Segregatie in onderwijs wordt zorgwekkend

Onderstaande tekst is een gedeelte uit de toespraak die de voorzitter van de SER, onlangs voor de Stichting Onderwijsbeleid heeft gehouden.

Hoe het met het onderwijs in de jaren negentig zal gaan is nog niet te voorspellen. Helaas geeft de onderwijsbegroting voor 1991 - de eerste begroting van het 'nieuwe duo' op onderwijs - daarvoor weinig sleutels. Een visie op het onderwijs zelf ontbreekt daarin. De nadruk ligt op de verbreding van het maatschappelijk draagvlak voor het onderwijs met een schuin oog naar daaraan gekoppelde nieuwe financieringsbronnen en het beheersbaar maken van de eigen onderwijsbegroting. Zo zie ik door mijn wimpers een interessante ontwikkelingslijn: tot het einde van de jaren zeventig was het onderwijs als kerntaak van de overheid nagenoeg gratis, daarna werd de leerling financieel aangesproken en nu - zij het aarzelend - het bedrijfsleven. Maar bij het laatste lijkt de hand sneller dan het hoofd, want de claims gaan voor de convenanten uit.

Intussen is wel duidelijk dat zich voor het onderwijs nieuwe uitdagingen aandienen. De onderwijspacificatie van 1917 kon uiteraard nog geen rekening houden met de vraagstukken van multiculturele differentiatie van nu, maar heeft daar wel gevolgen voor. Zo ontstaan in ons denominatief vormgegeven onderwijs nu islamitische of hindoestaanse scholen. Onze Grondwet nodigt hiertoe uit. De eerste ervaringen leren dat deze vorm van sociale selectie goede resultaten afwerpt, juist ook op het punt van de integratie in de maatschappij.

Een verzuilde socialisatie maakt kennelijk de emancipatie en integratie eenvoudiger, dan het meedraaien van, zeg, Turkse kinderen in Nederlandse klassen. Daarnaast zien we in onze steden het dubbelmechanisme optreden van het ontstaan van blanke bijzonder-neutrale scholen en van zwarte scholen, de laatste meestal van openbare signatuur. De kans dat een dergelijke segregatie de integratie van minderheden juist tegenwerkt, is groot en het verschijnsel is daarom, hoe begrijpelijk ook, zorgwekkend. Hier doorbreekt het onderwijs de kansverdeling in het geheel niet en wordt er veeleer een grondslag gelegd voor etnische discriminatie, ook op de arbeidsmarkt. Het is bekend dat de schoolprestaties van allochtone kinderen achter blijven bij die van autochtone. Uit onderzoek blijkt ook, dat het onderwijsniveau van autochtone leerlingen sneller stijgt dan dat van allochtonen; de relatieve achterstand wordt dus steeds groter.

Ik zou willen, dat we over deze schoolsegregatie open zouden kunnen praten zonder de taboeisering waartoe de pacificatie ons traditioneel uitnodigt.

Welke oplossingen ook worden gevonden voor het vraagstuk van de segregatie van scholen, het curriculum van alle zal op integratie gericht moeten zijn. Hier ligt dan ook een belangrijk punt voor de in te voeren basisvorming. Deze krijgt nog te weinig aandacht. Ik ben voorstander van de basisvorming, omdat zij expliciet gericht is op vermindering van sociale selectiviteit door het vermijden van een te vroege studie- of beroepskeuze en daarbij beoogt de gemeenschappelijke culturele basis te versterken, om zo de gevolgen van de sociaal-economische en de etnisch-culturele achtergrond te verkleinen.

De instrumentering van de basisvorming dient van een zodanige kwaliteit te zijn, dat die doelstellingen worden bereikt. In lijn hiermee ben ik voorstander van vrij grote en brede scholengemeenschappen, die ook het LBO omvatten.

Overigens zijn in de inrichting van ons onderwijs zeker niet allen belangen van levensovertuiging en etniciteit verdisconteerd. Een tweede lijn ligt in de eisen die de economie stelt. Het onderwijs wordt steeds meer gewaardeerd op effectiviteit en efficiency. De discussie over het bijzonder onderwijs (als die er al is) spitst zich vaak toe op het feit dat enerzijds bijzondere scholen het beter doen en dat de verzuiling anderzijds zo kostbaar zou zijn. Het gaat daarbij steeds minder om een ideologisch debat. Ik denk dat de economische waarden ook in de jaren negentig het debat blijven beheersen.

Zo zijn er in de naoorlogse ontwikkeling van het onderwijsbestel steeds momenten geweest waarop een nieuwe 'schoolstrijd' dreigte te ontstaan. Nieuwe maatschappelijke behoeften dienden zich aan en dienden verdisconteerd te worden in het onderwijsbeleid. Het onderwijs werd pluriformer en de doelstellingen breder van karakter. In ieder onderwijsadvies van de SER wordt er op gewezen dat het onderwijs drie doelstellingen kent: een individuele (bijdrage aan de persoonlijke ontplooiing), een sociaal-culturele (voorbereiding op het maatschappelijk functioneren) en een sociaal-economische (voorbereiding op het beroepsmatig funktioneren).

Op zichzelf is daarin het gepacificeerde konflict van de verzuilde samenleving al nauwelijks meer herkenbaar, maar er lijkt wel een andere tegenstelling voor in de plaats gekomen, die van de relatie tussen het sociaal-economische aspekt en het sociaal-culturele of individuele aspekt.

Impliciet wordt vaak verondersteld dat een grotere aandacht voor de sociaal-economische doelstelling afbreuk zou doen aan de beide eerstgenoemde doelstellingen. Ik vind dat een schijn-tegenstelling. In onze samenleving kan de burger niet goed participeren, als niet aan alle drie aspecten evenredig aandacht wordt besteed. Het gaat hier dus om een geintegreerde doelstelling. (...) De technologische ontwikkeling (vooral de informatietechnologie) zal verstrekkende veranderingen in de samenleving teweegbrengen. Wat dit betreft staan we nog aan het begin van de ontwikkeling. In termen van onderwijs: informatica is een nieuw vak dat eerst moeten worden geleerd om daarna hulpmiddel te zijn in een gevarieerd gebied van toepassingen. Wat mij zorgen baart, zijn de geluiden als zou de Europese economie aanmerkelijk minder expansie-kansen hebben omdat wij, vergeleken met de Verenigde Staten en het Verre Oosten, maar weinig aandacht hebben voor de toepassingen van de informatica. Zo zouden Nederlandse bedrijven meer dan in de VS en Japan de automatisering en informatisering van hun bedrijf uitbesteden aan specialisten, waardoor de mogelijkheden van de informatie-technologie geen geintegreerd onderdeel vormen van ondernemerschap en bedrijfsbeleid. Wellicht dreigt op dit punt een nieuw analfabetisme te ontstaan.

De technologisering raakt het onderwijs in diverse opzichten, zowel direct als indirect. Direct, omdat het belang van basale cognitieve vaardigheden toeneemt en informatiekunde aan dit pakket zal worden toegevoegd en tot nieuwe vakken en afstudeerrichtingen zal leiden.

Belangrijker lijkt mij dat ook het onderwijsproces de invloed van de informatietechnologie zal ondergaan en nieuwe methoden van kennisoverdracht zal stimuleren of zelfs noodzakelijk maakt.

Indirect wordt het onderwijs beinvloed via de eisen van de arbeidsmarkt. Beroepen en functies worden kennis-intensiever en veranderen van karakter. Er ontstaat vraag naar een nieuw type vakmanschap, waarbij naast specifieke vakkennis het beheersen van een breed pakket van technische en sociale vaardigheden nodig wordt. (...) De internationale technologisering stelt eisen. Maar internationalisering vraagt er ook rechtstreeks om dat we meer aandacht schenken aan de Europese cultuur en de mondiale staatsburgerlijke vorming. Dat vraagt om behoud van Engels, Duits en Frans in het voortgezet onderwijs, om intensivering van uitwisselingsprogramma's, voor docenten en studenten maar ook voor onderzoekers, en om een gerichte orientatie op de ontwikkelingen binnen de Europese arbeidsmarkt.

Een derde belangrijke tendens is die van de individualisering, die verwijst naar verzelfstandiging en emancipatie van mensen. Een aspect hiervan is dat meer dan ooit de individuele burger wordt aangesproken op zijn 'plicht' een bijdrage te leveren in het arbeidsbestel. Dit vereist een arbeidsmarktbeleid met een sterke scholingscomponent. Door de complexiteit van de samenleving en de steeds hogere eisen van de arbeidsmarkt, neemt het beroep op de individuele competentie van de burger toe. Uiteraard zal het onderwijs die competentie moeten versterken. Een andere conclusie is dat het onderwijs sterker moet aansluiten op de behoeften van de markt. Behoeften die worden geformuleerd door de burger zelf en door werkgevers.

Economie en samenleving worden in toenemende mate kennis-intensiever. De technologische ontwikkeling versnelt de veroudering van kennis. Het is dus een illusie te menen dat educatie en scholing beperkt kunnen blijven tot een bepaalde levensperiode. In toenemende mate besteden volwassenen in de actieve periode van hun leven tijd aan onderwijs.

Het bedrijfsleven geeft substantiele bedragen uit aan scholing. Toch is het principe van wederkerende educatie nog nauwelijks geaccepteerd.

Ondernemingen kunnen op verschillende manieren reageren op een geconstateerd scholingstekort. Die manieren varieren naar de mate waarin bedrijven faciliteiten creeren voor het personeel. Ik noem er in navolging van de OESO drie: a. The human resources strategie richt zich op versterking van het menselijke potentieel in de onderneming. Goed en breed geschoolde werknemers worden door intensieve 'on- en zelfs off-the-job'- training aan de onderneming gebonden. Door taakroulatie ontstaat breed vakmanschap.

b. De polarisatiestrategie, richt zich op de 'kern'-werknemers, die een stabiele positie op de interne markt van de onderneming hebben.

Daarnaast bestaat een segment van vaak mobiele werknemers, die niet door het scholingsbeleid worden bereikt.

c. Een mobiliteitsstrategie, vooral toegepast door ondernemingen die in staat zijn hooggeschoolde werknemers aan te trekken. Interne scholingsmogelijkheden zijn afwezig of geintegreerd met het werk.

Maatschappelijk is een human resource-benadering gewenst, mits deze er ook op is gericht om externe mobiliteit mogelijk te maken. Het bedrijfsleven draagt zo gezien een belangrijke verantwoordelijkheid voor het handhaven en bevorderen van het scholingsniveau van de werkenden. Scholing behoeven bedrijven echter niet altijd zelf te doen. Het is van groot belang dat de opleidingsvraag terecht kan bij de instituten die ook de initiele opleidingen verzorgen.

De noodzakelijke ontwikkeling naar een stelsel van wederkerende educatie kan aanzienlijk worden gestimuleerd door in het arbeidsvoorwaardenoverleg hiervoor middelen vrij te maken en de modaliteiten vast te leggen. Ik zou willen pleiten voor een benadering, waarbij het geheel van wensen ter zake van flexibiliteit in de onderneming, kwalificatie, herverdeling van arbeid en de verlofregelingen in een meer geintegreerde strategie bijeen worden gebracht.