Jazz van Clifford Brown en Roland Kirk; Navolgen is dodelijk

Clifford Brown: The complete EmArCy recordings of Clifford Brown (EmArCy 838 306-2) Roland Kirk: The complete Mercury recordings of Roland Kirk (Mercury 846 630-2).

Van alle Amerikaanse cultuurgoederen die na de Tweede Wereldoorlog door de Japanners werden omarmd was de jazzmuziek niet de minste.

Terwijl de Amerikaanse muziekindustrie de jazz vanouds beschouwde als een marginaal produkt om a fast bug mee te verdienen, ervoeren de Japanners the sound of surprise als moderne kunst. Dat deze waardering niet loos was, bleek uit de grote zorg voor het produkt, bij voorbeeld lp's. Terwijl Amerikanen de schappen van tijd tot tijd volpropten met slecht geperste, slordig gecentreerde en veelal kromme platen, veroverden de Japanse 'dochters' (CBS-Sony, JVC, Nippon Phonogram) in de jaren zeventig de liefhebbersmarkt met herpersingen van hoge kwaliteit. Platen die in Amerika al jaren uit de catalogi waren verdwenen, doken weer op in de authentieke hoes. Slechts een Japanse 'banderol' verried de nieuwe herkomst. Pas bij nadere inspectie ontdekte de koper dat de plaat geen kopie was maar een verbeterde versie. De Japanse banderol werd een garantie voor kwaliteit.

De lp ging en de cd kwam, maar de Japanse toewijding is gebleven, zo blijkt uit Brownie, the complete EmArCy recordings of Clifford Brown en Rahsaan, the complete Mercury recordings of Roland Kirk, twee boxen met ieder tien cd's, geproduceerd door Kiyoshi Koyama. Een uitstekende geluidsreproduktie, een logische rangschikking van de stukken en een smakelijke verpakking. In de box van Clifford Brown zit een rijk geillustreerd boekje van bijna zestig pagina's met een biografie en een beschrijving van alle sessies door Dan Morgenstern, plus alle denkbare opnamegegevens. Bij Kirk zit eenzelfde boekje plus nog eens een korte bonus cd. De oogst is indrukwekkend: ruim negen uur Roland Kirk en van Clifford Brown nog een uur meer.

Beginnen we met Clifford Brown, over wiens prive-leven niets anders te vertellen is dan dat hij in 1930 geboren werd en in 1956 overleed. Ook achter deze vroege dood stak niets romantisch: hij stierf door een auto-ongeval.

Clifford Brown was trompettist en zo'n goede, dat hem navolgen dodelijk leek: Booker Little stierf op zijn 23ste, Lee Morgan op zijn 33ste en Woody Shaw op zijn 44ste. Andere volgelingen hielden er gewoon mee op, of sloegen andere wegen in, zoals Freddie Hubbard.

Dat Brown zelf ook als navolger begon, heeft hij nooit verheeld. Zijn grote idool was Fats Navarro die in 1950 overleed, op zijn 26ste. Net als Navarro speelde ook Brown met Charlie Parker. Het was maar voor een week maar dat was genoeg om Parker in extase te brengen. I hear what you're saying, but I don't believe it, schijnt hij de jonge trompettist te hebben toegevoegd. In 1950 maakte Brown zijn eerste platen met Chris Powells Blue Flames, een lang niet slecht R&B-bandje.

Drie jaar later maakte hij zijn eerste eigen platen voor Blue Note maar pas tijdens de daarop volgende Europese tournee met de big band van Lionel Hampton werd zijn unieke geluid in extenso vastgelegd, in Parijs en Stockholm. Dat veel van deze opnamen iets vluchtigs hebben, is niet verwonderlijk; omdat Hampton zijn side-men verbood om platen te maken, moest het allemaal tussen concerten door, soms zelfs diep in de nacht.

Terug in Amerika kreeg Brown na enige omzwervingen een uitnodiging van slagwerker Max Roach, en van 1954 tot zijn dood leidde ze samen 'Brown and Roach Incorporated', een voorbeeldig bebop kwintet. De groep kreeg een contract van het label Mercury dat speciaal voor het uitbrengen van jazzmuziek het bijlabel EmArCy (acroniem voor Mercury Record Corp.) had opgericht. In anderhalf jaar verscheen Brown voor dit label bijna twintig keer in de studio wat resulteerde in elf lp's, later aangevuld met twee door Kiyoshi Koyama samengestelde lp's voor verzamelaars: More Study in Brown en Jams 2. Al deze platen plus 36 nieuw ontdekte minuten zijn opgenomen in deze collectie die Clifford Brown laat horen in vele rollen: als co-leider van het kwintet met Roach, als deelnemer aan informele jam sessions, met onder anderen zangeres Dinah Washington, als balladeer met een strijkersgroep en als begeleider van zangeressen: Sarah Vaughan (haar beste jazzplaat) en de toen net ontdekte Helen Merrill (idem). De deugden van Brown zijn in deze opnamen alomtegenwoordig: een zeer brede, zangerige toon, een benijdenswaardig gevoel voor harmonieen en een prachtige timing.

Ornamentuur is overvloedig aanwezig maar is bijna altijd ondergeschikt aan de grote lijn: elke solo is een verhaal. Dat Browns talent ook zijn beperkingen heeft, blijkt in de extremen. In de hoge tempi duiken zo nu en dan stoplappen op, en voor heel langzame stukken lijkt het hem aan gevoel voor drama te ontbreken: de ballads met stijkers zijn daardoor aan de saaie kant. In de tempi van rond de 48 maten per minuut hoort men Clifford Brown op zijn best.

Tot slot een opmerking over Clifford Brown als mens: het enige wat medemusici over hem weten op te merken, is dat hij zo'n schatje (so sweet) was. De geheelonthouder Clifford Brown, bijna geniaal trompettist, was net als filmacteur Sidney Poitier in Guess who's coming to dinner, de bijna ideale zwarte schoonzoon voor bijna iedere blanke moeder.

BLIND

Rietblazer Roland Kirk (1935-1977) had niets van de ideale schoonzoon: hij was blind, flink geschift en later in zijn leven ook nog eens voor een kwart verlamd. Het een en ander belette hem niet om niets ontziend en in tomeloze vaart een groot oeuvre op te bouwen waarbij hij het vooral in de breedte zocht, zowel wat repertoire als instrumentarium betreft. Roland Kirk kende zijn Monk, Mingus en Ellington maar speelde ook longhair-componisten als bij voorbeeld Saint-Saens en Hindemith.

Dat hij gehakt van ze maakte was geen wreedheid, eerder het gevolg van te grote gretigheid. Roland Kirk speelde niet alleen manzello (een gekromde sopraansaxofoon met platte beker), stritch (een rechte altsaxofoon), tenorsaxofoon, dwarsfluit, neusfluit en nog zo wat, hij bespeelde die instrumenten bij voorkeur ook nog tegelijk.

Zeggen dat het werk van Kirk volmaakt is, is liegen tegen beter weten in. De afwerking van zijn stukken is vaak slordig, het 'samenspel' van zijn toeters klinkt soms vals, zijn showmanship zit de kunst soms flink in de weg. Allesoverheersend en aanstekelijk is zijn speelplezier in de ruimste zin van het woord. Roland Kirk was niet alleen een musicus pur sang, maar ook een practical joker van belang.

Nog zie ik hem het podium van het Scheveningse Kurhaus opkomen, niet als een blinde man maar blindemannetje spelend. Roland Kirk was geen meester van de goede smaak zoals Clifford Brown maar een lobbes die graag danste. Hoor wat hij op een saxofoon zonder riet (!) weet te halen uit de heilige ballad For Heavens's Sake, hoor hem eens dollen in The Monkey Thing, met hemzelf op dwarsfluit en tenorsax en Sonny Boy Williamson op mondharmonica. De aanwezigheid van de laatste (tijdens een optreden in de Kopenhaagse club Montmartre) geeft een idee van het brede spectrum aan musici waarmee Kirk zich wist te omringen: van bluesmusici tot avant-garde slagwerkers (Elvin Jones, Roy Haynes) van super bassisten (Richard Davis, Pedersen) tot onbekende zangeressen.

Anders dan Clifford Brown maakte Roland Kirk na zijn Mercury tijd nog vele mooie platen, vooral voor Atlantic. Hij bleef ook optreden, zelfs nadat hij in 1975 door een beroerte getroffen was die hem aan een kant verlamde. Hij paste gewoon zijn instrumenten nog eens aan, zoals hij dat altijd had gedaan: met plakband en elastiekjes. In 1977 tenslotte werd hij, 41 jaar oud, door een tweede beroerte definitief geveld, de jazz berovend van een uitzonderlijk kleurrijke figuur.