Cherry Duyns' laatste getuigen

Laatste Getuigen. Zondag 21 april 22.05-23.35 VPRO Ned 2.

“Als je als jongen van vijftien Auschwitz-Birkenau overleeft, hoe sta je dan later in het leven. Daar wilde ik een film over maken.”

Documentairemaker Cherry Duyns spreekt over overlevenden van een groep van 89 jongens die in concentratiekamp Auschwitz hebben gezeten.

Schrijver en socioloog Gerard Durlacher is een van hen. Enkele jaren geleden ging hij op zoek naar overlevenden uit zijn groep. In het boek Zoektocht beschrijft hij zijn ontmoetingen over de hele wereld en de reunie van 'de jongens' vorig jaar in Israel. In de documentaire Laatste Getuigen reist Duyns met Durlacher mee naar Israel en wordt het verhaal verteld van Durlacher, van Yehuda Bacon, hoogleraar aan de kunstacademie in Jeruzalem en van Ernst Hacker, aannemer in Beverly Hills.

Waarom koos u deze mannen voor de film? “Ik was onder de indruk van de manier waarop Yehuda met mensen praatte en naar ze luisterde en ik had al getuigenissen uit Auschwitz van hem gelezen. Op Ernst viel ik meteen. Misschien wel door de grote luidrucht waarmee hij zich presenteerde, dat Amerikaanse. Door die grote, gele baseballpet en die intens droeve ogen.

“Ik zocht naar verscheidenheid. Gerard is beschouwend, Yehuda heel feitelijk; dat is heel bijzonder, want er zijn ook mensen bij wie het geheugen gewist is. Hij heeft er zijn hele leven over getekend, en dat jaren lang ondertekend met zijn kampnummer. Ernst heeft het verleden weggedrukt door waanzinnig hard te werken. Dat hebben ze allemaal gedaan. Onlangs is hij minder gaan werken en nu komt alles omhoog en reageert hij zeer heftig.”

Voor Duyns begon te filmen had hij een aantal beslissingen over vorm en inhoud genomen. “Ik heb gekozen voor de ogenschijnlijk eenvoudigste vorm: gesprekken aan de huiskamertafel, geen flauwekul, geen rimram, alleen af en toe een fotootje. Ik wilde ook geen archiefmateriaal gebruiken, dat vervreemdt. Een goed verhaal vertelt meer dan zo'n gruwelijk beeld van een stapel dode mensen. De gesprekken heb ik in het Duits gevoerd. Engels neutraliseert, het is de taal van de bevrijder.

“De reunie is alleen via Gerard gefilmd, via hem ontmoet je de anderen. Ik vond het ongepast om daar mensen te gaan interviewen. Het was hun reunie en het was al buitengewoon aardig dat we daar bij mochten zijn.”

Had u besloten te blijven filmen als iemand erg emotioneel zou worden. “Ik had met cameraman Jochgem van Dijk besproken dat we dan gewoon door zouden draaien, maar niet inzoomen; dat vind ik zo gruwelijk. Dat het bij Ernst gebeurde, verbaasde me niet. Ik zat weliswaar versteend in mijn stoel, maar ik schrok niet echt. We hebben hem zijn gang laten gaan. Pas toen hij tot bedaren was gekomen heb ik hem getroost, een arm om hem heen gelegd. Toen zijn we gaan eten en hebben we een beetje lopen giechelen op straat. De volgende dag zijn we gewoon doorgegaan.

“Toen ik het terug zag in het beeldkader in de montagekamer schrok ik wel heel erg. Maar zo staat hij er nu voor, als je die wond waar hij over spreekt even beroert, dan gebeurt dat.

Ik heb er lang over gepraat met filmeditor Jan Langeveld, maar we vonden dat het in de film moest. Het zou bijna oneerbiedig zijn om het weg te laten. Ernst zegt op dat moment ook indrukwekkende dingen: 'Nur jetzt kann ich wieder weinen, damals hab' ich nicht geweint.' Toen zijn ouders naar het crematorium gingen. Op een gegeven moment begon hij plotseling te zingen: 'Rot ist der Himmel, Schwarz ist der Wald, Buchenwald ich kann dich nicht vergessen.' Dat heb ik er uitgelaten, ik kan niet uitleggen waarom, maar dat ging me weer net te ver.''

Voelde u zich aangesproken toen Ernst Hacker over zijn haat tegen de Duitsers sprak? U heeft een Duitse moeder.

“Op het moment dat hij het zei ontging het me bijna, later in de montagekamer voel je je ongemakkelijk. Ik zou liegen als ik zei dat ik me niet aangesproken voelde. Ik begrijp het heel goed, maar het beroert je wel.

“Ik ben in augustus '44 in Duitsland geboren, dus ik weet van die oorlog helemaal niets af. Met de bevrijding ben ik naar Nederland gekomen. Toen ik zeven was gingen mijn ouders uit elkaar en werden wij liefdevol, althans door familie, in Duitsland opgevangen. Ik heb daar anderhalf jaar op school gezeten. Ik had in Nederland wel eens iets over moffen opgevangen. Mijn moeder was een mof, en dat werd niet gezegd alsof het een aanbeveling was. Toen ik terug kwam uit Duitsland en een beetje als prins Bernhard sprak, was ik zelf definitief een mof geworden. In '53 waren de gevoelens tamelijk heftig in Nederland. In Duitsland had ik gezien dat alles kapot was en gehoord dat alle landen tegen Duitsland gevochten hadden, dat vond ik buitengewoon laf en vals. Dan word je ouder en ontdek je de waarheid en denk je: mijn god, hoe kunnen die aardige mensen die ik ontmoette dat gedaan hebben. Ik vraag me altijd af als ik mensen van die generatie zie wat ze gedaan hebben. Ik probeer het altijd uit te vissen. Mijn familie probeer ik ook steeds nieuwe details te ontfutselen.”

Het moet zwaar geweest zijn voor de ploeg om de film te maken. “Natuurlijk is het een vreselijke belasting dat soort verhalen aan te horen, maar dat realiseren de vertellers zich heel goed. Ze helpen je door af en toe even te schertsen, vooral Gerard kan dat goed. Voor mij was de verschuiving in de tijd een vreemde ervaring. Toen Yehuda zat te praten dacht ik: die ogen hebben de douchekop gezien waar geen gaatjes in zaten. Die hand, die ik gedrukt heb, heeft de houtblokken voor het crematorium opgeraapt. Ik ervoer hem niet als een oude man die over een zwart-wit verleden vertelde, hij bracht het zo dicht bij.”