Minister wil herbezinning op regels van strafproces

DEN HAAG, 19 april - Een aparte “denktank” moet zich bezinnen op de richting waarin de regels in het Wetboek van strafvordering zich moeten ontwikkelen.

Dat heeft de directeur-generaal wetgeving van het ministerie van justitie, mr. D. van Dijk, namens minister Hirsch Ballin (justitie) vanochtend gezegd op een congres aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen. De minister was zelf wegens vergadering van de ministerraad verhinderd. Het congres was gewijd aan de vraag of het Wetboek van strafvordering moet worden herschreven.

Hirsch Ballin vindt dat er voldoende redenen zijn voor bezinning op de fundamenten van de Nederlandse strafproceswetgeving. Nieuwe vormen van zware internationale criminaliteit en anderzijds toenemende rechtsbescherming van de verdachte op grond van Europese rechtspraak nopen daartoe.

“Onze samenleving kent heden ten dage in toenemende mate nieuwe vormen van zware criminaliteit, zoals handel in verdovende middelen, wapenhandel, vrouwenhandel, milieucriminaliteit en fraude. Typerend voor sommige van deze vormen van criminaliteit is het lucratieve, professionele en internationale karakter ervan”, aldus de minister.

Hij is van mening dat deze nieuwe vormen van criminaliteit vragen om “een internationalisering van het opsporingsonderzoek en om nieuwe opsporingsmiddelen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van richtmicrofoons.” Het Wetboek van strafvordering is volgens de bewindsman “alom bewonderd maar geenszins sacrosanct”.

Hirsch Ballin is al met de in 1988 ingestelde adviescommissie herijking Wetboek van strafvordering (de commissie-Moons) in overleg om door te gaan met de advisering over gedeeltelijke aanpassingen van het wetboek. De denktank die de minister voor ogen staat zou zich daarnaast in het licht van de Europese rechtsontwikkeling moeten buigen over de richting waarin de strafvordering zich moet bewegen.