Het werk van de homunculus

Wat aan de literatuur ontbreekt is de cognitieve roman. Dat zou de opvolger moeten zijn van de psychologische roman. De psychologische roman is allang passe, maar de meeste schrijvers weten dat niet, omdat zij de ontwikkeling van de wetenschap inzake de werking van ons brein niet hebben gevolgd.

De psychologie bestudeert allang niet meer de verliefdheid, de weemoedigheid, de depressie, de melancholie, de eenzaamheid, het geworpen zijn in deze wereld, het geboortetrauma, de belediging en de gekwetsheid. Nou ja, misschien is er nog een enkeling die daar interesse in heeft, maar dan behoort hij niet tot de harde kern van de psychologie. De ware psychologie bestudeert de hogere cognitieve processen, zoals ons taalvermogen, ons geheugen, onze waarneming en ons denken. Maar je leest daar nooit iets zinnigs over in de literatuur. Schrijvers schijnen dat niet interessant te vinden.

Daardoor weten de lezers ook niets van de huidige psychologie. Een schrijver laat zijn hoofdfiguur heel gemakkelijk zeggen “Toen ik door Jan en Hugo geslagen werd, voelde ik niks, gek he”. En de lezer denkt dat zoiets psychologisch kan. Misschien kan dat ook, maar de huidige psychologie interesseert dat geen barst. De cognitieve psychologie beschouwt zo'n zinnetje als een uitdagend psychologisch raadsel. Hoe krijgt de hoofdpersoon deze zin geformeerd? Heeft hij eerst de fonemen geselecteerd of eerst de begrippen die daarna verwoord moeten worden?

Hoe krijgt hij de woorden in de juiste volgorde, hoe past hij de syntactische regels toe, die het mogelijk maken dat de zin als correct Nederlands wordt herkend? In welke volgorde heeft onze hoofdpersoon diverse transformatieregels toegepast? Zoals de actief-passieftransformatie, de conjunctie en de deletie? Hoe is de aangesproken romanfiguur in staat deze zin direct als grammaticaal correct te herkennen, terwijl hij naar alle waarschijnlijkheid deze zin nog nooit eerder heeft gehoord. Hoe weten beiden dat de zin in kwestie een symbolische representatie van de werkelijkheid is. Dat zijn pas de ware vragen, waar een romanschrijver nog nooit zijn licht over heeft laten schijnen, terwijl men in sommige culturele kringen toch vaak de opmerking kan horen, dat de psychologie bij Mulisch, Campert, Couperus of Vinkenoog te rade zou moeten gaan als zij inzicht wil krijgen in het fijnere raderwerk van de menselijke ziel. Maar bij die auteurs heb ik nog nooit iets zinnigs over de aangesneden kwesties gelezen. Als ik over de werking van ons verstand iets meer wil weten moet ik terecht bij Chomsky, Levelt, Kraak en Klooster, Fodor en Jackendoff. Zou er een redelijke traditie aan cognitieve romans bestaan, dan was ook het door velen betreurde verschil tussen taal- en letterkunde overbrugd. Maar bedenk, aan de taalkundigen ligt het niet.

Het zijn de letterkundigen, die de draad niet oppikken. Ik begrijp eigenlijk niet waarom niet. Het zou toch verrassend zijn als Vinkenoog beschreef hoe zijn hoofdpersoon eerst - op abstract niveau - een actieve zin formeerde, daarna de actief-passieftransformatie toepaste, daarna nog conjunctie introduceerde en tenslotte overbodige elementen uit het linguistisch resultaat krachtens de deletieregel snoeide. Nog leuker zou het zijn wanneer dr. Mulisch, die toch veel in de Scientific American leest, Vinkenoog durfde te bestrijden door te verklaren dat in zijn brein naar beste weten eerst conjunctie plaatsvindt voordat de zin in het passief wordt omgezet. Het is een enerverend verslag van een rusteloze toepassing van regels en transformaties in ons hoofd. Er gaat wat om in ons alles omvattend intellect. Daar leeft iets, maar onze letterkundigen beschrijven het nooit, terwijl bijvoorbeeld een mislukte transformatie en een haperende regeltoepassing werkelijk dramatisch kunnen zijn. Een explosie van interne ontregeling en chaos, waarbij vergeleken de wereldpolitiek of een staking bij de Hoogovens niets is. En wat voor de taal geldt, geldt ook voor de waarneming: hoe wij uit onscherpe contouren uiteindelijk ons een beeld vormen van de werkelijkheid, volgens sommigen via een onvolledige schets, volgens anderen door informatie op te pikken uit de verstrooiing van het licht. Wie ook gelijk heeft, het is duidelijk dat in beide gevallen er een indrukwekkende fabriek wordt geexploiteerd, die een prachtig eindprodukt aflevert. In veel cognitieve theorieen is het ook een komen en gaan van homunculi, kleine mensjes in onszelf, die over dezelfde vermogens beschikken als wij, maar werkzaam zijn op een iets lager plan. Volgens Dennett worden zij op elke verdieping, die als hun werkvloer beschouwd kan worden een graadje dommer, maar is dat zo? Een romanschrijver, die het als linkse intellectueel toch graag opneemt voor de intellectuele reserve, die hij in de lagere sociale klassen vermoedt, zou daar een adembenemende roman over kunnen schrijven. Als het maar niet sentimenteel wordt, zou ik zeggen. Zo'n homunculus is nodig om al die transformaties van onze romanfiguur te selecteren. Ook moet hij zich rot rennen in het geheugen om de juiste woorden te zoeken die passen bij de propositie, die zijn heer en meester onder woorden wil brengen. Zonder verantwoordelijkheid is zo'n betrekking niet, want als homunculus moet je af en toe ook beslissen dat je bovengestelde eigenlijk nog te labiel is voor een bepaald inzicht en dan stop je het weg, of je maskeert het in een droom of in een verspreking, zodat je wel even kunt laten merken wie er eigenlijk de baas is. Zelf zou ik wel iets zien in een roman, waarin de beangstigende vraag behandeld werd, wiens homunculus ik zelf eigenlijk ben, want het is overduidelijk een metafysische aanname dat ik bovenaan zou staan in de hierarchie. Dat denken alle homunculi. Maar inderdaad, is er niet nog een meer omvattende persoonlijkheid waarin ik als ondergeschikte dienstig werk doe als kenner van de woordenschat en registrator van ervaringen, regulateur en transformator. Dat lijkt mij wel een thema voor Maarten 't Hart. Daarnaast is het natuurlijk interessant de vraag onder ogen te zien, wiens homumculus je zou willen zijn, als het onontkoombaar is dat je toch echt niet meer dan andermans homunculus bent. De meeste lezers van de NRC zijn homunculi.

Dat kan haast niet anders. Ik denk dat bijna iedereen dan graag de homunculus van een bekende Nederlander zou willen zijn, van iemand uit Goede tijden, slechte tijden en liefst nog betrekkelijk jong, want het is wel zeker dat een homunculus niet eerder de pijp uitgaat dan zijn meester. Maar als dat zich voordoet kunnen er toch nare generatieconflicten ontstaan. Zo'n homunculus kan wat ouwelijk reageren op de opdrachten die hij van zijn jeugdige baas krijgt. Maar gelukkig kennen wij die problemen al uit de psychologische romans. En daar zouden wij het niet meer over hebben.