Marilou

Wie knoeit er nimmer met haar eten? Een meisje, Marilou geheten; Zij draagt een kanten hemd en broekje, En leest hardop uit een boekje; Nog nooit heeft zij de school verzuimd, Steeds haar speelgoed opgeruimd, Haar Teddies netjes opgeborgen, Nooit iets uitgesteld tot morgen; Maar weet je waar zij toe in staat is, Wanneer op school de juffrouw kwaad is? Dan trekt zij, naar de klas gericht, Haar boa-lust-konijngezicht. Niets dat haar evenwicht verstoorde, Zij spreekt steeds keurig met twee woorden, Je hoeft iets nooit twee keer te vragen, En nooit zal zij haar zusjes plagen, Maar soms, als je je hielen licht Trekt zij een regenwormgezicht. Haar hongerige tijgerblikken Maken dat je flink kan schrikken En als je 's nachts het licht aandoet, Dan zie je soms haar zeehondsnoet; Draai je dan het licht weer uit, Doet ze nog gauw een varkenssnuit. Haar moeder, niet van ernst verstoken, Heeft haar vermanend toegesproken: Als je de klokken twaalf hoort slaan Blijft je gezicht voorgoed zo staan! Ze had haar hielen niet gelicht, Of Loulou deed haar mopsgezicht. Toen sloeg het twaalf, owee owee, Nu zit het arme kind ermee, Nu moet ze met een mopskop lopen. Zij bleef nog op verlossing hopen, Maar sindsdien is het zo gebleven, Ze moet er nu mee leren leven. Ze draagt nog altijd kanten broekjes, Maar hapt soms naar de schaal met koekjes; Ze zit te brommen en te blaffen, Zodat haar moeder haar moet straffen. Toch heeft ze het niet erg gevonden: Haar beste vrienden zijn ook honden.

Dat van dat gras was maar gelogen.

Want net voordat zij werd gewekt,