De Leeuw van Hoenderloo

De wereld telt niet veel schrijvers die de leeftijd der geronten hebben bereikt en hun vak nog uitoefenen met de kracht van een paard. Nog zeldzamer de schrijver die op zijn negentigste verjaardag nog de energie van een bloeiende eik heeft en dagelijks in een blokhut achter zijn huis op een oude Remington aan een nieuw boek werkt.

In Hoenderloo vereren ze hun oude schrijver, maar de meesten kennen hem misschien nog beter als de houthakker van de Miggelenberg. Als hij niet schrijft hakt A. den Doolaard hout dat de winter niet heeft overleefd, zijn dagelijkse lichaamsoefening om de geest in vorm te houden. Ik trof hem daar niet zo lang geleden geconcentreerd boven zijn hakblok aan: gekleed als Canadese houthakker en met een bijl zwarte takken klovend, maar onmiddellijk klaar voor een gesprek over zijn belevenissen in Londen in de jaren '40 - '45. Zijn bril bezweek bijna onder wenkbrauwen die zijn energieke hoofd als wilde wijnranken versierden.

Querido's uitgeverij vierde enkele maanden geleden de negentigste verjaardag van de trots van haar literaire fonds met speciale advertenties voor de heruitgave van een van zijn bekendste romans uit de jaren dertig. De afgelopen maanden was hij door de Golfoorlog enigszins van slag geraakt, maar eergisteren klonk hij door de telefoon weer als vanouds. De Leeuw van Hoenderloo liep alweer over van plannen die hij de komende maanden op papier tot uitvoering wil brengen.

In 1980 publiceerde de toen bijna tachtigjarige Den Doolaard een boekje van 112 pagina's naar aanleiding van dr. L. de Jongs negende deel van Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Het was een groot uitgevallen bespreking van De Jongs hoofdstuk over de geschiedenis van 'Elisabeth le Roi', een bekende (in 1934 spoorloos verdwenen) Haagse minnares van vooraanstaande figuren uit het openbare leven in de jaren twintig, die beweerde een kind te hebben van de Nederlandse gezant in Brussel, dat volgens dr. De Jong (in 1979) echter een onecht prinsenkind was - verwekt door prins Hendrik. De Jong moest zich veel moeite geven om zijn opzienbare onthulling die een heel eind bezijden zijn opdracht leek te vallen, te rechtvaardigen. Hij had de lotgevallen van de mysterieuze courtisane in zijn Geschiedenis van het Koninkrijk opgenomen omdat de omstreden positie van Van 't Sant, de 'Londense' veiligheidsadviseur van koningin Wilhelmina, die uitweiding volgens zijn verklaring noodzakelijk maakte. De oud-hoofdcommissaris van de Haagse politie, die halverwege de jaren dertig in dienst van de koningin was getreden en in 1940 met Wilhelmina naar Londen was verhuisd, was erin geslaagd de vaderschapsactie die 'Elisabeth le Roi' dreigde aan te spannen door afkoping in de doofpot te stoppen. Maar Van 't Sant moest voor zijn schimmige diensten een hoge prijs betalen. In ruime kring werd hij als een verdachte figuur beschouwd en bepaalde verzetskringen wilden hem in Londen zelfs liquideren.

Den Doolaard keerde zich zowel tegen De Jongs voorstelling dat Van 't Sant in het begin van de jaren dertig zich te goeder trouw van zijn koninklijke opdracht had gekweten om een schandaal over het kind van de prins te voorkomen als tegen diens wetenschappelijk gebruik van bronnen. Volgens Den Doolaard had De Jong hoofdzakelijk het oor geleend aan Van 't Sants eigen lezing (zonder hem hard te ondervragen) en een aantal belangrijke historische bronnen, die een heel ander licht op de zaak wierpen, over het hoofd gezien. Den Doolaards kritiek verscheen in een verzorgde uitgave bij Querido onder de titel: Londen en de zaak Van 't Sant.

Den Doolaard noemde het zelf een pamflet, een vlugschrift, maar dat was een veel te bescheiden naam voor de serieuze en grondige tegenwerpingen die hij had gemaakt. Zijn pamflet was een fundamentele tekstanalyse waarin hij scherpzinnig de zwakke plekken in De Jongs bewijsvoering (van de bonafiditeit van Van 't Sant) blootlegde en officiele stukken (ten nadele van Van 't Sant) produceerde die De Jong buiten beschouwing had gelaten. Bovendien had de historiograaf De Jong de gecompliceerde figuur Van 't Sant volgens Den Doolaard niet in de kern geraakt. Psychologisch was Van 't Sant hem boven zijn macht gegaan. In dat genre was De Jong volgens Den Doolaard (die evenals De Jong in de oorlog in Londen bij Radio Oranje werkte) nooit sterk geweest: dat bleek volgens hem het duidelijkst uit De Jongs onheldere visie op het aandeel van de jongere Nederlanders in het Londense nachtleven in de oorlog. “Ze reageerden de nerveuze spanningen van maanden af door van kroegen in bedden te rollen en van bedden in kroegen. Toch moet ook De Jong wel eens van de daverende feesten gehoord hebben, die RAF-vliegers tijdens hun korte verloven vierden onder het dubbele teken van een nauw met elkaar verstrengelde Bacchus en Aphrodite”. Volgens Den Doolaard ontbrak het De Jong aan het inlevingsvermogen om 'begrijpend mee te leven met de onbegrijpelijkheden van de menselijke natuur”.

Hoewel Den Doolaards pamflet zonder parti-pris was noch enig spoor van animositeit vertoonde, liet De Jong (die door een huwelijk van hun kinderen aangetrouwde familie van Den Doolaard is) taal noch teken horen. Den Doolaards werkstuk had een betere behandeling verdiend, maar het zwijgen van 's rijks Geschiedschrijver (zoals Den Doolaard hem in het pamflet betitelde) was in zoverre wel consequent dat hij ook op vroegere kritiek nooit had gereageerd, overeenkomstig zijn plan om alle serieuze aanmerkingen op zijn Geschiedenis op te zouten en na voltooiing van zijn werk in een keer te beantwoorden.

Maar tien jaar na de verschijning van zijn pamflet is de reus van Hoenderlo toch de genoegdoening bereid die hem in 1980 was onthouden.

Nadat Querido hem ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag al had geeerd met een herdruk van zijn sinds lang uitverkochte Bruiloft der zeven zigeuners staat hij op het punt de triomf te behalen dat zijn kritieken op De Jongs boeken over de oorlog onder het predikaat 'wetenschappelijk' in het laatste deel van de serie worden gepubliceerd. De redactiecommissie onder voorzitterschap van de historicus prof.dr. E.H. Kossmann die de kritieken op De Jongs geschiedenis van het Koninkrijk uitgeeft (en op 13 mei a.s. op een bijeenkomst in de Eerste Kamer presenteert) heeft in haar bloemlezing de drie artikelen opgenomen die Den Doolaard in NRC Handelsblad heeft geschreven - een uit 1979 en twee uit 1988. De keuze van zijn stukken over Van 't Sant, King Kong en 'Londen' is op zichzelf eervol genoeg, maar dat het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie hem daarvoor toestemming heeft gevraagd, heeft er nog een extra zoete smaak aan gegeven.