Verplegingswetenschap gaat gewoon door; Universiteiten negeren verbod van minister Ritzen

ROTTERDAM, 19 april - Van minister Ritzen (onderwijs) mag het niet, maar de universiteiten in Groningen en Utrecht gaan gewoon door met hun deeltijdopleidingen in de verplegingswetenschap. De ruim vijftig studenten die in september al waren begonnen met hun studie kunnen straks gewoon aan hun tweede jaar beginnen. Ook een landelijke voorlichtingsdag voor aankomende eerstejaars in Utrecht gaat morgen door.

“De minister weet niet waar hij het over heeft als hij zegt dat het voldoende is om in Maastricht verplegingswetenschap te kunnen studeren”, meent de Utrechtse decaan van de medische faculteit, prof.dr.M.F. Kramer. Ritzen wees in september het verzoek van de universiteiten in Maastricht, Groningen en Utrecht af om in de twee laatstgenoemde steden een deeltijdopleiding verplegingswetenschap aan te bieden. Toen Ritzens afwijzing binnenkwam, waren de beide opleidingen al begonnen als 'nevenvestigingen' van de studierichting in Maastricht. Ze bieden alleen een 'doorstroomprogramma' aan, een curriculum dat ervan uitgaat dat studenten al een opleiding op het niveau van het hoger beroepsonderwijs achter de rug hebben. Het is dus aanzienlijk korter dan het reguliere onderwijsprogramma.

Ritzen wil van de twee nevenvestigingen in de verplegingswetenschap echter niets weten, zo schreef hij ten slotte in september vorig jaar, omdat hij bang is dat ze worden gebruikt om in Groningen en Utrecht toch volledige studierichtingen op te zetten. En dat mag niet: de minister wil eerst weten wat de uitkomsten zijn van de evaluatie van de Maastrichtse opleiding, die in de loop van de jaren negentig wordt gehouden.

Kramer ontkent echter met klem dat Groningen en Maastricht denken over een volledige studierichting. Volgens hem gaan de ambities van Groningen en Utrecht niet verder dan het te zijner tijd aanbieden in voltijds onderwijs van een tweejarig doorstroomprogramma. “Dat hebben de drie universiteiten ook zo opgeschreven, maar voorlopig willen wij daar zelfs nog helemaal niet aan denken.” Ook het verwijt van de minister dat de docenten in Groningen en Utrecht zelf wetenschappelijk onderzoek willen gaan doen, noemt hij merkwaardig. “Wij geven toch universitair onderwijs en is daarvan niet het kenmerk dat de docenten getraind zijn en blijven in het wetenschappelijk onderzoek?”

De minister heeft er overigens wel mee ingestemd dat technische universiteiten elders vestigingen mogen hebben waar een propaedeuse wordt verzorgd. De Universiteit Twente doet dit al geruime tijd in Leeuwarden, Eindhoven wilde dat komend jaar gaan doen in Utrecht, maar zag daar onlangs wegens gebrek aan belangstelling van af. In Delft wordt nog gediscussieerd over de vraag of het Amsterdam danwel Haarlem moet worden.

Dat zijn echter vestigingen waar geen universitair onderzoek wordt gedaan, aldus Ritzen. De nevenvestigingen van de technische universiteiten dienen bovendien om meer studenten naar de technische wetenschappen te lokken. Hun wordt immers in belangrijke mate bepaald door wat de universiteit of hogeschool in hun omgeving aanbiedt.

Volgens Kramer geldt ook voor Groningen en Utrecht de regionale spreiding als argument. “Hier is het zelfs een noodzaak, want je kunt van studenten die vrijwel allemaal al een zware baan hebben niet verwachten dat ze regelmatig heen en weer naar Maastricht reizen”, aldus de decaan.

Verplegingswetenschap kan pas sinds 1980 aan de Maastrichtse Universiteit worden gestudeerd, als een van de afstudeerrichtingen in de gezondheidswetenschappen. In veel andere westerse landen wordt verpleegkunde al veel langer op academisch niveau bestudeerd en onderwezen; in de Verenigde Staten had halverwege de jaren tachtig al ruim zes procent van de verpleegkundigen een academische titel behaald en was een procent gepromoveerd.

In de verpleegkunde is al enkele decennia sprake van het vergroten van kennis en status. De belangstelling voor de hogere opleidingen blijft toenemen. De laatste jaren leveren de hogescholen jaarlijks zo'n 1.200 verpleegkundigen af. Onder hen is de behoefte aan een verdere academische opleiding groot. Toen in april 1988 duidelijk werd dat ook in Groningen en Utrecht mogelijk verplegingswetenschap zou kunnen worden gestudeerd, ontstond een grote toeloop: in Maastricht meldden zich voor het volgende studiejaar 150 belangstellenden, in Groningen en Utrecht honderden potentiele studenten.

Kramer pleit al vele jaren voor meer aandacht voor de verpleging. Die vormt volgens hem nog steeds de sluitpost in elke discussie over veranderingen in de gezondheidszorg. De besten geven het beroep na enige tijd op, signaleert hij. Een kwart van de verpleegkundigen is drie jaar na het afronden van hun opleiding vertrokken. De gemiddelde 'levensduur' van een verpleegster is zeven jaar.

“Een studie verplegingswetenschap kan het beroepsperspectief vergroten en leidt ook tot verbetering van de status van de verpleegkundige. Maar ook los daarvan vergen de veranderingen in de gezondheidszorg steeds vaker een academische habitus van de verpleegkundige. De verpleegkunde en alles wat daar bij komt kijken, is een steeds belangrijker object van wetenschappelijk onderzoek.”

Daarnaast vindt Kramer het “een grof schandaal” dat in academische ziekenhuizen de hoogst betaalde, zeer ervaren verpleegkundige maandelijks maar zo'n vijfduizend gulden bruto krijgt, “terwijl de eerste de beste basisarts die nog nat achter zijn oren is met zesduizend gulden per maand begint”. “En dat alleen omdat een achterhaalde opvatting ervan uitgaat dat een dokter meer verantwoordelijkheid zou dragen.”