De kleine wetenschap 8

In de moderne kermisattracties onderscheiden we twee soorten. De eerste stelt de klant in staat, zich in pseudo-levensgevaar te begeven; de tweede geeft hem de gelegenheid zijn vernietigingsdrift de vrije loop te laten. Je zou denken dat er meer behoefte bestaat aan apparatuur van de tweede soort want per slot van rekening zie je de hele dag de bewijzen om je heen, maar op de kermis is het andersom.

Op de Dam is afgelopen week de jaarlijkse voorjaarskermis ingericht.

Het is deze keer wat ongebruikelijk begonnen. Maandagochtend vroeg parkeerden er trekkers met zware opleggers. Er werd een vierkante ijzeren zuil afgeladen; langer dan tien meter maar nog geen twintig.

Daarna kwam er zwaar plaatwerk. Het toestel werd opgebouwd, het begon te lijken op een lanceerplatform voor een raket. Aan de zuil werden in een ring dikke spaken bevestigd. Deze ring met spaken maakt een verticale beweging. Aan het uiteinde van de dikke spaken draaien verticale assen. Die hebben opnieuw spaken en daaraan zitten per spaak zeven gondeltjes. De grote zuil draait, de verticale assen draaien, het geheel gaat op en neer zodat de klant in het gondeltje gelijktijdig drie bewegingen maakt waardoor duizeligheid wordt veroorzaakt en hoogtevrees geactiveerd. Het toestel heet Condor, naar de bekende gier uit de Andes die volgens mijn vogelboekje een zwakke snavel heeft waarmee hij ''slechts half verrot vlees kan afscheuren dat hij echter zeer goed kan ruiken''. De meeste beeldspraak komt voort uit gebrek aan kennis. Daarvan zijn veel meer voorbeelden te geven.

In werkelijkheid is de kermiscondor een vernuftige variant in de subcategorie van de draaimolens, die weer hoort tot de soort der desorienteringstoestellen. Een andere subcategorie werkt niet met draaiende maar met schuddende, op en neer en heen en weer gaande delen: bijvoorbeeld de cake walk. Sommige daarvan hebben aan het einde een draaiende ton maar die maakt alleen het verlaten van het toestel wat moeilijker. Dan is er nog de subcategorie die appelleert aan de oerangsten. Daartoe horen de spookhuizen. U weet wel wat daar allemaal gebeurt en daarom vraag ik u of ze nog altijd dat punt in het traject hebben waar de passagier met zijn gezicht door een gordijntje van spinrag gaat. Misschien afgeschaft om hygienische redenen.

Het gevoel van levensgevaar wordt het dichtst benaderd in de achtbaan, op de helling van meer dan 45 graden met aan het einde een scherpe bocht. Als je daar geen onbegrensd vertrouwen in de techniek hebt, denk je een ogenblik te weten wat doodsangst is. Dat geldt, denk ik, ook bij ritjes in de Condor, de Octopus die weer op een andere manier gecompliceerde draaibewegingen maakt en al die zweefmolens. Daaruit trek ik de conclusie dat of het vertrouwen in de techniek het gehalte van een geloof heeft bereikt, of de angst voor de verveling zo groot is geworden dat er een grotere angst nodig is om de eerste te verdrijven. Je kunt nog een andere gevolgtrekking maken: ongeloof in de volmaaktheid van de techniek komt het meest voor bij mensen die zich nooit vervelen, en die zie je dan ook niet in desorienteringstoestellen.

Ik kom tot de tweede soort. Het wezenlijke verschil met de eerste zal duidelijk worden als ik zeg dat de klant van de desorientering passief is: hij koopt zijn kaartje om iets met zich te laten doen en het gevolg daarvan is altijd dat zijn innerlijke orde wordt verstoord. Bij de attracties van de andere soort betaalt hij om zelf iets bijzonders te doen dat hem in het dagelijks leven niet is toegestaan. Tegenover het op een buitengewone manier passief zijn staat het op een buitengewone manier bezig zijn. Niet zijn orde wordt verstoord, maar die van de ander. Het simpelst zijn de tenten waar de klant ballen kan gooien naar een toren van zorgvuldig opgestapelde blikjes. Daarna komt natuurlijk de schiettent waar je van alles en nog wat omver kunt paffen, met als toppunt de fotoshot waar de destructivist in zijn zuiverste handeling beloond wordt met zijn zelfportret. Zoals een ritje in de Condor een zwelgen in passiviteit is, zo is een voltreffer in de fotoschietsalon de apotheose van het zelf bezig zijn. Je ziet wat je hebt gedaan, het is bewezen.

Op Europese kermissen is veel vernuft en kapitaal geinvesteerd in de desorienteringsapparatuur. De actieve vorm blijft over het algemeen beperkt tot het ballen gooien en de schietsalon. Van mijn moeder weet ik dat we vroeger nog de Vrolijke Keuken hadden waar je aardewerk aan scherven kon gooien. Daarmee zijn de Europeanen uitgepraat.

In Amerika is men in de desorientering niet achtergebleven, denk aan de roller coaster, maar op het gebied van de zelfwerkzaamheid ligt men er voor. Op 27 mei, Memorial Day, vorig jaar was ik op de kermis in Little Italy. Een van de schiettenten verhuurde geen windbuksen waarmee je vijf of tien keer kon schieten na telkens de grendel te hebben gehanteerd - gedoe - maar luchtmachinegeweren. Ze lijken op een Kalashnikov, ze zijn met een rubberslang aangesloten op een drukvat waar de lucht op hetzelfde peil van samengeperstheid wordt gehouden en je hoeft alleen aan de trekker te trekken om er tien, twintig of hoeveel schoten je wilt mee af te vuren, tot honderd. Het maakt het geluid van een echt machinegeweer. De bedoeling is dat de schutter een rode ster op een kartonnetje aan flarden schiet en dan krijgt hij een beertje. Of zij natuurlijk, want naast me stond een vrouw een klein vermogen te verschieten. Je hebt op Amerikaanse kermissen ook Wild West saloons met elektronische wapens waar niets uitkomt maar die wel een knal geven, en dan zie je op het authentiek ingerichte toneel of je iets hebt geraakt. Je kunt op de pianist schieten, die zakt dan in elkaar, of alle flessen achter de tapkast laten omvallen, maar toch, het blijft een simuleerinrichting.

Op het gebied van de actieve soorten is de Amerikaanse kermis wreder. Zo heb je er soms een wipachtig toestel. Aan het ene eind zit een man boven een tobbe water. Aan de andere kant zijn mikschijven waartegen je ballen kunt gooien. Bij iedere treffer wordt het contragewicht minder. Zijn alle schijven geraakt dan valt de man in de tobbe. Ik zag het en bleek er geen liefhebber van. Een kermis is een oefening in zelfkennis als je er goed op let.

Op Amerikaanse kermissen, heb ik me laten vertellen, was er vroeger een attractie die is afgeschaft of in onbruik geraakt, zoals bij ons de Vrolijke Keuken. Die heette: Hit The Man Of Distinction. Aan de ene kant van de werpbaan stond een man in een afwasbare smoking; aan de andere kant de klant met een schaaltje modderballen. Daar was het punt bereikt waarop de attractie van psychologisch tot politiek werd: de kermis tot klein voorspel van de proletarische revolutie.