Man tegen man

Tim Krabbe: De matador en andere verhalen. Uitg. Bert Bakker, 191 blz. Prijs:(f) 29,90 (ingen.), (f) 39,90 (geb.)

Tim Krabbe wordt niet graag voor een sportschrijver gehouden, uit angst waarschijnlijk om in literaire kringen niet helemaal voor vol te worden aangezien. Aan sport schijnt nu eenmaal iets onkunstzinnigs te kleven. Met boeken als De renner (1978) en 43 wielerverhalen (1984) laadde hij intussen wel enige verdenking op zich.

Ook in zijn nieuwe bundel De matador staan een paar heuse sportverhalen, al geloof ik niet dat het de sport zelf is, die aan die verhalen iets toe- of afdoet. 'De scherprechter van Korfoe' is een flauw wielergeschiedenisje, waarin een oude rekening wordt vereffend.

Een vijftigjarige 'literaire wielrenner' ontmoet wel heel toevallig op Korfoe de Brit die hem ooit uit de Tour de France reed en daarmee zijn carriere knakte. Op zijn beurt knakt hij nu het voorwiel van de Brit.

'Hij schreeuwde van het lachen', heet het dan weinig subtiel. Veel mooier is het schaakverhaal 'Meester Jacobson', over een weinig getalenteerde beroepsschaker. Krabbe laat de man leven tussen hoop en vrees. De ene keer weet hij zich de evenknie van de een-na-beste schaker ter wereld, de andere keer voelt hij zich in het nauw gedreven door een twaalfjarig jongetje, dat hem heeft verleid tot correspondentieschaak. Om zijn zelfvertrouwen niet helemaal te verliezen beschouwt hij zichzelf als een creatieve schaker, als een onpartijdige genius die zich niet met zoiets banaals als Wit en Zwart inlaat, maar die uitsluitend interessante stellingen analyseert. Maar als hij in een tweestrijd aan de winnende hand meent te zijn, denkt hij er weer heel anders over: “Die verheven strijd van de kunstenaar tegen zijn materiaal, dat was een uitvlucht geweest; een zelfverbanning voor mislukte schakers. Puzzelritten in plaats van ontdekkingsreizen; het echte schaken was gewoon man tegen man, straatvechten met onbekende afloop.”

Misschien is Krabbe wel veel meer sportschrijver dan hij zelf denkt. Niet omdat er zoveel racefietsen, schaakborden, pingpongbatjes en speeltafels in zijn verhalen voorkomen, maar omdat zijn personages onophoudelijk competitie voeren. Man tegen man-gevechten zijn het, die steeds op een of andere manier met de liefde verband houden. Een enkele keer moeten zij het opnemen tegen een muizige intellectueel.

Maar vaker stuiten zij op de matadoren uit de samenleving die niet hebben doorgeleerd, maar wel het recht kennen van de sterkste: de autosloper, de bouwvakker, de terrorist.

In De matador regeert het lichaam over de geest. Zelfs in 'Meester Jacobson' zjn de gebeurtenissen belangrijker dan de psychische verwikkelingen. Krabbe is een realist, maar dan van het avontuurlijke soort. Hij moet het niet hebben van filosofische overwegingen, verfijnde stijlmiddelen, of een ingenieuze compositie, maar van veel toeval, een spannende intrige en sinistere ontknopingen. Net als Siebelink heeft hij een speciale neus voor het dramatische en sensationele dat schuilgaat achter het alledaagse, en net als Siebelink loopt hij die neus soms net iets te ver achterna.

Het drama bevindt zich in alle gevallen in het hopeloze telaat waarmee de figuren van Krabbe kampen. Zij kijken terug op een grotendeels voorbij leven en op voorbije liefdes. De gevechten die zij leveren zijn niet meer dan schijn- of achterhoedegevechten. Hun eigenlijke tegenstander is niet van vlees en bloed. Het is de tijd zelf die zij proberen in te halen en het is dan ook niet verwonderlijk dat er in De matador weinig te vieren valt.

Desalniettemin is Krabbe's toon droogkomisch tot opgewekt en helemaal niet sentimenteel of alarmerend, zodat de klap soms hard aankomt. In het titelverhaal laat hij een man rondtoeren in Baskenland, die nog eenmaal de plaatsen wil bezoeken die hem herinneren aan zijn eerste liefde. Langzaam begint het hem te dagen dat er in twintig jaar wel het een en ander veranderd is. De streek die toen nog onder de duim werd gehouden door Franco, is er niet gezelliger op geworden. “Er lag sneeuw, hoe hoger hij kwam hoe meer matte, grijzige sneeuw. Veel tekenen van leven waren er niet; af en toe een terrasmuurtje dat nooit zo oud of ingezakt kon zijn of het was wel voorzien van de kaarsrechte letters: ETA. Je vroeg je af hoe de sneeuw het zich hier kon permitteren om er zo ongeengageerd bij te liggen.”

Natuurlijk is het niet de sneeuw, maar de argeloze toerist op zoek naar de verloren tijd, die zijn politieke onbenul duur zal moeten bekopen.

Het wemelt in De Dikke Man van de hoofdletters: van Puisterige Jongemannen, Ironische Ontwerpers en Melancholische Psychologen. Al die hoofdletters willen, denk ik, duidelijk maken dat De Dikke Man in een opgeblazen en onpersoonlijke wereld leeft. Het is de holle, ons-kent-ons-wereld van de media waarin hij zich weliswaar tobbend, maar toch ook met enige gretigheid voortbeweegt. De Dikke Man is een dubbelzinnig boek. Want hoe leeg de wereld van de media ook mag zijn, het is altijd leuk om het erover te hebben, over De Diklippige Columnist, De Intellectuele Televisie-Interviewer, De Lawaai-Journalist of over De Volledig Blonde Presentator. Ook voert De Dikke Man graag dit soort conversaties: “'En dan, in welke periodiek zou ik vandaag de dag nog willen publiceren? In De Scheveningse Klok, soms?' - 'Je verzorgde toch ooit een niet onaardige rubriek in het eerlang linksprogressieve weekblad Hup Holland!' zei De Koele maar Geenszins Onaangename Dame!” De Dikke Man constateert in de voze wereld om hem heen geen wezenlijke behoeften, maar een onstelpbare behoefte aan behoeften. Het is precies deze behoefte die ook door Ischa Meijer met overgave wordt gevoed.