DOOD IN HOLLAND

Moord en doodslag. 12 beroemde Nederlandse moordzaken door Lennaert Nijgh 131 blz., geill., Conserve 1991, f 14,90 ISBN 90 71380 94 7

'Omstreeks 1880 komt Maria Swanenburg op het idee, dat zij geld kan slepen uit de dood van anderen. Ze begint overal kennissen te verzekeren bij een dooienfonds. Soms sluit ze wel vier verzekeringen op een persoon af. Ze is ook goed op de hoogte van het erfrecht, iets dat haar naaste familieleden niet overleven. Niet dat er veel te erven valt, maar alle kleine beetjes helpen. De sluwe precisie en berekening waarmee ze te werk gaat, zullen voor veel verbijstering zorgen als ze eenmaal voor de rechtbank staat.

In 1880 begint haar gruwelijke reeks moorden met haar eigen moeder en korte tijd later sterft haar vader. In 1881 volgt haar zwager en op 30 mei 1881 sterft diens vrouw, de schoonzuster van Mie. Ze staat dan al bekend als 'Goeie Mie', omdat ze overal waar iemand ziek is komt oppassen... Neef Willem overleeft de menslievendheid van zijn tante nauwelijks twee weken.'' Aldus Lennaert Nijgh in Moord en doodslag, een verslag van '12 beroemde Nederlandse moordzaken'.

Lennaert Nijgh is vooral bekend als tekstschrijver voor Boudewijn de Groot, die ooit Neerlands populairste zanger was. Zijn gevoel voor pakkende formuleringen komt ook tot uiting in dit boekje, oorspronkelijk een serie krante-artikelen over moordzaken. Over moord komt de lezer echter niet zo gek veel te weten. Wel wordt hij en passant geinformeerd over kerstening in de middeleeuwen, het regentenbewind in de gouden eeuw, 19e-eeuwse armoede en 20e-eeuws drugsgebruik. Het is een soort 'vaderlandsche geschiedenis in 12 moorden'.

Wie geinteresseerd is in Nederlandse moordzaken kan zich nog steeds beter wenden tot het oorspronkelijk in 1964 gepubliceerde Moordenaarswerk, waarin de jurist en publicist Hans van Straten meer dan honderd spectaculaire Nederlandse strafzaken van na 1844 beschrijft. Het was bedoeld als stimulans voor het genre van de 'true crime', dat in Engeland en de Verenigde Staten veel werd beoefend, maar in Nederland niet erg van de grond wilde komen. Bij de recente herdruk moest Van Straten constateren dat hij in zijn opzet niet was geslaagd: ''wat zich op dit gebied manifesteerde was - op een enkele gelukkige uitzondering na - van zeer treurig stemmend niveau.''

Lennaert Nijgh heeft aan de geschiedenis van de moord in Nederland niet veel toe te voegen. Hij begint met drie gevallen van voor 1844: Bonifatius (in 754 bij Dokkum vermoord, zoals iedereen weet), Floris V en de gebroeders De Witt. (Willem van Oranje, toch ook tamelijk vermaard, ontbreekt.) Voorts behandelt hij de moord op Mia Kessels in de Heilig Hartkerk te Tilburg, die plaatsvond in 1900, maar pas na 1964 uitgebreid werd beschreven (door Ed Schilders, in Moordhoek uit 1988). De overige zaken staan ook, en soms in bijna identieke bewoordingen, in het boek van Van Straten.

Toch is het niet zo dat Nijgh het werk van Van Straten nog eens dunnetjes heeft overgedaan. Hij probeert een verhaal te vertellen en ter verduidelijking trekt hij gaarne vergelijkingen met het heden. Zo wordt er een parallel getrokken tussen Goeie Mie en de Limburgse verpleger 'broeder Frans' die in 1976 verantwoordelijk was voor 'massa-euthanasie', Floris V wordt vergeleken met John F. Kennedy. De meeste verhalen hebben ook een persoonlijke noot. Nijgh vertelt over over het liedje van de blikken dominee dat werd gezongen door zijn moeder, die als meisje getuige was van 'de moord op het Bezuidenhout'.

Ook de beruchte Baarnse moordzaak (waarbij twee jongens van gefortuneerde ouders waren betrokken) is aanleiding voor een persoonlijke ontboezeming. Op een feestje van het Baarns lyceum leek een gesprek over de moord de jonge Lennaert blijkbaar de geeigende weg om een van de meisjes te veroveren. Een fatale vergissing: ''De aristo's sloten zich als een koude, stalen ring.''

Het laatste stuk is zelfs geheel persoonlijk en valt nogal uit de toon. Het is getiteld 'Medea', en de moeder die haar kind vermoordt, is de vriendin van een kennis, die hij had ontmoet ''in de kringen rond een lokale popgroep, die ooit omhoog viel naar de absolute top en even snel weer neerstortte in de vergetelheid.'' Bij hun levensverhaal, vol heroine, cocaine en rohypnol, dienen passages van Euripides als contrapunt. De lichte toon wordt hier verlaten en maakt plaats voor zware pathetiek.

Treurig stemmend is Moord en doodslag desondanks niet, maar een bijdrage aan de ontwikkeling van het genre van de 'true crime'

evenmin.