Raad v.d. Kunst: laat tv meebetalen aan filmproduktie

AMSTERDAM, 19 april - De Raad voor de Kunst dringt bij minister d'Ancona (WVC) aan op een grotere bijdrage van de televisie bij de financiering van films. Het advies is een reactie op de brief over het filmbeleid die d'Ancona eind januari uit liet gaan.

In 1986 bleek al uit het rapport 'Film en Publiek' dat 70 procent van het publiek voor Nederlandse films die films op televisie ziet.

Twintig procent van het publiek dat een Nederlandse film wil zien, huurt een video. Nog maar tien procent ziet zo'n film in de bioscoop.

Hoewel sinds 1986 het Stimuleringsfonds en het CoBO-fonds uit omroepmiddelen aanzienlijk in film hebben geinvesteerd (in 1990 samen 10 miljoen gulden tegenover totaal 12,5 miljoen gulden van Filmfonds en Productiefonds), noemt de Raad voor de Kunst die ontwikkeling “nog niet ingrijpend genoeg”.

De Raad voor de Kunst vergelijkt het gedrag van omroeporganisaties bij de aankoop van films met dat van “zwartrijders in de financieringstram, die het zich permitteren op een enkele strip talloze zones te doorkruisen”. De komst van de commerciele zender RTL4 ziet de Raad als een bres in het omroepkartel die “alleen al in dit marktstrategische opzicht een verademing betekende”.

Doordat de prijs van het bioscoopkaartje blijft stijgen, “sorteert de op grond van politiek-strategische overwegingen genomen beslissing de luister- en kijkgelden te bevriezen, een onvoorzien en ongewenst cultuur-politiek effect, dat helaas niet wordt bestreden”, zo stelt de Raad in zijn advies aan d'Ancona.

De suggestie van de minister om het subsidiestelsel van de Nederlandse filmproduktie op vier punten te herzien, wordt door de Raad in grote lijnen onderschreven. De Raad meent dat subsidiebesluiten afhankelijker mogen worden gemaakt van marktoverwegingen, de kwaliteitsnormen moeten worden verscherpt, er meer aandacht moet zijn voor de continuiteit van een kleinere groep cineasten en producenten, en beginnende filmmakers beter moeten worden begeleid. Die verbeteringen kunnen volgens het advies ook aangebracht worden binnen het huidige subsidiestelsel.

Het idee om een een werkplaats voor jong talent in te stellen, mag volgens de Raad voor de Kunst niet ten koste gaan van het produktiebudget van Filmfonds en Produktiefonds. Ook een door de minister geopperde fusie tussen beide fondsen mag in elk geval geen inbreuk maken op de verworvenheden van elk van beide fusiepartners.

Naast het voor d'Ancona belangrijkste advieslichaam hebben vele andere instanties en personen gereageerd op haar gedachten over een stroomlijning van het subsidiestelsel voor filmprodukties. Zo stelt de producent Rob Houwer, vice-voorzitter van het Filmfonds, op persoonlijke titel een 'structuurplan' voor, waarin beide fondsen in stand blijven. Het Filmfonds zou over het totale budget van beide moeten beschikken. Het Productiefonds mag volgens Houwer nog alleen bedrijfsmatige overwegingen maken, zodat het onder Economische Zaken komt te ressorteren.

Houwer stelt bovendien voor op de begrotingen van twee andere departementen twee nieuwe filmfondsen te plaatsen: een Nederlandse Filmwerkplaats bij Onderwijs en Wetenschappen en een Fonds voor de Nederlandse Film- en Cinemacultuur, dat gevoed moet worden uit de nu naar het ministerie van Financien stromende BTW-opbrengsten uit de bioscoop. Dat laatste fonds zou min of meer automatisch commercieel succes of bekroning op internationale festivals moeten belonen.

Volgens Houwer is de huidige ondersteuning van de filmproduktie in Nederland met 80 cent per inwoner 'schamel' vergeleken met die in omringende landen (vier gulden per inwoner in Denemarken, bij voorbeeld) en meent dat voor de harmonisatie van de Europese markt op 1 januari 1993 de overlevingskansen van de Nederlandse filmcultuur veilig gesteld moeten worden in een 'eigen, structureel en financieel volwaardig subsidiesysteem'.