Lente

Om te weten hoe de Lente eruit ziet, moet je je wenden tot de kunst. Zo is het met alles: je komt pas te weten wat het is nadat een kunstenaar het heeft behandeld. Maar toevallig diende de Lente zich aan als onderwerp voor dit stukje; vandaar. Het begint met de Lente van Gorter, niet Herman de dichter maar A.M. de schilder. Nooit van gehoord waarschijnlijk.

In Amsterdam, op de hoek van de Jacob Obrecht en de Johannes Verhulststraat was vroeger de ongelofelijk mooie winkel van een slager. In de muur achter zijn toonbank waren vier tegeltableaus gemetseld die de jaargetijden voorstellen. De Lente is gemaakt naar een schilderij van A.M. Gorter. Na de slager kwam er een broodjesman.

Ik hield mijn hart vast want een nieuw broodjesbedrijf moderniseert, dat is een wet van Meden en Perzen; maar deze broodjesman spaarde de tableaus. Hij kon het in die buurt niet bolwerken en verkocht de winkel aan een Italiaan. Gevoelig voor alles op de muur, zoals zijn cultuur daartoe verplicht, heeft ook die eigenaar de tableaus gespaard. Op de gure voorjaarsmorgen van de achttiende april heb ik er, in verband met dit stukje, door het raam gegluurd want je moet ergens beginnen.

Op de Lente van Gorter zien we een landweg met een bocht erin waardoor de parallel lopende sloot een flink stuk oppervlak toont. Langs de sloot staan knotwilgen, langs de weg berken. In de kromming loopt een vrouwtje in klederdracht, niet zo jong meer, eerder afgesloofd. Bij haar is het geen lente terwijl het in de rest van de natuur juist begint: het jonge groen schiet uit de knop. Heeft Gorter daarmee die verschrikkelijke tegenstelling willen tonen? We kunnen het hem niet meer vragen. Hij is geboren op 3 december 1866 en gestorven op 16 augustus 1933. Willink heeft ook zo'n wat gesloofde vrouw op een schilderij: de Jobstijding. Die is daar min of meer toevallig terecht gekomen. Het was al af, de kunstenaar deed zijn bekende twee, drie pas achteruit om te zien of alles klopte, vond dat er iets aan ontbrak en schilderde toen die hollende vrouw met de brief in haar hand. Dat tekent de meester: met de voltreffer van zijn instinct er datgene aan toevoegen waardoor het onvergankelijk wordt. Dat heeft de vrouw van Gorter in ieder geval niet voor zijn schilderij gedaan. Maar aan het landschap kun je wel zien dat het nog guur is, Hollands waterkoud, en ook dat is al heel wat.

Waar zou ik nog meer Lente kunnen vinden? Ik vroeg het aan Theo Kurpershoek die op dit gebied alles weet. Je moet naar het Stedelijk, zei hij. Lente in overvloed; de tentoonstelling van de Negentiende-eeuwers. Er was wel het een en ander maar of het nu aan mij lag - ik weet het niet - de Lente kwam in ieder geval niet de lijst uit. De Winters van Breitner en Willem Witsen overheersten.

Ten einde raad een boekje met de Franse impressionisten gekocht. Renoir, Monet, Degas, Manet. Op hun schilderijen is het, als het op de jaargetijden aankomt vaker zomer: dicht gebladerte, mensen die niets ontberen, parasols, strohoeden en het warme licht van de julizon. In de Lente is er meer licht terwijl het kouder is. De achttiende april 1991 is daarvan een voorbeeld. Een goeie schilder krijgt ook de temperatuur op het doek. Manets Dejeuner sur l'herbe, ik ben er verliefd op. Als er dan toch een schilderij moet worden gestolen, dan dit, dat wil zeggen door mij.

Gorter bleef me bezighouden. Hij is 67 jaar geworden, heeft daarvan misschien wel veertig jaar geschilderd en hij heeft het niet tot de Winkler Prins gebracht maar wel tot een tegeltableau in een vroegere slagerwinkel in Amsterdam. Wat zou je zelf als schilder liever willen?

Nader onderzoek leert het volgende. Hij heet Arnold Marc en hij heeft vijftig jaar na zijn dood een solotentoonstelling gehad: De andere Gorter, nauwelijks bekende studies van een landschapschilder, in het Rijksmuseum Twente, in Enschede. Daarna werden nog Zutphen, Almelo (zijn geboorteplaats) en Assen aangedaan maar de hoofdstad opnieuw niet gehaald.

Het is niet mijn bedoeling ervoor te pleiten dat nu ook de Amsterdamse bevolking met Gorters werk kennis zal maken: er is hier al genoeg te genieten, zou je zeggen. Het gaat om het toeval: hoe een onbekende kunstliefhebber uit het slagersvak ongeveer honderd jaar geleden het besluit heeft genomen, zijn winkel kunstzinnig te versieren en hoe dat op dit ogenblik heeft geleid tot een stukje in de krant: een raadsel, zo groot dat het nooit valt op te lossen, al valt er wel een conclusie uit te trekken: dat de middenstand de kunst veel goed kan doen.

    • H.J.A. Hofland