De zoektocht van Gerard Durlacher; 'Op het nulpunt van elke beschaving blijft nog een residu van fatsoen over'

G.L. Durlacher (62) emigreerde met zijn Duits-joodse ouders in de jaren dertig naar Nederland. Het gezin belandde later in de Duitse vernietigingskampen, waar alleen de 16-jarige zoon overleefde. Durlacher verwierf in 1985 faam met zijn oorlogsherinneringen in 'Strepen aan de hemel'. In zijn nieuwste boek, 'De zoektocht', ontmoet hij zijn jonge kampgenoten van weleer. " Ik reis in het niemandsland tussen toen en nu en probeer mij aan de tentakels van het verleden te ontworstelen."

'Wij wachten op iets of iemand, op verandering, honderd jongens in rijen van vijf. Fietsend verschijnt Mengele op de appelplaats. Wat hij en Schwarzhuber tegen elkaar zeggen, versta ik niet, maar ineens staat hij voor ons, keurend als een boer voor het vee. Stelt vragen aan korten en langen, die als gedrilde soldaten in de houding springen. Bij iedere afgekeurde sta ik strammer, de vuisten aan de dijen, het hoofd van graniet. Hij loopt voorbij en laat mij ongemoeid.' (uit: G. L. Durlacher - Strepen aan de hemel)

Een studeerkamer in Haarlem. Wanden vol boeken - een wand geheel gevuld met boeken over de Tweede Wereldoorlog, allemaal verzameld na 1979, het jaar waarin hij een einde maakte aan ruim drie decennia van verdringing. Hier vocht hij ook met de structuur van De zoektocht, zijn nieuwste boek.

" Ik heb jaren naar een goede vorm gezocht" , zegt Gerard Durlacher met zijn zachte, vermoeide stem. Hij is lichamelijk verzwakt door een lichte beroerte die hem vorig jaar trof. " Er zijn vrij veel boeken verschenen met gesprekken met overlevenden. Niemand kan ze lezen, al die ellende achter elkaar, dat is niet vol te houden. Je moet er een literaire vorm voor vinden om het in de geheugens te griffen, anders is het later alleen maar interessant voor wat historici."

In De zoektocht doet hij verslag van zijn speurtocht naar de jongens - van dertien tot zestien jaar - die samen met hem in juli 1944 door een selectie van Mengele kwamen en in het Mannerlager B II D van Auschwitz-Birkenau belandden. Van deze 89 jongens bleken er 19 nog in leven te zijn. Er waren meer overlevenden, maar een aantal is kort na het einde van de oorlog overleden.

" Wij zaten in Block 13 bij Emil Bednarek, de Volksdeutsche Blockalteste die in 1964 bij het Auschwitz-proces in Frankfurt ook veroordeeld is. Na korte tijd werden we uit elkaar gehaald. Zo'n vijftig jongens bleven over waaronder vier Nederlanders. Wij zaten in het Rollwagenkommando dat hout, stenen en lijken moest vervoeren. De vier Nederlanders vormden een kleine commune, wij deelden veel. Er was een levendige ruilhandel; knopen, touw, leer kon je tegen extra brood ruilen. Maar die spullen moest je wel 'organiseren' en daar was ik slecht in. "

Een Nederlandse jongen kon dat heel goed. Hij schuimde de barakken af naar oudere Nederlanders die dan iets te eten afstonden. Dat hield ons in leven, anders waren we verhongerd. Die handige jongen heeft met niemand van ons meer contact. Hij is onvindbaar. De andere twee Nederlandse jongens hebben het niet overleefd."

Durlacher had niet beseft dat nog zoveel ex-kampgenoten in leven zouden zijn. Yehuda Bacon en Dov Kulka, twee kampgenoten die in Israel bleken te wonen, zetten hem op het spoor van de anderen. Hij reisde vanaf 1983 naar Israel, Frankrijk, Engeland, Duitsland, de Verenigde Staten en Canada om hen te ontmoeten. " Eerst had ik hun lange brieven met vragenlijsten opgestuurd, want je bent socioloog of je bent het niet. Ik kreeg bijna niets terug. Toen heb ik besloten hen op te zoeken. Het werden heel emotionele, chaotische gesprekken. Zij moesten nog leren erover te spreken. Ik had al een flinke analyse achter de rug, zij nog niet.

" Ik kon natuurlijk niet als een gewone interviewer tegenover hen zitten. Ik was een vriend, een medegevangene, een medegetroffene. Er kwamen verdrietige herinneringen boven waar we soms enorm van schrokken, we hebben gehuild en er ontstond iets wat bij een normaal interview nooit zal gebeuren: het werd een soort onderlinge therapie. Het was slopend en ik kwam na elke reis kapot terug."

Wat was uw motief: het vergelijken van uw lot met dat van anderen? "

Daar komt het wel op neer. Ik had eerst een heel wetenschappelijke opzet: een onderzoek naar een bepaalde regelmaat in de strategieen om de kampen te overleven. Maar er bleken geen interessante regelmatigheden te zijn, overleving berustte op toeval. Die wetenschappelijke aanpak was een rationalisatie van het onderliggende motief dat heel persoonlijk was. Als ex-gevangene denk je voortdurend bij jezelf: wat er gebeurd is, dat kan niet. Ik ben gek, ik ben paranoide. Maar als je het dan van anderen hoort die hetzelfde hebben meegemaakt, dan weet je zeker: ik ben niet gek, het is echt gebeurd."

Primo Levi, de Italiaanse schrijver en eveneens overlevende van Auschwitz, schreef over de overlevenden: er zijn zwijgers en er zijn vertellers. "

Daar heeft hij gelijk in.

" U was zelf een zwijger.

" Ja, tot 1979. Ik moet erbij zeggen: de meesten van de jongens zijn zwijgers."

Maar toen u ze opzocht, begonnen ze te vertellen.

" Pas toen - en ook niet allemaal. Misha, de architect uit Boston, weet zelfs helemaal niets meer. In de jaren vijftig zijn zijn herinneringen verdwenen. Hij kreeg een depressie en toen knapte er iets. Hij kan alleen nog maar over de oorlog vertellen door zijn dagboekblaadjes voor te lezen. En Jindra in Buffalo kan zich over de kampen ook niets meer herinneren, dat is bijna angstwekkend.

" Jindra gaat helemaal in zijn nieuwe wereld op: u weet niet of u hem moet benijden of beklagen.

" Ik weet niet wat goed is. Ik ben alleen bang - zoveel weet ik wel van psychiatrie af - dat als je iets verdrongen hebt, het een soort olievlek kan worden: je gaat ook andere dingen vergeten. Het vergeten wordt een soort vergif. Een van hen was laatst bij mij op bezoek. Het was heel griezelig, het leek wel alsof hij aan Alzheimer leed. Hij wist soms niet wat hij een minuut tevoren gezegd had. Hij stond dan heel wezenloos voor zich uit te kijken. Hij zakte in een soort lethargie terug. Soms denk ik: wat zal er met de anderen gebeuren? Ik weet het niet."

Zit er geen gevaar in het ophalen van deze herinneringen?

" Ik maak me wel zorgen: wat heb ik gedaan? Ze komen nu opeens zo explosief met hun verleden in aanraking. Ik heb eigenlijk die hele groep geactiveerd. Een aantal van hen had nooit meer contact en praatte er niet meer over. Na mijn bezoeken is er een druk onderling verkeer ontstaan. Er is een reunie gehouden. Dat kan heel gunstig zijn, maar het kan ook verschrikkelijke gevolgen hebben.

" Maar het leven gaat zoals het gaat, je kunt niet alles tevoren berekenen. Ik geloof bovendien dat het verborgen houden van dit soort zaken nog veel meer schade kan veroorzaken."

Dat heeft u aan den lijve ondervonden.

" Ja, ik ben doodziek geworden."

Tot 1979 heeft u er ook thuis nooit over gesproken?

" De kinderen wisten nauwelijks iets, mijn vrouw een beetje. Soms vielen er een paar woorden over, maar ik heb het weggehouden. Dat is geen bewust proces. Het gebeurt. Je hebt ook mensen die er te veel over praten en daarmee hun kinderen kapot maken. Daar ken ik genoeg voorbeelden van. Ik vind niet dat je je kinderen hiermee moet belasten. Ik wilde dat niet, maar ik kon er ook niet over praten."

Hoe reageerde u als iemand argeloos naar uw kampervaringen vroeg?

" Ik had een bevriende collega die goed was geweest in de oorlog. Hij was uit belangstelling in Auschwitz gaan kijken. Hij vroeg: jij hebt er toch zelf gezeten, vertel er eens iets van. Ik werd zo kwaad dat ik hem de deur uitgegooid heb. Ik vond dat het hem niets aanging.

" De enige tegen wie ik wel eens wat losliet, was Sonja Witstein, de schrijfster en latere hoogleraar letterkunde in Leiden. We woonden in hetzelfde huis toen ik in de jaren vijftig medicijnen studeerde in Utrecht. Ik zag haar nummer, zij had zelf ook in Auschwitz gezeten. Op haar sterfbed in 1978 heeft zij verschrikkelijke angsttoestanden gekregen, alles kwam weer boven. Ik realiseerde me toen met een schok dat ik hetzelfde zou krijgen als ik er niets aan zou doen.

" Ik somatiseerde de hele rotzooi. Ik was vaak ziek: longontstekingen, infectieziektes. Ik had absoluut geen weerstand meer. Een vrouwelijke bedrijfsarts met veel intuitie vroeg me: heb jij iets met de oorlog gehad? Door haar kwam ik bij prof. Bastiaans.

" Hij praat met tegenzin over de LSD-behandelingen die Bastiaans hem liet ondergaan. " Die LSD-therapieen vond ik iets verschrikkelijks. Ik heb het acht keer gehad en toen was ik geestelijk eigenlijk dood. Daarna ben je drie weken lang niet meer jezelf. Hij neemt alles op de band op: je reacties, je verhalen en dat moet je dan thuis een paar keer beluisteren. Het kwaad wordt er gewoon uitgekotst. Ik kan er nu niet meer naar luisteren. Het heeft me lichamelijk geen goed gedaan, het is te erg, maar het heeft me wel opengebroken. Als ik dit niet gehad had, was ik waarschijnlijk allang dood geweest. Bastiaans is een verstandig man geweest, hij heeft me aangeraden daarna in analyse te gaan. Bij een andere psychiater. Dat was een uitstekend advies."

Heeft u nu het gevoel dat u het heeft verwerkt?

" Ik weet eigenlijk niet wat verwerken is, maar er is misschien iets wat erop lijkt: ik kan ermee leven. Ik weet niet of dat bij de anderen het geval is. Ik schrok in Israel van Yehuda, een bijzonder aardige man, maar - behalve met zijn werk - is hij met niets anders bezig. Elke opmerking, elk gesprek gaat over de oorlog. Ik heb het er ook vaak wel eventjes over, maar ik kan genieten van muziek, musea, literatuur, ik wind me op over politiek. Veel van hen kunnen dat niet - dat vind ik tragisch."

Welke constanten vielen u op in hun verhalen?

" De depressies - die hebben ze allemaal. Ikzelf heb niet meer van die hele zware depressies, en ik weet nu ook dat ze voorbijgaan. Maar een aantal van hen heeft het daar heel moeilijk mee. Verder hebben de meesten zich na de oorlog uit de naad gewerkt. Dat is een algemeen patroon bij de teruggekeerden, behalve bij degenen die te ziek waren." En u? U kwam als 17-jarige jongen zonder uw ouders terug.

" Ik zat op kamers bij een hospita in Apeldoorn. Ik leefde als een mol. Ik stond 's ochtends om half zeven op, ik werkte een paar uur, ging naar school en werkte dan weer tot 's avonds 11 uur. Zo heb ik in twee jaar mijn HBS gehaald. Desolaat? Ach, dat is een luxe begrip. Echte vrienden had ik niet, maar ik was al heel dankbaar met wat contacten.

" In mijn Utrechtse studententijd kon ik voor het eerst weer genieten: de uitvoeringen van het Utrechts Stedelijk Orkest. Verder was dat een vrij eenzame tijd. Mijn meisje koos voor een tamelijk rijke man, ze zag te weinig toekomst met mij. En er ontstonden problemen rond mijn Nederlanderschap. Ik was statenloos, want ik wilde de Duitse nationaliteit niet terughebben. De officier van justitie wees mijn aanvraag voor het Nederlanderschap af, omdat ik niet voldoende inkomen had. Hij kende mijn geschiedenis, die zat in zijn dossier. Pas dank zij bemoeienis van minister Donker van justitie is dat verzoek ingewilligd. Ik kreeg ook nog een oproep voor militaire dienst: vechten in Indonesie. Ik ben uiteindelijk afgekeurd, want ik werd doodziek."

Men besefte niet wat de overlevenden hadden doorgemaakt.

" Men wilde het niet beseffen. Vergeleken met een land als Frankrijk heeft Nederland zich wat betreft de opvang teleurstellend gedragen. De Gaulle heeft al in 1945 gedecreteerd dat de overlevenden dezelfde pensioenrechten zouden krijgen als de krijgsgevangenen. In Nederland is dat allemaal veel later geregeld."

Pas in 1952 kreeg u bericht dat uw ouders waren omgekomen in de kampen. Welk effect had dat op u?

" Al die tijd had ik tegen elk beter weten in op een wonder gehoopt. Daarna begonnen zich allerlei kwalen te manifesteren. Het was alsof de spanning eruit was. Nuboer, de Utrechtse chirurg, raadde me aan met mijn studie te stoppen, het leek hem fysiek te zwaar. Toen heb ik me in Amsterdam ingeschreven voor sociologie. Een overwegend zittend beroep waar ik me - al was ik me dat niet bewust - misschien ook met vragen over het verleden kon bezighouden."

Uit De zoektocht: " Het overleven was voor ons een raadsel dat wij trachtten op te lossen met schuldgevoelens: waarom zij niet en wij wel? Waren wij harder, hadden wij meer geluk of waren wij beter of slechter? Een antwoord hierop weet ik niet, noch wie dan ook."

Primo Levi wist het anwoord wel. In zijn laatste boek, De verdronkenen en de geredden, schreef hij enkele jaren voor zijn dood: " Wie in leven bleven, waren bij voorkeur de slechtsten, de egoisten, de woestelingen, de hardvochtigen, de collaborateurs van de 'grijze laag', de spionnen. [...] De besten zijn allemaal dood."

Durlacher, altijd een groot bewonderaar geweest van Levi, verontwaardigd: " Het is bittere onzin wat hij daar beweert. Ik ben niet blij met dit boek, het doet afbreuk aan zijn prachtige, vroegere werk. Hij geeft degenen die nog leven een trap na. Hij zadelt ze op met een schuldgevoel. De besten omgekomen? Wat zijn de besten? Je werd niet geselecteerd op je karakter, maar op je fysieke toestand. Als je geen been miste en geen zweren had, mocht je soms nog even blijven leven. Drie kwart werd meteen vergast, een kwart mocht nog zes maanden het kamp onderhouden - en werd vervolgens ook vergast. Pas op het einde van de oorlog werd het iets anders omdat ze werkkrachten nodig hadden.

" Ik denk dat dit bij Levi voortvloeit uit zijn eigen schuldgevoelens die ook nergens op gebaseerd zijn: het was toeval dat hij chemicus was en in die Buna-fabriek kon werken. Kennelijk heeft hij nooit een behoorlijke psychiater gehad tegen wie hij dit allemaal kon uiten. Je ziet honderdduizenden lijken om je heen en je zegt: wat is dat? Waarom ben ik er nog? Ben ik soms slechter? Dat krijg je, natuurlijk. Maar daarom zijn dergelijk schuldgevoelens nog niet gerechtvaardigd."

Levi geeft het voorbeeld van het verzwijgen van een drinkbron tegenover een dorstige kameraad.

" Zulke schuldgevoelens kennen we allemaal, want deze dingen heeft ieder van ons meegemaakt. Maar het is fout om dergelijke gevoelens te generaliseren. In Strepen aan de hemel beschrijf ik hoe ik het brood aanneem van degene die naast mij ligt te sterven. Daar heb ik het naderhand, ook in mijn analyse, moeilijk mee gehad. Je kunt zeggen dat je als een vampier hebt geleefd, maar als je het realistisch bekijkt, besef je dat het zelfmoord was geweest als je het niet had gedaan."

Levi gaat nog verder: hij noemt het leven in zijn kamp een oorlog van allen tegen allen.

" Dat is niet waar... De Duitsers hadden de bedoeling dat het een oorlog van allen tegen allen zou worden. Ze hadden ook een geniaal instinct om de slechtsten eruit te halen en tot kapo te benoemen. Maar ook deze kapo's kun je niet over een kam scheren. Onze kapo, Stein, schreeuwde tegen ons en het leek alsof hij zijn stok op ons kapot sloeg, maar hij hield die stok wel in - daarmee nam hij grote risico's. En neem de kapo Fischer, de beul van Theresienstadt. Ik was als de dood voor die man, want hij sloeg je kapot. Maar later is hij tijdens de dodenmarsen naar Mauthausen en Buchenwald een engel geweest voor sommige jongens. Hij heeft ze op zijn nek genomen en hen het leven gered. Wie ben ik om hem te veroordelen?

" Ik vind dat Levi te pessimistisch en te bitter is geworden. Er is ook alle reden voor bitterheid, vergis je niet. Maar de werkelijkheid in de kampen was veel complexer. Als goed observator had hij dat moeten zien. Natuurlijk was er een normverval op vrij grote schaal, maar het was niet algemeen.

" Levi richt zich op het uitschot van de mensen, ik houd me liever aan de paar goede voorbeelden vast, zoals die kroegbaas uit Amsterdam, Feffer, die tientallen mensen het leven redde. Dat betekent voor mij dat er op het nulpunt van elke beschaving toch nog een residu van fatsoen overblijft. Ook bij de Koerden zullen er nu mensen zijn die zich door de honger als beesten gedragen, maar dat geldt lang niet voor iedereen. Misschien ben ik nu niet realistisch, maar je moet je toch ergens aan vast kunnen houden. Waarvoor leven we anders nog?"

Toch waarschuwt ook u in uw boek voor het romantiseren van de solidariteit, iets wat u bij sommige ex-kampgenoten opviel.

"Natuurlijk. In de jaren bij Bastiaans probeerde ook ik het mooier te maken dan het was. Om niet in een pessimisme over mensen te verzanden. Ik dacht toen echt in termen van: de jongens. Ik gebruik die term nog wel eens, maar van een echte groep was in feite geen sprake. Het was een bij elkaar gegooid zooitje jongens dat soms wel, soms niet solidair was."

Levi heeft ook veel over de schaamte geschreven. In 'De verdronkenen en de geredden' schrijft hij: " ...maar de schaamte was en is er, concreet, drukkend, onaflatend." En eerder: " ...omdat we als dieren in het ogenblik leefden." Herkent u dat?

" Jazeker. Ik zal een klein voorbeeld geven. In 1953 lag ik in het ziekenhuis. De joodse zaalarts zag het nummer op mijn arm. Hij vroeg: zou je het er niet af laten halen als je toch onder narcose gaat?

" Waarom heb ik dat toen laten doen? Uit schaamte, uit pure schaamte. Wij waren in de kampen min of meer tot dieren gereduceerd, erger nog: tot schurftige dieren. We konden ons niet meer wassen, we hadden luizen en vlooien, we waren uitgeteerd. Dat was ook de bedoeling van de moffen: als je mensen wilt haten en als onderkruipsel wilt beschouwen, moet je ze ook tot onderkruipsel maken. Dat is ze erg goed gelukt. Als ik aan mezelf terugdenk, die hologige vogelverschrikker die zich na de bevrijding in de spiegel zag, dan voel ik schaamte.

" Dat nummer moest er ook af omdat ik me na de oorlog niet langer wilde blootstellen aan de blikken van medelijden en afschuw. Ik werd kwaad als de mensen ernaar vroegen. Het is mijn gironummer, zei ik dan."

" Du warst vertraumt" , zei Yehuda Bacon over zijn gedrag in Auschwitz.

" Ik was eigenlijk de hele tijd een beetje afwezig" , herinnert hij zich. " Ik denk dat het een gevolg van een shock was. Pas nadat ik van mijn ouders gescheiden werd, was ik weer een beetje op mijn qui-vive. Mijn ouders zijn niet in Birkenau vergast. Ik wist dat ze op transport waren gezet: mijn vader kwam in Bergen-Belsen terecht, mijn moeder in Stutthof bij Danzig. Daar zijn zij omgekomen. Ik bleef achter en was ten dode opgeschreven, maar daar dacht ik niet over na. Het enige waar ik bij stilstond, was dat ik mijn ouders kwijt was."

Wist u van de vergassingen?

" Toen Fischer, de kapo, ons na onze aankomst op 17 mei 1944 de barak insloeg, waarschuwde hij ons: ihr geht ins Gas wenn ihr nicht aufpasst. Ik wist helemaal niet wat hij bedoelde. Die aankomst - dat was een inferno. De wagondeuren werden opengegooid en we werden zowel door de SS als door gestreepten met stokslagen naar buiten gedreven. Van het transport en de aankomst weten de meesten van ons niks meer. Alleen nog een aantal flitsen. Dat is zo erg geweest dat we het hebben weggedrongen in ons onderbewustzijn.

" In de kampen waren altijd verschrikkelijke geruchten. Ik geloofde ze niet. De meeste andere jongens evenmin. Alleen Yehuda was realistischer. Maar toen we die eerste maanden steeds die transporten zagen verdwijnen en de rook zagen, begon het een realiteit te worden. Maar echte doodsangst kreeg ik pas toen we naar de 'Sauna' - een soort badhuis voor ontluizing met echte douches - moesten. Ik dacht: nu is het afgelopen." Overleven berustte volgens u op toeval en geluk, maar was er ook niet een groot aanpassingsvermogen voor nodig?

" Ik noem het liever alertheid. Zo moest je goed opletten of er een SS-er of kapo in de buurt was als je werkte. Was dat niet het geval, dan spaarde je je krachten. Verder moest je niet te introvert zijn. Wie zich nergens bij aansloot, kreeg het erg moeilijk."

U suggereert aan het einde van uw boek dat er ook nog een andere reden was waarom uw groep de grote vernietiging van het Familienlager overleefde. De joodse minnaressen van SS-ers zouden dat hebben bewerkstelligd. U noemt dat: het verbodene.

" Het is een taboe, het mag eigenlijk nooit genoemd worden: dat sommige, ook joodse, vrouwen uit het Frauenlager zich encanailleerden met SS-ers. Om te overleven. Ik wil niet zeggen dat het op grote schaal voorkwam, maar het gebeurde wel. Ook het omgekeerde: een krijgsgevangene uit Block 13, een Nederlandse luchtmachtofficier, hield het met SS-bewaaksters."

Ik vraag hem of het schrijven en praten over zijn verleden een bevrijdende werking heeft. " Nee" , zegt hij, " daar gaat het ook niet om. Het betreft hier een gruwelijk stuk geschiedenis waar we zoveel mogelijk van moeten weten. Ik wil ook dat het verder gaat dan ons verleden. Wat wij hebben meegemaakt, is waarschijnlijk nog nooit zo gebeurd, maar er zijn wel verwante situaties die weer tot zoiets kunnen leiden. Daar moeten we voor oppassen, als we er tenminste waarde aan hechten dat de menselijke soort blijft bestaan." . . .