Achter een gesloten deur wordt de hond geslagen; De machteloosheid van China's studenten

'Het waren onze acties die de mondiale ineenstorting van het communisme inluidden, maar wij staan met lege handen.' Twee jaar nadat het Volksbevrijdingsleger de studentenopstand in Peking neersloeg, voelen de studenten van het Tienanmen-plein zich verslagen. Sommigen verdwenen, anderen werden berecht en een enkeling heeft, met hulp van de partij, zijn leven gebeterd. Alleen onderhuids gloeit nog de woede.

Het moment dat Hu Yun zijn ijzeren spade in de schedel van een agent plantte staat hem nog helder voor de geest. Hij komt overeind, slaakt een krachtterm, zwaait met verbeten blik een denkbeeldige schop door de lucht en laat het gevaarte een-, twee-, driemaal neerkomen op het hoofd van de politieman. ''Tsjak, tsjak, tsjak'' - zo ging dat. Ten overvloede bootst hij het kermen van zijn slachtoffer na.

Onmiddellijk omringde een juichende mensenmenigte de halfdode diender, herinnert Hu Yun zich. Jongensachtige bravoure schemert door zijn stoerheid heen als de achttienjarige student vertelt dat hij in de chaos ontkwam, die nacht dat ''de zwarte zon opkwam boven het Tienanmen-plein'', de nacht dat soldaten de vrolijke anarchie van de Chinese Lente, ''onze grootse patriottische en democratische beweging voor de begrafenis van de dictatuur'' smoorden in bloed.

Hu Yun had voorjaar '89 van meet af aan meegestreden voor een 'ethisch communisme', een partij die daadwerkelijk trouw moest blijven aan haar eigen uitgangspunten. Uiteindelijk was hij zelfs benoemd tot bodyguard van een leidende arbeider in Pekings eerste Autonome Werknemersorganisatie. Dat het zou uitdraaien op een slachting, dat het centrum van de hoofdstad het toneel van straatgevechten, brandende legervoertuigen, mitrailleurvuur, platgereden fietsen en neergeschoten burgers zou worden, had hij nimmer kunnen bevroeden.

BEKER VUIL WATER

Daags na de veldslag posteerde Hu Yun zich voor de televisie. Ademloos volgde hij reportage na reportage over de als 'contra-revolutionaire rebellie' gekenschetste opstand. Zijn oog viel op een zwaar toegetakelde, in de handboeien geslagen man: de Chinese Lech Walesa die hij wekenlang als lijfwacht had beschermd. Hu Yun nam de wijk naar Yantai, een oostelijke havenstad. Op zijn onderduikadres vernam hij dat zijn zus intussen was gearresteerd. Tezamen met veertig andere 'straatschenners en vandalen' verbleef zij in een cel van vier bij vier meter. Af en toe droge rijst, een beker vuil water; slapen moest rechtopstaand gebeuren. Na zeventig dagen wist haar vader, een kunstenaar die zelf eind jaren vijftig als 'rechts element' negen jaar gevangenisstraf kreeg maar later goede relaties met topambtenaren wist op te bouwen, haar vrij te kopen.

Hu Yun ontliep zijn straf. Na verloop van tijd keerde hij terug naar Peking, waar etalages vol verheerlijkende boeken over de strijdkrachten (De meest geliefde mannen van dit tijdperk: de helden der staat-van-beleg-troepen) het nieuwe, rigide klimaat weerspiegelden. Politiek, zo besloot hij, was zijn leven niet waard.

Politiek kon hem voortaan gestolen worden. Inmiddels heeft Hu Yun zich ontpopt als gewiekst moneymaker: op de kunstacademie achter de Wangfujing-straat, Pekings armetierige Champs Elysees, schaft hij tegen schertsbedragen beeldhouwwerken en doeken aan die hij voor het tienvoudige aan Japanse en Amerikaanse zakenlieden verkoopt. Vrienden reppen over dollartekens in zijn ogen.

Niet dat de jonge schilders wier werk Hu Yun verhandelt zich beklagen: elke yuan ((f) 0,32) is welkom. Studenten van de kunstacademie die tijdens het oproer meewerkten aan de bouw van het Vrijheidsbeeld-Chinese-stijl, de Godin van de Democratie, hebben hun artistieke talent voor straf geruime tijd in dienst moeten stellen van het leger. Ze kregen de opdracht muren van militaire scholen te verven. Vergeleken met de beloning die ze daarvoor ontvingen, is de som die Hu Yun voor een kunstwerk op tafel legt een klein fortuin.

BEIDA-UNIVERSITEIT

Lang niet alle deelnemers aan de studentenrevolte hebben hun huid net zo eenvoudig weten te redden als Hu Yun. Honderden lieten het leven; duizenden werden opgepakt. Sommigen slaagden erin per boerenkar het onafzienbare Chinese platteland op te liften en houden zich tot op de dag van vandaag schuil tussen de achthonderd miljoen boeren. Anderen vluchtten het land uit. Wat ze gemeenschappelijk hebben is een gevoel van verslagenheid.

Nergens anders is de deceptie zo goed merkbaar als op de prestigieuze Beida-universiteit in Peking, het voormalige brandpunt van de protesten. Hier richtte student Wang Dan (onlangs veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens zijn activiteiten als strateeg van de Chinese Lente) de Salon der Democratie op, hier doceerde dissident Fang Lizhi, de Sacharov van de Volksrepubliek. Hier zinderde het: vergaderingen van de Vrije Studentenvakbond, vlugschriften, tetterende megafoons, de geur van versgeverfde spandoeken.

Deze broedplaats en denktank van een mislukte democratische revolutie is verboden terrein voor de pers. Maar militairen bij de roodwitte slagbomen aan een poort tonen zich weinig alert: het blijkt eenvoudig de pose van een buitenlandse student aan te nemen en naar binnen te wandelen. De campus oogt als een oase. Iemand lurkt aan twee rietjes in een kruik Bloeiende Bloem-yoghurt. Groepjes studenten spelen basketbal. In de kantine dampt de rijst en staan literflessen Peking-bier op tafel. Achter de muren van de woonkazernes is het beeld minder poetisch: krappe kamers met vier stapelbedden die rieken naar ongewassen lakens, latrines die een urinewalm verspreiden.

In vitrines hangen foto's van schoolreisjes en pamfletten met informatie over de TOEFL-test (Test Of English as a Foreign Language), een obstakel voor Chinezen die een Westers visum begeren. Slogans decreteren de partijwaarheden: 'Eerlijkheid betekent vasthouden aan de ideologie'. Op deze plek prijkten twee jaar terug dazibao, grote karakter-posters die de Chinese leiders afschilderden als zwijnen, wentelend in communistische drek (Mao Zedong, aan het begin van zijn loopbaan assistent-bibliothecaris op de Beida-universiteit, moet zich hebben omgedraaid in zijn mausoleum). Sinds agenten de lasterlijke muurkranten met hogedrukspuiten verwijderden, heeft vrijwel niemand het gewaagd de wanden opnieuw met politiek gevoelige affiches te beplakken. Het afgelopen half jaar verscheen er een: een karikatuur van premier Li Peng, uitgedost als collega-dictator Saddam Hussein. De lijm was nog nat toen een van de honderden agenten in burger die Beida bevolken de poster verscheurde.

Nee, zegt de leraar statistiek die trillend naast de Vliegende Duif (een populair fietsmerk) in zijn slaap- en huiskamer staat, hij heeft niets over dat incident gehoord. Niets gezien, nooit iets gezien eigenlijk, nimmer. Dat politieke magazine op het salontafeltje?

Onschuldig blaadje, echt, staat niks bijzonders in. Enne... hoe staat het met het wiskunde-onderwijs in Nederland?

KLEINE FLES

De spirit van Beida lijkt vervlogen. De enige keer dat het revolutionair elan weer opspeelde was in de nacht van 3 op 4 juni 1990, precies een jaar nadat het Volksbevrijdingsleger Peking had schoongeveegd. Opgekropt verdriet vond een uitweg toen op de campus spontane herdenkingsdemonstraties uitbraken. In het licht van een bleke maan gooiden studenten en masse flessen kapot (een knipoog naar partijpatriarch Deng: op een zekere toonhoogte uitgesproken betekent Xiaoping kleine fles). Brandende kranten dwarrelden de ramen uit. De gebouwen stroomden leeg en ruim duizend betogers trokken langs de lokalen, de Internationale zingend, knorrend: weg met de varkens, weg met het regime.

Voorzichtigheidshalve meed de stoet expliciete politieke leuzen; pogingen de politiekordons bij de uitgangen van de universiteit te doorbreken en op te marcheren naar Tienanmen werden niet ondernomen.

''We blazen stoom af'', zei iemand lakoniek. Li Mingqi, een tengere knaap in sportbroek en t-shirt, riep de regering op tot een dialoog. Net als het handjevol verslaggevers dat de rellen bijwoonde ('handlangers van het Westerse hegemonisme' en 'verkopers van verzinselen', meende het Volksdagblad) werd hij gearresteerd. De student onderging een andere behandeling dan de verslaggevers: na een langdurig maar coulant verhoor stuurden de ondervragers hen tegen het ochtendgloren de straat op, terwijl Li Mingqi spoorloos verdween. Zulke 'zieke geesten' horen niet thuis op Beida.

Zuivering van de universiteit is een belangrijke doelstelling van het bewind, vertelt de Nederlandse studente Monique Seijkens. Met gevoel voor ironie laat ze Tracy Chapmans Talkin' about a revolution uit haar luidsprekers schallen. ''Er waait hier een straffe wind. Toch is het docentenkorps nog niet ontdaan van onruststokers. In de beslotenheid van klaslokalen laat menige Chinese leraar zich negatief uit over het systeem. Officieel zijn ze natuurlijk loyaal, en op commando dreunen ze braaf leuzen op, maar de onderhuidse woede is groot.''

POLITIEKE TRAININGEN

Succesvoller schijnt de Communistische Partij in haar pogingen studenten te indoctrineren. Elke nieuwe Beida-lichting is verplicht aan de vooravond van het eerste collegejaar maandenlange politieke trainingen te volgen op een militaire academie in Shijiazhuang, hoofdstad van de naburige provincie Hebei. Gestoken in legergroen 'leren zij discipline', melden de kranten. Het omkneden van dwarse eerstejaars tot serviele communisten gaat bovendien gepaard met schietlessen.

''Dat soldaten het jonge volk bijbrengen hoe je wapens hanteert zou ons nog weleens goed van pas kunnen komen', lacht een activist van het eerste uur. Maar wie de 'gehersenspoelde groentjes' regelmatig meemaakt, beseft dat die hoop nergens op stoelt. ''Tussen de gepokte en gemazelde studentengeneraties en de gedrilde jongerejaars gaapt een kloof'', constateert Monique Seijkens. ''De autoriteiten hervormen Beida zeer effectief, hollen het instituut als het ware uit. Over twee, drie jaar tref je hier niet een tegendraadse lichting meer aan.'' De universiteitsdirectie raadt Chinezen het contact met studenten uit den vreemde af - het leidt tot 'anti-socialistische besmetting'. Buitenlanders krijgen op hun beurt te horen dat het verstandig is lokale scholieren te mijden: ze zouden een 'onbetrouwbaar karakter' hebben, 'dieven' zijn, en ''dikwijls onder valse voorwendselen streven naar huwelijken met westerlingen''.

Zeldzame oprispingen van de revolutionaire geest daargelaten, maakt Beida een getraumatiseerde en gedemoraliseerde indruk. ''Het waren onze acties die de mondiale ineenstorting van het communisme inluidden'', zegt een student, ''maar wij staan met lege handen.''

Anderen gaan nog verder en constateren bitter dat het studentenoffensief contra-produktief was. ''We hebben ons hoofd in een strop gestoken. Het effect van de onlusten is dat we veel minder vrijheid hebben dan voor het oproer. China is tien jaar teruggeworpen in de tijd.''

GERUINEERDE CARRIERE

Wang Jin, een drummer wiens punkband is vernoemd naar ''het geluid van ratelende machinegeweren in de nacht van de massamoord'', was twee jaar geleden voorman van de studentenbeweging. Hij zegt geen angst te kennen. Van een geheimzinnig rendez-vous in het Paarse Bamboe Park of een ontmoeting in een afgelegen Mongolian Hot Pot-restaurant hoeft wat hem betreft geen sprake te zijn. Evenmin is het nodig elkaar te treffen in de grote, anonimiteit garanderende smulhal van Kentucky Fried Chicken, waar een blijkbaar aan de aandacht van de autoriteiten ontsnapte poster van Lady Liberty hangt. Wang Jin komt gewoon naar mijn hotelkamer, afluisterapparatuur of niet. ''Ik heb toch niks meer te verliezen.''

Omdat hij deelneming aan de rebellie niet had geschuwd, werd hem aanvankelijk zijn universitaire bul niet uitgereikt. Pas nadat Wang Jin een reeks zelfkritieken had geschreven (''Flauwe afspiegeling van de waarheid; wat ik echt op mijn geweten heb zullen ze nooit horen'') kreeg hij het diploma. ''Eigenlijk is het een waardeloos vodje papier'', legt hij uit. ''Met het oog op mijn verwerpelijke gedrag is er een stempel op gezet die betekent dat ik een onbetrouwbaar sujet ben. Ik sta in feite op een zwarte lijst. Een goeie baan zit er niet in, mijn carriere is geruineerd.''

Het had nog slechter kunnen uitpakken, relativeert Wang Jin. Wat te denken van de twee arbeiders die het portret van Mao boven de ingang van de Verboden Stad met verf besmeurden? Zij kregen twintig jaar gevangenisstraf. Zo bezien is hij er genadig van afgekomen. Bij tijd en wijle verricht hij klusjes in flats van buitenlandse diplomaten en helpt hij bezoekende journalisten bij het leggen van contacten met ex-activisten.

Het was een waanidee dat Deng Xiaoping cum suis zomaar van de drakentroon kon worden gestoten, geeft Wang Jin toe. Precies, mompelt hij, de democratische revolutie was te kleinschalig. Een deel van de werkende klasse legde het werk neer, maar tot een Chinese Solidariteit, een hecht arbeidersfront, kwam het niet. Hortend en stotend bleef de motor van de economie werken. Bovendien schaarden de boeren zich niet actief aan de zijde van de studenten. ''Het land stond niet in lichterlaaie,'' zegt Wang Jin, ''alleen het Plein van de Hemelse Vrede.''

Hij ergert zich aan de passiviteit van de slecht geinformeerde massa's. Cynisch gezegd gaat het ze gewoon te goed: anders dan in de Sovjet-Unie is er genoeg te eten, bereiken de prijzen van voedsel geen astronomische hoogten en staan er zelden rijen voor winkels. ''Zolang de recordoogsten aanhouden komt de bevolking niet in opstand'', realiseert Wang Jin zich. En waarschijnlijk had Marx dan ook gelijk toen hij zijn Verelendungstheorie formuleerde: revoluties ontstaan in lege rijstkommen, niet in volle.

Niettemin is Wang Jin ervan overtuigd dat het protest vroeg of laat weer opvlamt. Democratische tendensen rukken uit Mongolie, de Sovjet-Unie en Nepal op naar de Volksrepubliek. In zo'n snel veranderende wereld kan China toch geen dictatoriaal vacuum blijven?

Eenvijfde van de wereldbevolking volstrekt geisoleerd, vergeten, aan zichzelf overgelaten? Hij weigert het te geloven. Zijn toekomstbeeld is een cocktail van optimisme en vertwijfeling.

Het zal lang duren, dat wel. Te lang, verzucht Wang Jin achter een glas Witte Wolk-bier. ''Leve de Communistische Partij - tienduizend jaar'', heet het op muren in Peking. Hij kan het zich niet veroorloven te wachten, hij wil iets van zijn leven maken, hij moet weg. Misschien op legale wijze naar Hongarije, waar een vriend honderdduizenden forints verdient met een schemerige im- en exportfirma. En anders zonder visum naar het Westen, via Hongkong. Hij kent mensen die vluchtroutes hebben aangelegd waarlangs al eerder onbuigzame Chinezen ontkwamen. Geld, geld heeft hij nu nodig. Om een vals identiteitsbewijs te kopen, om ambtenaren te masseren, om de politie een oogje dicht te laten knijpen. Om te ontsnappen.

GEVLUCHTE AMBTENAAR

Een maandsalaris! Een maandsalaris schonk Chen Dong (32) aan de studentenbeweging. Enerzijds droeg ze de oproerkraaiers een warm hart toe, giechelt ze, anderzijds maakte ze deel uit van het gehate staatsapparaat. Als ambtenaar zag ze zich zelfs gedwongen mee te werken aan de sao huang-campagne (''Wegvegen van het geel''), waarvan de naam verwees naar de grauwe kleur van verdorven drukwerk. Porno, misdaadromans, geschriften over goklust en andere literatuur die de moraal van het volk aantastten, dienden op brandstapels te belanden.

Dat was nog tot daar aan toe, zegt Chen Dong. Maar onder druk van de aanzwellende retoriek over het 'bourgeois liberalisme' - staatseufemisme voor Westers getinte ideeen - kwam ook steeds meer dissident werk in de vlammen terecht.

Chen Dong wist zich ''een radertje in de grote onderdrukkingsmachine''. Bij uitzondering kon ze kwalijk beleid traineren, maar dat waren marginale verzetsdaden. De meningsverschillen met haar man werden frequenter: was het zinvol in de Volksrepubliek te blijven? Kon het wel, dit systeem van binnenuit bevechten? Hij noemde het een roeping, wilde niet anders. Als verslaggever van een Chinees dagblad mengde hij zich voorjaar '89 in de woelingen. Hij ondertekende petities, demonstreerde, las superieuren de les. Na het bloedbad kwam zijn sympathie voor de studenten hem op een berisping te staan: promotie was de komende jaren out of the question. Verder moest hij, de 'reactionair', de 'defaitist', uitputtende studiesessies doormaken om de officiele lezing van het oproer uit zijn hoofd te leren.

Uit tactische overwegingen legt Chen Dongs echtgenoot zich tijdelijk bij de partijvoorschriften neer, gedraagt hij zich soms tegen wil en dank als een pai na pi (kontlikker), en is hij met bloedend hart ingegaan op de uitnodiging tot zelfverraad: meewerken aan het herschrijven van China's jongste geschiedenis, kolommen vullen met propagandafrasen. In de avonduren overlegt hij met geestverwanten.

Onlangs kwamen er twee vrij, fysiek ongebroken maar wanhopig: de 'Witte Wenkbrauwenkliek' heeft het land in een duimschroef. ''Zelfs wanneer Deng Xiaoping sterft valt geen maatschappelijke onrust te verwachten.'' Leiders als premier Li Peng en partijsecretaris Jiang Zemin mogen dan twisten over de juiste koers, een ding hebben zij geleerd: hun gemeenschappelijke belang is dat de Chinese muur, anders dan de Berlijnse, niet instort. Overleven luidt het parool. Opdat niemand een breekijzer in het regime kan zetten wordt naar buiten toe geen breuk getoond.

DUITS VISUM

Als we elkaar in Peking ontmoeten, heeft Chen Dong net besloten China te verlaten. Haar echtgenoot is akkoord. ''Ik kan niet meer'', zegt ze. ''Ik ben moe, ik word oud. Wil ik nog iets van mezelf maken, dan moet ik nu gaan.'' Ze heeft een visum voor Duitsland gekregen en reist af met twee koffers, aangeschaft in Het Grote Gebouw Waar Honderd Dingen Te Koop Zijn. Een paar weken later dwalen we samen door een grote Zuidduitse stad, haar verbijstering is voelbaar: stampvolle Konditoreien, kantoren van de vreemdelingenpolitie, wijnranken op de oevers van de Rijn, middeleeuwse Fachwerkhauser, affiches van de CDU: 'Wir machen die Zukunft. Mit Erfahrung.'

Op een universiteit leest ze prevelend en met Chinese tongval de advertenties op een prikbord. Bettsofa mit Uberlange, Travestie Show ('Tra-ves-tie Show?'), Tropical Dance Night, Gebettsdienst fur den Frieden. Tot haar verbazing treft ze in de dagbladen hooguit een paar regels over China aan. Zijn de internationale media alleen geinteresseerd als de zaken totaal uit de hand lopen? Zwijgen ze over de stille onderdrukking? In de Volksrepubliek ''wordt de hond achter een gesloten deur geslagen'', vergeet dat niet. Is het ons trouwens opgevallen dat de processen tegen studenten en andere leiders van de democratiseringsbeweging een paar dagen na het uitbreken van de Golfoorlog een aanvang namen, toevallig op een moment dat helemaal niemand meer naar Peking keek?

Enfin, voorlopig is haar belangrijkste zorg zich hier te handhaven. Moeilijk genoeg: zelfs in de plaatselijke Chinese gemeenschap blijkt het wantrouwen over en weer groot - iedereen is een potentiele verklikker, werkzaam voor de lange arm van Pekings geheime dienst. En die ene vriend, een gevluchte student en schrijver die op het Tienanmen-plein hongerstakingen organiseerde, kan haar niet bijstaan.

Hij is druk bezig zijn terugkeer naar de Volksrepubliek te organiseren. ''Het werk van Chinese schrijvers komt tot stand op de puinhopen van de traditie en het afval van de communistische cultuur'', zei de eveneens geemigreerde auteur Duoduo vorig jaar. Maar ver weg van 'die vuilnisbelt' waarin Chinezen wortelen, wist ook Duoduo, krijgen zij het gevoel dat hun levensaderen zijn afgesneden.

''Ik heb hier lucht maar geen land'', zegt Chen Dong nu al. ''China, het Moederland, blijft altijd lonken. Vroeg of laat vliegen we allemaal weer de kooi in.''

Om veiligheidsredenen zijn de namen van de Chinese geinterviewden veranderd.