De filosofen van groen-rechts; Christopher Lasch en zijn afkeer voor de vooruitgang

The True and Only Heaven. Progress and its Critics door Christopher Lasch 591 blz., W. W. Norton & Co., f 65,55 ISBN 0 393 02916 6

Christopher Lasch heeft weer toegeslagen. De Amerikaanse historicus en cultuurfilosoof schreef een boek van 591 bladzijden dat in de Verenigde Staten door sommigen is verwelkomd als 'briljant', 'provocatief', 'een onmisbare bijdrage aan het publieke discours', en 'een definitie van de Amerikaanse ziel'.

Het werk heet The True and Only Heaven. Progress and its Critics, handelt over het failliet van de Westerse vooruitgangsideologie, en het is op een zonderlinge wijze interessant. Ondanks zichzelf, want voorzover ik het kan doorgronden, is het een monument van pretentieuze warhoof-digheid. Maar het dwingt de lezer wel positie te kiezen (al was het alleen maar uit ergernis over de rondfladderende redeneringen) inzake een kernprobleem van de moderne westerse samenleving, de vraag namelijk of de steeds verdere groei van materiele welvaart en technologie leidt tot een navenante vooruitgang van maatschappelijke harmonie en individueel welzijn. De vraag, kortom, of de Westerse intellectuele traditie is gestoeld op de abusievelijke ontkenning van de grenzen die de natuur stelt aan menselijke vrijheid.

The True and Only Heaven is de voorlopige apotheose van de levenstaak die Lasch zichzelf heeft gesteld: de ontmaskering als onhoudbaar dogma van het vooruitgangsgeloof in het algemeen, en van het Amerikaanse 'liberalism' in het bijzonder.

Ooit begon hij met kritische notities over de moderne intellectueel (The American Liberals and the Russian Revolution uit 1962 en The New Radicalism in America 1889-1963. The Intellectual as a Social Type uit 1965). Vervolgens presenteerde hij zijn kritiek op de moderne persoonlijkheidsstructuur (The Culture of Narcissism uit 1979 en The Minimal Self uit 1984) en hier is dan zijn kritiek op de moderne tijd zelf. Modern in de zin van 'na de Verlichting', en niet in de zin van 'eigentijds'.

Waarom toch, zo vraagt Lasch zich af in dit nieuwe boek, blijven mensen vooruitgang nastreven, terwijl als resultaat daarvan de wereld rondom zwanger is van onheil en rampspoed? Voor hem is het duidelijk dat, 'in deze eeuw vol calamiteiten', het vooruitgangsdenken en democratie onverenigbaar zijn. De zucht naar meer en beter en verder heeft, meent hij, slechts geleid tot een 'democratisering van de consumptie', de verheerlijking van begeerte als de motor van onze welvaart, terwijl de morele wortels van de burgerlijke samenleving verkommeren.

In The True and Only Heaven biedt Lasch een remedie tegen de zedelijke en ecologische ondergang van de mensheid: een nieuwe morele ordening van economie en maatschappij. De uitweg ligt volgens de historicus uit Rochester in kleine en niet op groei gerichte gemeenschappen, die zijn gebouwd op de 'populistische' ideologie van de kleine middenstand: voor niets gaat de zon op, en om te leven moet je werken. In de herwaardering van plichten en deugden schuilt volgens Lasch de ware burgerzin van individuen die hun lot aanvaarden, de grenzen van hun mogelijkheden onder ogen zien, hun omgeving zonder gemor accepteren, en rentmeester zijn over de Aarde.

NUL-GROEI

Dit boek is aldus een opmerkelijke tegentoon in het koor dat na het communistisch echec de definitieve overwinning van het liberaal-kapitalistische vooruitgangsdenken bezingt. Hoewel Lasch geen melding maakt van Francis Fukuyama en diens georakel over 'het einde van de geschiedenis' valt zijn visie wel degelijk op te vatten als het spiegelbeeld daarvan. Hij wil niet de triomf, maar het falen van de moderne Westerse ideologie en levenswijze tonen.

Bovendien zijn de gedachten van Lasch een soort filosofische onderbouwing van het ook in ons land wijd verbreide groene denken over 'nul-groei', afremmen van technologische ontwikkelingen en beteugeling van moderne verworvenheden ten bate van meer gemeenschapszin en kleinschaligheid. Het zijn gedachten die 's ochtends in de file, of 's avonds in de snackbar gemakkelijk kunnen opwellen. The True and Only Heaven geeft de mogelijkheid enkele fundamentele uitgangspunten van die zo vaak wat vage anti-moderne onrust te toetsen.

Lasch probeert in zijn boek (de titel verwijst naar Nathaniel Hawthorne's The Celestial Railroad, waarin de Amerikanen wordt verweten dat zij de kermis der ijdelheden als 'de ware en enige hemel'

opvatten) ten minste vier dingen tegelijk, geloof ik. In de eerste plaats presenteert hij een ruwe schets van het ontstaan van de Westerse vooruitgangsideologie, de opvatting dat de mens onomkeerbaar de ladder van de beschaving beklimt dank zij de almaar toenemende beheersing van de natuur, de groeiende rijkdom en de groter wordende greep op de werkelijkheid. Daarbij laveert Lasch soepel van de Verlichting - toen de meer cyclische beschavingsmodellen uit de oudheid en Middeleeuwen werden verlaten - naar de Amerikaanse 'frontier-mentaliteit' ('Go west, young man!') en de conceptie van de 'maakbare samenleving' zoals die onder John F. Kennedy in de Verenigde Staten hoogtij vierde. Bijna achteloos worden hierbij allerhande wereldbeschouwers en hun opvattingen door het betoog geweven, varierend van Machiavelli tot Huckleberry Finn en van de laat-negentiende-eeuwse sociologen Ferdinand Tonnies en Georg Simmel, die piekerden over de 'Gemeinschaftsschmerz' als gevolg van de moderne grote stad, tot Norman Mailer.

Vervolgens presenteert Lasch een reconstructie van het anti-modernistische en anti-progressieve (dat wil zeggen 'anti-liberal') denken in de Verenigde Staten vanaf het einde van de achttiende eeuw tot de jaren zestig van deze eeuw. Dit expose loopt ongeveer van Thomas Paine (die volgens Lasch met zijn verdediging van de Amerikaanse kleine boeren tegen de Britse koloniale kapitalisten een typische populist was) via Georges Sorel (wiens kritiek op het moderne in dit boek de overhand heeft op zijn ronduit antisemitische sentimenten) tot Martin Luther King (die met zijn oproep tot spirituele overtuigingskracht wordt gepresenteerd als een onversneden anti-modernist).

In de derde plaats formuleert Lasch in The True and Only Heaven een omvattende kritiek op de vooruitstrevende geest van onze eigen tijd, zoals hij die kent in de vorm van het Amerikaanse 'liberalism'.

Daaronder schaart hij overigens zowat iedereen die een betere toekomst predikt, van de hippies tot en met optimistische conservatieven als Ronald Reagan. De kritiek van Lasch is gebaseerd op zijn diagnose dat de moderne vooruitgangsideologie de democratische idealen verstikt, net zoals de ongebreidelde modernisering de Aarde verstikt.

MAGNETRON

Veel feller dan voorheen betoogt Lasch dat vooruitgangsdenken een onhoudbaar geloof is, de obsessie dat iedereen ter wereld uiteindelijk een 'modern' middle-class leven moet leiden met eigen auto, televisie en magnetron, om de vervulling van het menselijk bestaan te bereiken.

Want democratie en een open samenleving zijn volgens de 'liberals' onlosmakelijk met consumptievrijheid verbonden. In werkelijk heeft deze dominante westerse ideologie volgens Lasch onmisbare waarden als deugd, geloof, familie en een persoonlijke identiteit vernietigd.

Daarom doet hij in dit boek ten slotte als balsem tegen het geestelijk leed van onze tijd zijn klemmende oproep tot herwaardering van de levenswijze van de lagere middenstand en de kleine burgerij. Deze groep dreigt in de Verenigde Staten te worden vermalen tussen de volslagen onthechte onderklasse en de 'nieuwe klasse' van de beheersers van technologie, financien en informatiestromen met hun rechtstreekse belangen in het vooruitgangsdenken. In het bedreigde 'middle America' schuilt volgens Lasch evenwel de laatste hoop op ware gemeenschapszin, verantwoordelijkheidsgevoel, moreel realisme, respect voor de begrenzingen van het leven op Aarde, het inzicht dat alles een prijs heeft, een harmonische rangorde gebaseerd op competentie, en een gezond wantrouwen tegen luxe, vernieuwing, en opwinding, waaraan 'de moderne persoonlijkheid' zo verslaafd is.

Dat alles komt in The True and Only Heaven aan de orde. Tegelijkertijd en door elkaar, wel te verstaan, zodat de lezer bijna permanent in ademnood is. Bovendien voltrekt het betoog zich op het abstracte niveau van ideeengeschiedenis, en is het gelardeerd met talloze citaten, ongeremde 'namedropping' (soms van het niveau: ''Ook Emile Durkheim, Max Weber, Ralph Waldo Emerson, William James en Reinhold Niebuhr vonden dat de wereld op de verkeerde weg was'') en voetnoot-loze literatuurverwijzingen, die slechts te doorgronden zijn na exegese van het schijnbaar uit de losse pols samengesteld 'bibliografisch essay'. Voor de liefhebbers van Christopher Lasch is dit, evenals het personenregister, overigens een feest der herkenning: menige titel en menig vergeten maatschappijcriticus was in eerdere boeken al uitvoerig aan de lezer voorgesteld.

En toch is het, zoals gezegd, in zekere zin een uitdaging The True and Only Heaven te lezen, want het bundelt op een curieuze wijze veel courante gedachten over het doodlopen van de Westerse wereld in de eigen welvaart. Het boek is een amalgaam van eigentijds ecologisch bewustzijn, een soort religieus sentiment a la 'op zoek naar heel de mens' en een filosofische kritiek op de moderne tijd. Het is een cocktail van groene gedachten, conservatieve verlangens naar een betere wereld, en hoop op inkeer van de zondaars (geen optimisme, want dat is volgens Lasch nu een typisch verwerpelijke, moderne geesteshouding). We hebben hier, kortom, te maken met een onversneden proeve van niet-marxistische, groen-conservatieve, anti-liberale maatschappijkritiek.

Veel van hetgeen in The True and Only Heaven te berde wordt gebracht over de kwalijke kanten van de moderne tijd, klinkt overigens behoorlijk bekend. In zijn verheerlijking van de kleine plattelandsgemeenschap en de neiging tot 'Blut-und-Boden'-mijmeringen leunt Lasch dicht aan tegen allerlei antimodernistische sentimenten van rond 1900 die ook bij de Duitse Grunen zo rondzingen (en door de nationaal-socialisten al geincorporeerd waren in hun deels antimodernistische deels hypermodernistische ideologie).

Het is bovendien opmerkelijk dat de gedachten van Lasch ook behoorlijk sterk leunen op de Westerse traditie van maatschappijkritiek die wel degelijk marxistisch geinspireerd was. Het meest doet het sombere gepieker in dit boek dan ook denken aan de kritische helden van de jaren zestig en zeventig, zoals Herbert Marcuse, Norman O'Brown, Erik Erikson en Erich Fromm. Maar zij blijven ongenoemd of op de achtergrond, want Lasch wil niets weten van Marx en van Freud (beiden verwerpelijke modernisten die dachten de wereld en de mens te kunnen beheersen!), en zeker niet van een combinatie van beiden zoals toentertijd aan de orde was.

In ieder geval lijdt dit boek aan dezelfde kwalen als de werken van de theoretici die gelieerd waren aan de Frankfurter Schule: veel observaties zijn juist, maar tezamen vormen ze een moeilijk verteerbare brij. De diagnose van Lasch klinkt alleszins beschaafd.

Het liberale kapitalisme kent onmiskenbaar veel kwalijke uitwassen, het heeft legers van harteloze patjepeeers, parvenu's, non-valeurs en academische historici voortgebracht, en het stemt niet vrolijk te zien hoe overbodige luxe steevast verandert in noodzakelijke behoeften en hoe de consumptiedrang grenzeloos, het bestaan van de submarginale onderklasse uitzichtloos, de verwoesting van de natuur onstuitbaar, en de uitbuiting van de Derde Wereld hardnekkig is. Wat een treurigheid heeft dat moderne liberale kapitalisme met zijn vooruitgangsidealen toch geproduceerd!

HEGELIAANS

Maar is de diagnose van Lasch ook juist? In de eerste plaats valt op hoezeer hij een bijna puur Hegeliaanse visie op de geschiedenis hanteert: de idee schept de werkelijkheid, het vooruitgangsgeloof schept de wanorde van de moderne wereld. Dat het geloof in vooruitgang niet de veroorzaker, maar veeleer het resultaat is van de groei van technologie en welvaart, of in ieder geval op een ingewikkelde manier daarmee is verknoopt, is een voor de hand liggende gedachte, waarvoor men geen aanhanger van Marx of Fernand Braudel hoeft te zijn. Zij komt bij Christopher Lasch niet op.

In de tweede plaats is zijn uitgangspunt dat de vooruitgangsideologie met zijn 'bandeloze zucht naar meer' de traditionele 'burgerzin' en 'deugdzaamheid' de nek heeft omgedraaid, nauwelijks beargumenteerd.

Lasch probeert het duidelijk te maken aan de hand van een keur van negentiende- en twintigste-eeuwse denkers die tobden over aspecten van de moderne tijd. John Milton, Jonathan Edwards, Thomas Carlyle, Ralph Waldo Emerson, William James, Georges Sorel, en Martin Luther King waren inderdaad overtuigd van de beperkingen van de mens (en die overtuiging is 'the unifying thread' van het boek). Maar het ging hier om menselijke beperkingen tegenover het Hogere. De door Lasch aangehaalde filosofen verdedigden in laatste instantie tegenover de zondige mens de almacht van God, een almacht die lelijk werd aangetast door de moderne tijd. Als calvinisten in koor roepen dat God gelijk heeft, is dat geen argument, maar een getuigenis, en dat is wat anders.

Lasch loopt hier vast in een religieuze schemerzone van door hogerhand gegeven 'deugd' en 'burgerzin'. Dat heeft hem blijkbaar blind gemaakt voor het feit dat juist de vermaledijde vooruitgangsideologie de inspiratie gaf voor die concepten. Het gegeven dat de moderne tijd begon met de formuleren van universele burgerrechten, en dat de Verenigde Staten gegrondvest zijn op de grondwettelijke definitie van de burger tegenover de staat, wordt door Lasch in het geheel niet genoemd, de tegenwoordig onmiskenbaar toenemende rol van 'de mensenrechten' (een noviteit in de geschiedenis) ook al niet.

De remedie die Lasch schetst, terugkeer naar de kleinschalige, 'populistische' ideologie van 'middle America' met de erkennning van de menselijke beperkingen en de geesteshouding van hoop, geloof, vertrouwen, verbazing en eigen verantwoordelijkheid, stemt mij evenmin vrolijk. Natuurlijk, zo erkent hij, het Amerikaanse populisme heeft een geschiedenis vol 'narrowness, provincialism, racism, nativism, and anti-intellectualism', maar dat is volgens hem toch voor een groot deel te wijten aan het verwrongen beeld dat de 'liberals' ervan hebben geschetst. Hij klaagt dat dat de kosmopolitische, goed geinformeerde en goedbetaalde grootstedelijke 'liberals' zich niets gelegen laten liggen aan de populistische opvattingen zoals Lasch die uittekent. Hij wijst op het vergeefse protest van 'lower middle class'-groepen tegen de gedwongen de-segregatie van scholen door middel van het omstreden 'busing', en het oprukken van de pro-abortuslobby van de Amerikaanse feministen. Dit alles is ongetwijfeld klemmend, en ook in ons land is de arrogantie van de 'Sprachherrschaftsklasse' (om die beeldende term van de Duitse socioloog Helmut Schelsky weer eens te gebruiken) wijd verbreid, maar daarom hebben de populisten nog geen gelijk.

JANUSKOP Ten slotte de centrale stelling van Lasch dat de vooruitgangsideologie onherroepelijk leidt tot verwoesting van de wereld. Dit lijkt mij niet zo vanzelfsprekend als hij wil doen geloven. Als er al sprake is van een eenvormig vooruitgangsdenken, dan maakt het bewustzijn van de paradox van de modernisering daar toch zeker deel van uit. De Januskop van de vooruitgang is in 'het moderne westerse denken' vaker wel dan niet onderkend. Bovendien is, voor zover ik weet, de door Lasch gesmade erfenis van de Verlichting, zeg maar de progressief-liberale, rationele geesteshouding, nog altijd de enige denkwijze die zichzelf kan bekritiseren, en door middel van de openbare strijd van argumenten tot andere inzichten kan komen. Lasch suggereert dat de mogelijkheid van kritiek een ideologisch ingecalculeerd doekje voor het bloeden is.

De moderne rationaliteit heeft voor hem afgedaan, uitkomst kunnen alleen geloof, hoop en liefde brengen.

Tsja, deze houding van Lasch lijkt mij een accuut geval van onwil tot een ordinaire 'battle of arguments'. Iets dat vaker voorkomt bij mensen die zich vastklampen aan hogere (doch niet nader bepaalde) waarden. De constatering dat er ook voor het vooruitgangsgeloof ontelbare ergerlijke individuen rondliepen en er huiveringwekkende gebeurtenissen plaatsvonden, zal hem waarschijnlijk geen troost bieden. Toch was het ook zonder het moderne 'liberalism' op de wereld een janboel. De Romeinen observeerden al dat de mens voor de medemens een wolf is, en zij geloofden zelfs dat de wereld er alleen maar op achteruit ging.

Als The True and Only Heaven het ijkpunt van een nieuwe ecologische filosofie moet worden, rep ik mij onmiddellijk per auto naar de automatiek om daar nog meer, nog grotere en nog betere kroketten te trekken. Het werk heeft zowat alle slechte eigenschappen van een boek door een historicus die zich wil profileren als groots en meeslepend denker. Gedachten woekeren als lianen in een mangrovewoud, de vraagstelling is vervangen door geloof in het eigen gelijk, het betoog heeft plaatsgemaakt voor bekeringsdrang, argumenten zijn gesneuveld in een motregen van irrelevante citaten, die de boodschap van de schrijver slechts herhalen in andere woorden, onderzoek is ingeruild voor tobberig en zelfingenomen gepeins, en de lezer worstelt 591 bladzijden lang met een accuut gebrek aan klare taal.

Had Christopher Lasch in zijn jeugd maar beter naar de televisieserie Peyton Place gekeken. Dan had hij vast en zeker ontdekt dat 'middle towns' in 'middle America' geen flonkerende parels van deugd en burgerzin zijn, maar broeinesten van hebzucht, valsheid, egoisme en kleingeestigheid. Want anders dan hij denkt, is in werkelijkheid de populistische moraal gelukkig niets menselijks vreemd.