen'.

PENSIOEN

In het jaar dat Marshall zijn herstelplan afkondigde, had hij de respectabele leeftijd van zevenenzestig jaar bereikt. Net op het moment dat hij met zijn vrouw filosofeerde over hoe er van zijn pensioen genoten kon worden, werd hij wederom door Truman opgetrommeld om na de verkiezingen van 1948 als minister van Defensie te fungeren.

Met de nodige tegenzin toog hij weer naar Washington en achteraf gezien had hij Trumans verzoek beter kunnen laten voor wat het was.

Marshall zou geleidelijk meegesleurd worden in de problemen waarmee de regering-Truman te kampen kreeg en daardoor zou hij veel van zijn glans verliezen.

Zo ervoer Marshall het als een dieptepunt in zijn carriere dat hij Truman moest adviseren generaal Douglas MacArthur uit Korea terug te roepen. Hij had zich dikwijls geergerd aan MacArthurs pogingen het eigen imago als heroisch veldheer te promoten, maar toch was hij in 1950 nog genoeg soldaat om zich in het openbaar nimmer een onvertogen woord over deze ijdeltuit te laten ontvallen. Als het aan Truman had gelegen, was MacArthur eerder uit Korea teruggeroepen, maar Marshall wist dit besluit te rekken omdat hij zich zorgen maakte over een eventueel negatief effect op het moreel van de Amerikaanse troepen.

Toen Marshall op drieenzeventigjarige leeftijd aftrad, werd hem overigens geen rust gegund. Communistenjager McCarthy beschuldigde hem ervan vrij baan te hebben gegeven aan 'de communistische infiltratie'

in het ministerie van Buitenlandse Zaken, van 'de verkwanseling van China' en van het 'onterecht ontslag van MacArthur'. Maar ook zonder uniform wist de oude Marshall de senatoren van het tegendeel te overtuigen. Zelfs prevelde hij desgevraagd vergoelijkend tegen de aanwezige pers dat het hem niet deerde dat Eisenhower zo laks tegen de aantijgingen optrad.

Dat neemt niet weg dat eigenlijk meer weerwerk verwacht had mogen worden dan de enigszins ijzige stilte van degene die door Marshall de eer van succesvol generaal en, hiermee samenhangend, het presidentschap had gekregen. De in 1953 aan hem uitgereikte Nobelprijs voor de Vrede kon niet voorkomen dat Marshall zijn laatste levensjaren gedesillusioneerd en eenzaam doorbracht. In 1959, twee maanden voor zijn tachtigste verjaardag, overleed Marshall. De begrafenis werd door Eisenhower bijgewoond.