Ministers: beter bouwen vraagt eerder een andere mentaliteit dan meer geld; Architectuurbeleid is enthousiasmeren

Gisteren verscheen de lang verbeide Nota Architectuurbeleid. Een gesprek over de totstandkoming, de achtergronden en de verwachtingen van 'Ruimte voor Architectuur' met de verantwoordelijke ministers van WVC en VROM.

DEN HAAG, 19 april - Elco Brinkman en Ed Nijpels zijn dol op architectuur. Getuigen die de beide voormalige ministers hebben meegemaakt, schilderen het hartverwarmende beeld van twee jongens die, steeds als ze elkaar op een vrij moment in het Kamergebouw tegenkwamen, in een hoekje gingen zitten om over hun passie te praten.

Uit deze samenzwering is gisteren uiteindelijk, na lang wachten de eerste Nederlandse Architectuurnota voortgekomen.

De opvolger van Brinkman, WVC-minister Hedy d'Ancona op haar departementale kamer tussen een Constant, een Van Bohemen en een Westerik: “Ik leefde ook altijd in de veronderstelling dat het lang heeft geduurd. Maar als je het werkelijk nagaat, valt het reuze mee.

Twee departementen zijn er intensief bij betrokken geweest en zeven andere zijdelings. Dat in aanmerking genomen, is het helemaal niet zo lang. Bovendien zat er nog een kabinetsval tussen. Vergelijk het maar eens met andere nota's, bijvoorbeeld de Vierde nota ruimtelijke ordening, die heeft nog veel langer geduurd, maar dat weet Hans beter.

De opvolger van Nijpels, VROM-minster Hans Alders, op de thee bij zijn collega van WVC: “Voor de Architectuurnota zijn een heleboel voorstudies verricht. Er is lang over gesproken, ook door ons zelf. Je voortdurend afvragen: welke kant gaan we op? We hebben ons ook extern laten adviseren door de commissie Schut (dr. ir. W.F.Schut, van 1968 tot 1974 minister van Volkshuisvesting, mvr). En de samenwerking met negen departementen is ook tijdrovend geweest. Waarom negen departementen? Omdat zij bouwen. Dan zeg je tegen die departementen: goh, zou je het niet eens een beetje anders kunnen doen. De eerste opmerking die terugkomt is: dat kost geld. Dan begint het overtuigen.

Dat er op een andere manier over het ontwerp kan worden nagedacht, over de plaats, over het gebouw in de omgeving. Zo moet een proces op gang worden gebracht bij bouwafdelingen met mensen die gewend zijn te calculeren: zoveel vierkante meter tegen die gemiddelde prijs, levert zo'n gebouw op. Als je dat wilt veranderen, moet dat heel zorgvuldig worden voorbereid om te voorkomen dat je bemoeizucht wordt verweten.

Zo gezien is de Architectuurnota er nog vrij snel gekomen.'' Waarom is deze nota noodzakelijk?

d'Ancona: “De motieven zijn voor ons niet precies dezelfde. Ga je uit van verbetering van de gebruikswaarde van de architectuur - Nederlandse architecten hebben zich altijd zeer op de gebruikswaarde toegelegd - de toekomstwaarde en de culturele waarde, dan is het voor een minister van cultuur logisch dat de culturele waarde het belangrijkste is om aan zoiets mee te doen.

“Er wordt onvoldoende gebruik gemaakt van de makkelijkste en meest democratische mogelijkheid die er bestaat om mensen bewust in aanraking met cultuur te brengen, zonder dat ze daarvoor cursussen hoeven te volgen of moeten worden bijgeschoold. Die mogelijkheid is de confrontatie met de gebouwde omgeving. Op zo'n Architectuurdag, zo'n Monumentendag zie je dat het mensen werkelijk interesseert. Wordt er iets provocerends neergezet, dan gaat het gesprek daarover.”

“Wij zijn dol op het publieke debat. Ik vind dat het publieke debat rond de cultuur moet worden aangemoedigd en dat gaat met architectuur en met stedebouw eigenlijk op een heel vanzelfsprekende manier. Ik denk dus dat je een heel grote verantwoordelijkheid hebt wanneer je in dit piepkleine land, waar nog heel weinig bij kan, de ruimte gaat invullen. Maar is de gebouwde omgeving in cultureel opzicht goed, dan draagt dit bij aan de toekomstwaarde en heeft dat ook een financiele component.”

Het ergste zijn de brainparcs in de periferie van zo langzamerhand al onze steden, de anonieme bedrijfsgebouwen, plompverloren in de grond gepoot, zonder samenhang, zonder stratenplan, zonder trottoirs.

d'Ancona: “Omdat het niet de bedoeling is dat mensen zich zelfs maar buiten zo'n gebouw bevinden. Ze worden afgeleverd. Het zijn natuurlijk gruwelijke, onherbergzame oorden.”

Zijn zulke oorden met architectuurbeleid van de overheid te bestrijden?

d'Ancona: “Of je met het stimuleren van het goede al het kwade tegenhoudt, is de vraag. Maar ik denk dat we een stukje komen, want het is de eerste keer dat de overheid naar buiten treedt met een zo breed verhaal over de kwaliteit van de gebouwde omgeving en een poging doet alle betrokkenen in het bouwproces te beinvloeden, de helpende hand te bieden, te stimuleren en te belonen waar het goed gaat.”

“We moeten condities scheppen, instrumenten aanreiken, informatie verschaffen. Duidelijk maken dat wanneer het gaat om het invullen van de ruimte, het vooral gaat om de onlosmakelijke samenhang tussen architectuur en stedebouw. Er zijn een paar voorbeelden waar het goed is, of lijkt te worden. In Groningen en de stedebouwkundige opdracht aan Jo Coenen in Maastricht. Maar die nota is natuurlijk verschenen omdat we ontevreden zijn. De ontwikkelingen langs de snelwegen, de brainparcs zouden niet mogen plaatsvinden. Maar hoe voorkom je het?”

Het VNO, nog bij monde van Van Lede, zegt ijskoud 'dat maakt het bedrijfsleven wel uit'.

Alders: “Daarom is Maastricht zo'n aardig voorbeeld. Om te beginnen hebben we daar het leveren van kwaliteit als eis gesteld. Dat staat ook in de subsidievoorwaarden. Kwaliteit is een voorwaarde om als 'sleutelproject' te worden aangewezen. We hebben uitvoerige discussies achter de rug met beleggers, ontwikkelaars, gemeenten, noem maar op, over hoe de randstad kan meedoen aan de internationale concurrentie.

Dan blijkt dat men het niet alleen heeft over de kwaliteit van de glasvezel die in de grond zit, maar ook over de samenstelling van de vestigingslokatie, de omgeving en de vormgeving. Enthousiasmeren is een heel belangrijk begrip.''

d'Ancona: “Het wordt beleggers en financiers soms duidelijk dat architectonische kwaliteit niet meer geld hoeft te kosten en toekomstwaarde geld kan opleveren. De NMB heeft zijn bijzondere gebouw er al lang uit. Het is in alle architectuurtijdschriften ter wereld verschenen en er komen voortdurend drommen mensen. Die pr is niet meer in geld uit te drukken. Daarvoor doe je het niet in de eerste plaats, maar het is wel een stimulerende factor. Men gaat toch denken: hadden we maar eens harder nagedacht in plaats van zo'n doos neer te zetten.

En ook het wel-bevinden van de mensen die er moeten werken wordt er beter van.''

Er zijn architectenstemmen die beweren dat menselijk geluk en architectuur niets met elkaar te maken hebben.

d'Ancona: “Daar ben ik het mee oneens. Ik schaar me achter Hertzberger. Ik ben het wel eens met Moshe Zwarts die zegt: er is geen determinisme. We zijn niet zo machtig dat we het menselijk geluk kunnen veroorzaken. Maar het is inspirerend om in een goed gebouw te werken en in slechte gebouwen kan de inspiratie je vergaan, dat geloof ik wel.”

Alders: “Het is aardig om te zien hoe laat mensen daar achter komen. Als je eens nagaat hoeveel projecten er in dit land worden heringericht, soms al na betrekkelijk korte tijd. En dat geldt niet alleen voor winkelcentra. Inrichting, ook van de ruimte, van wijken, is een heel dominante factor in het menselijk gevoel.

Moeten daarom plannen voor de inrichting van de ruimte - geen architectuur zonder stedebouw - niet altijd voorrang hebben? Moet in het vroegste stadium niet de vraag worden gesteld: wat is stedebouwkundig en architectonisch voor deze plek in deze stad het meest geschikt? In het geval van de IJ-oevers bijvoorbeeld, worden om te beginnen vragen gesteld aan beleggers en ontwikkelaars. Pas veel later krijgen architecten en stedebouwkundigen iets te horen, tenminste als de beleggers intussen niet met het bouwproject aan de haal zijn gegaan, zoals bij de IJ-oevers dreigt. Is dat, volgens de Nota Architectuurbeleid, niet de wereld op zijn kop?

d'Ancona: “Het lijkt me wel. De essentiele kwaliteitsvraag moet in een heel vroeg stadium van het proces worden gesteld, wellicht nog voordat er beleggers en financiers bij betrokken zijn. Dan moeten de uitgangspunten worden gekozen en daaraan moet de meeste tijd worden besteed. Daarvoor willen wij ook hand- en spandiensten verrichten, bijvoorbeeld met de middelen van het Stimuleringsfonds voor de Architectuur dat we hebben ingesteld. Middelen die er vooral op zijn gericht om een mentaliteitsverandering tot stand te brengen en de belangstelling voor de architectuur te bevorderen, want het zit hem beslist niet altijd in de grote hoeveelheid geld.

“Ik kan me zo goed voorstellen dat mensen woedend worden, als een stuk van hun stad wordt verziekt. Een gebouw is niet van een projectontwikkelaar of van een belegger, maar van iedereen. In juridische zin valt natuurlijk iets over het onderscheid te zeggen, maar er bestaat geen vorm van bezit waarmee anderen zo ongewenst worden geconfronteerd als deze vorm.”

“Ik word ook altijd heel boos wanneer mensen slechte dingen doen met de stad. Geemotioneerd, werkelijk. Je kunt als architect die verantwoordelijkheid natuurlijk heel zwaar opnemen, zo zwaar dat je bijna nooit meer iets neerzet. Er is een Belgische architect, Luc Deleu, die tekent de prachtigste dingen, maar bouwen durft hij niet, zo zwaar valt hem die verantwoordelijkheid. Dat spreekt me aan. Het idee dat je toch wel heel zeker van je zaak moet zijn, wil je voor zo'n lange tijd je denkbeelden materialiseren, andere mensen erin laten wonen of er gebruik van laten maken en veel meer andere mensen ernaar laten kijken.”