Het succes van de degermanisatie

Op 20 april 1931 maakte redacteur C.K. Elout zich in het Algemeen Handelsblad kwaad over het gebruik van germanismen in de Nederlandse taal. Zijn artikel was de aanleiding tot de oprichting van het genootschap Onze Taal, dat dit jaar zestig jaar bestaat. Wat is een germanisme? Volgens H. Brandt Corstius is het “een woord dat iedereen kent en hoort, maar toch ...... een germanisme vindt.”

An Worte lasst sich trefflich glauben

Zestig jaar geleden schrokken de 44.000 lezers van het Algemeen Handelsblad van een fel hoofdartikel dat de 'hoefijzer'-redacteur op de voorpagina van nummer 33826 zette. Onder zijn hoefijzertje schreef redacteur C.K. Elout, die volgens de geschiedschrijver van het Handelsblad 'alleen niet in naam hoofdredacteur was' en die van 1891 tot en met 1935 bij die krant werkte, vooral politieke commentaren, maar ook over klederdrachten of over een reis door Nederlands-Indie.

Op die twintigste april maakte hij zich - niet voor de eerste keer - verschrikkelijk kwaad over het insluipende gif van het germanisme.

“De boerenbakker te Schoorl”, zo citeert Elout een briefschrijver, “vertelt u, op de vraag of er Kerstbrood is, dat hij geen Kerstbrood heeft, maar wel 'Weihnachtsstollen' (wij merken echter op dat dit niet helemaal hetzelfde is als ons Kerstbrood) en de winkelbediende te Bergen antwoordt u op uw vraag naar een artikel, dat het dit jaar 'niet gebracht wordt' of zelfs: 'Neen mijnheer dat geeft het niet'.

Maar eigenlijk nog bedenkelijker wordt het wanneer een vriend met een doctorstitel u vertelt dat het station te Alkmaar wordt 'omgebouwd' en wanneer de tandarts u mededeelt dat hij uw kies zal 'uitvullen'. Als de intellectueelen zoo beginnen, hoe lang duurt het dan nog, voor wij Duitsch spreken?''

Lezer P. C. Smit was deze kreet uit het hart gegrepen. Hij stelt Elout voor een vereniging op te richten tot het onderling beoefenen van zuiver Nederlands. Op 16 mei 1931, dus nog geen maand na Elouts hoofdartikel, werd in Amsterdam het genootschap Onze Taal opgericht.

De heer Elout bleek voorstander van een anti-germanistische taalvereniging, terwijl Smit een algemene taalzuivering wilde nastreven. De heren vonden elkaar in het compromis van artikel 2 van de statuten: “De vereeniging heeft ten doel het bevorderen der Nederlandsche taal, in het bijzonder, in dit tijdsgewricht, ten aanzien van germanismen”.

Dat was heel anders dan het al bestaande Algemeen Nederlandsch Verbond, dat juist tegen gallicismen streed.

Onze Taal verschafte zich direct een voorsprong op de antigallicistische concurrent door een 'Raad van Deskundigen' samen te stellen vol hooggeleerde kenners van de Nederlandse taal. De namen Van Ginneken, Kern en Overdiep zijn nu in vakkringen nog bekend. In het bestuur, natuurlijk met Elout als voorzitter, valt de naam van Henri Polak uit Laren op.

De geschiedenis van Onze Taal, hoe enerverend ook, is hier niet aan de orde. Het Genootschap viert in volle gezondheid zijn zestigste verjaardag. Het geeft het maandblad Onze Taal uit, het enige blad over de Nederlandse taal dat voor niet-Neerlandici bestemd is. Over het germanisme leest men daar zelden. Wel is onder het gladde papier de wrevel zichtbaar, die uit de aard van de taalzaak blijft wringen tussen de goedwillende amateurs die zo graag het Nederlands willen dwingen en de niet minder goedwillende taalkundigen die weten dat dwingen niets helpt, dat taal verandert en dat het aardiger is die verandering te bestuderen dan er over te huilen.

HEEBABERIEBA

Of het nu door Onze Taal komt zullen we nog bezien, maar na zestig jaar kan vastgesteld worden dat het Germanisme niet meer volksvijand nummer een is. De waarschuwing ''germ.'' in de woordenboeken wordt zeldzaam. Taalkundig is het germanisme ook een raar begrip.

Wat is een germanisme? Het is niet: een Duits woord, op zijn Duits geschreven en uitgesproken, in een Nederlands betoog. Ueberhaupt en sowieso, niemand stikt van woede als u die gebruikt. Bij ober en kellner denkt niemand aan een Duitse drankjesbrenger. Soms zijn Duitse woorden even in de mode, dan hoor je een paar jaar; kladderadatsch, unverfroren. Op het ogenblik is het enige blitse Duitse stopwoordje: kek.

Ook is het germanisme niet het grap-Duits dat iedereen, al was het maar in zijn jeugd, spreekt: 't Is kaus baussen, Jawooool, das kommt davon, en dat zich ook kan uiten in een overmatig Gebruiken van de Hoofdletter in de Text.

Via het Engels kennen we kindergarten, op de BBC hebben ze het over Hinterland. Via het Jiddisch kennen we schmieren en schnabbel. Elk vakjargon heeft zijn germanismerende uitdrukkingen. In voetbal noemen ze de libero wel: de Ausputzer, liefst even krachtig-onsympathiek uitgesproken als Beckenbauer. De psychiatrische en de marxistische taal zitten vol Duits. In de wiskunde hebben we het over eigenwaarden en eigenfunctie, en er was in California zelfs een klas die gelooft dat deze termen vernoemd zijn naar de beroemde Berlijnse wiskundige Dr. Eigen. Zij die zich voor de Tweede Wereldoorlog interesseren hebben het over Ausweis, Anschluss, Fuhrer, Grune, Wiedergutmachung.

Woorden die nu eenmaal een heel andere geur hebben dan persoonsbewijs, aansluiting, Duce, Groene en schadevergoeding.

Dat zijn allemaal geen germanismen. Dat zijn bewijzen dat we nu eenmaal vlakbij Duitsland liggen, en dat Duitsland zelfs vijf jaar hier lag, boven op ons.

Als uw ouders, zoals die van mij, tussen de twee wereldoorlogen opgroeiden, dan kenden ze beter Duits dan Frans of Engels. Mijn hele jeugd heb ik - en dat was in de anti-Mofse jaren van in en vlak na de bezetting - elke dag wel een Duits woord uit ouderlijke mond gehoord.

Waar zijn ze gebleven, die woorden als Buhnenfieber, ewigweiblich, Selbsthass, Prinzipienreiterei, Festschrift, Hineininterpretieren, einverstanden, en zulke uitdrukkingen als Wein, Weiber und Gesang, Frische frohliche Krieg, Draufganger, Gotterdammerung? Pas nu ik ze tik, merk ik dat ik ze nooit eerder tikte en ook nooit eerder zelf uitsprak. Maar ze hoorden bij het leven zoals kolenkitten en plusfours en heebaberieba. Ik hoor ze nooit meer.

Als iemand niest kan je soms nog Gesundheit! horen. Maar de uitroep scheisse is, ondanks Brigitte Kaandorp en Pamela Koevoets, heel wat minder te horen dan shit, misschien evenveel als merde.

Dit zijn dus allemaal geen germanismen. Wat is een germanisme? Onze Taal gaf zestig jaar geleden deze voorbeelden: schuldigheid, Haag (voor: Den Haag!), dierarts, zelfliefde. Maar die woorden bestaan toch niet! Niet meer, in ieder geval. Het valt moeilijk te geloven dat ze in 1931 wel voorkwamen.

Een germanisme is een woord dat iedereen kent en hoort, maar dat hij toch... een germanisme vindt. Bekende voorbeelden zijn: billijk (in de betekenis goedkoop), gloeiwijn, middels, zongedroogd, bemerking, landelijk (in de betekenis: over het gehele land).

Achter zo'n oordeel steekt geen enkele kennis. Zo is zongedroogd waarschijnlijk afkomstig van het Engelse sun dried, en betekent landlich in het Duits niet: over het gehele land. En wat is er eigenlijk tegen gloeiwijn, je gaat er toch van gloeien?

Het is met het germanisme als met elk ander vooroordeel: het valt niet te definieren, maar daarom bestaat het nog wel voor degenen die het vooroordeel koesteren.

ABNORMAAL

Het Nederlands is, zoals de meeste talen, voortdurend beinvloed door andere talen. Dat het Hoogduits, dat toch een broertaal is, en dat vlakbij ons wordt gesproken, daar ook bijhoort, dat spreekt vanzelf.

Wij leerden op school zelfs Duits met een boekje dat alleen de verschillen met het Nederlands bevatte. Schwere Worter heette het, en pesterig noemden wij het Zware woorden. In die naoorlogse tijd was het bon ton een slecht cijfer voor Duits te hebben.

Eeuwen lang hebben we woorden uit het Frans geaccepteerd, zonder ze ooit te retourneren. Niemand noemt retourneren, accepteren, feliciteren, deserteren gallicismen. Niemand noemt trouwens de woorden wenen, gaarne, reeds, heden, zenden brabantismen, terwijl ze toch door de vluchtende Belgen zijn meegenomen om nette versies te vormen van de Hollandse woorden huilen, graag, al, vandaag en sturen. Alweer vijfenveertig jaar nemen we hordes Engelse woorden op, zonder dat er een vereniging tegen het Anglicisme wordt opgericht.

Gaarne importeren we een Japans, een Italiaans, een Spaans, een Russisch woord maar het germanisme is een gevaar. Het gaat zelfs zover dat de felle taalzuiveraar N. C. ten Hagen in zijn De Verloedering van het Nederlands de combinatie groter als afkeurt omdat... het een germanisme zou zijn! En Andreas Burnier veranderde in een officieel stuk de bijzinvolgorde ''geraadpleegd is'' woedend in het volgens haar enige goede ''is geraadpleegd''. Hoezo? vroegen wij haar. ''Omdat het Duits is'' was haar antwoord.

Tussen de eeuwen van Franse infiltratie en de halve eeuw van Engelse overstroming is de Duitse aanval eigenlijk te verwaarlozen. Maar die aanval ging natuurlijk wel vijf jaar met het wapen in de hand.

Ik heb de zes lijsten met germanismen uit de eerste jaargangen van Onze Taal voor u geanalyseerd. Het waren er in totaal 176. Daarvan worden er heden nog steeds 31 als germanismen beschouwd. Het zijn woorden als afbouw, als (in de zin van toen), begaving, begeesterend, eigendommelijk, het handelt zich om, kondgeving, nieuwprijs, eerstens, noodstand. Over elk van die woorden valt iets te zeggen, maar ik wil ze alle 31 als germanismen rekenen. Dan zijn er 57 woorden die mij totaal onbestaanbaar in het Nederlands van 1991 voorkomen. Daar hebben Elout en Smit hun strijd dus gewonnen. Het zijn onwaarschijnlijkheden als: dierarts, kaartschrijven, zelfliefde, schrof, toewas, inlage, techniker.

Samen vormen deze twee groepen de echte germanismen van zestig jaar geleden. Het zijn er 88. En de andere 88? Die vallen in twee ongelijke groepen uiteen.

Er is een groep van 81 woorden die mij nu geheel normaal lijken. In hoeverre ze in 1931 terecht als abnormaal bekeken werden, kan ik niet uitmaken. Het zijn woorden als: aanhangwagen (het voorgestelde alternatief bijwagen ken ik alleen in de figuurlijke betekenis), afslachten, alleenverkoop, betreffende, gewetensvol, toeslag, onderbreken, voorwoord, vorig jaar, zekering en stekker.

Ik ontken niet dat sommige van die woorden een voor mij prettiger klinkend synoniem bezitten, en ik heb de bezwaren tegen stekker vaak gehoord, maar die 81 woorden hebben net zoveel recht om Nederlands genoemd te worden als brood en wijn.

ORENKLEM

Tenslotte zijn er nog zeven woorden waarvan ik het door Onze Taal aangeraden 'Nederlandse' woord totaal absurd vind. Het zijn anzicht (prentkaart!), dame en loper (moet koningin en raadsheer zijn), kogellager (vele 'juiste' benamingen zijn voor dit ding al voorgesteld, maar een kogellager blijft het), slagroom, (geklopte room) en hakenkruis (daar hebben we de keus tussen de ongermanistische woorden haakkruis, gammakruis en lopend kruis).

In de nieuwe edities van woordenboeken als Van Dale en Koenen wordt de veroordeling germ. minder vlot uitgedeeld. In de laatste druk uit 1984 van de Dikke van Dale zag ik nog als zodanig afgekeurd: springstof (zonder een goed woord te geven!), landelijk, kogellager, gietstaal, overdruk, afbouw, koptelefoon, middels, geeigend en begeestering. Ook besmet met germ. blijkt bestens, het stopwoord van onze premier. Bij bemerking lezen we: “Thans als germanisme gevoeld”. Aha! Hier slaat Van Dale de spijker op zijn hoofd. Misschien is het geen germanisme; het was in ieder geval geen germanisme; maar thans, en zelfs nu, voelt men het als germanisme. Weg met bemerking! Een germanisme is een germanisme als er germanisme op staat.

Jaren heb ik Joop van Tijn horen zeggen “En nu zetten we onze koptelefoons op”, in het radioprogramma Welingelichte Kringen. Toen kwam een Arti-lid klagen dat het hoofdtelefoon moest zijin, want koptelefoon was een germanisme. We zeggen de kop van een spijker, koppig, koppijn, koppen, maar we moeten hoofdtelefoon zeggen.

Sindsdien hoort de luisteraar Joop zeggen: ''We zetten nu onze HOOFDtelefoon op'', en hij weet dan niet alleen dat we onze koptelefoon opzetten, maar ook dat wij weten dat het netter is de orenklem hoofdtelefoon te noemen.

De hoofdtelefoon is, net als groter dan, hen en hun, en niet in het minst, de permanente koppijn van koppigen die het beter weten dan alle sprekers en schrijvers van het Nederlands.

Het germanisme is bedwongen. De vraag die zestig jaar geleden op deze plaats werd gesteld: ''Hoe lang duurt het nog voor wij Duits spreken?'' kan een geruststellend antwoord krijgen. Is dat te danken aan Onze Taal? Of aan de Fuhrer? Of aan het teruglopen van de Duitse invloed als cultuurtaal? Het valt niet te bepalen. In ieder geval vindt deze taalvorser de landelijke afbouw van de springstof 'germanisme' middels de geeigende begeestering van de heren Elout en Smits opmerkelijk.

Koeterwaals, bretonner in het Frans, polatschen in het Duits, Barbaars voor de Grieken, het zijn allemaal uitingen van primitieve xenofobie; pardon: van kinderachtige vreemdelingenhaat; neem me niet kwalijk: neem me niet kwalijk: van een stom soort discriminatie. Ze spreken anders dan wij, dus spreken ze wartaal.

Ondanks de kabeltelevisie, Der Alte, ondanks de Wiedervereinigung, is het germanisme een zachte dood gestorven. Dat spijt mij niet. Wel zou ik mijn vader nog eens Heine of Goethe willen horen citeren. Laatst zei iemand: “Das gibt's nur einmal!” Mein Liebchen was willst du nog meer? (Let op de laatste twee woorden van deze spreuk).

Op 20 april 1931 maakte redacteur C.K. Elout zich in het Algemeen Handelsblad kwaad over het gebruik van germanismen in de Nederlandse taal. Zijn artikel was de aanleiding tot de oprichting van het genootschap Onze Taal, dat dit jaar zestig jaar bestaat. Wat is een germanisme? Volgens H. Brandt Corstius is het “een woord dat iedereen kent en hoort, maar toch ...... een germanisme vindt.”

door H. Brandt Corstius

An Worte lasst sich trefflich glauben

Zestig jaar geleden schrokken de 44.000 lezers van het Algemeen Handelsblad van een fel hoofdartikel dat de 'hoefijzer'-redacteur op de voorpagina van nummer 33826 zette. Onder zijn hoefijzertje schreef redacteur C. K. Elout, die volgens de geschiedschrijver van het Handelsblad 'alleen niet in naam hoofdredacteur was' en die van 1891 tot en met 1935 bij die krant werkte, vooral politieke commentaren, maar ook over klederdrachten of over een reis door Nederlands-Indie.

Op die twintigste april maakte hij zich - niet voor de eerste keer - verschrikkelijk kwaad over het insluipende gif van het germanisme.

“De boerenbakker te Schoorl”, zo citeert Elout een briefschrijver, “vertelt u, op de vraag of er Kerstbrood is, dat hij geen Kerstbrood heeft, maar wel 'Weihnachtsstollen' (wij merken echter op dat dit niet helemaal hetzelfde is als ons Kerstbrood) en de winkelbediende te Bergen antwoordt u op uw vraag naar een artikel, dat het dit jaar 'niet gebracht wordt' of zelfs: 'Neen mijnheer dat geeft het niet'.

Maar eigenlijk nog bedenkelijker wordt het wanneer een vriend met een doctorstitel u vertelt dat het station te Alkmaar wordt 'omgebouwd' en wanneer de tandarts u mededeelt dat hij uw kies zal 'uitvullen'. Als de intellectueelen zoo beginnen, hoe lang duurt het dan nog, voor wij Duitsch spreken?''

Lezer P. C. Smit was deze kreet uit het hart gegrepen. Hij stelt Elout voor een vereniging op te richten tot het onderling beoefenen van zuiver Nederlands. Op 16 mei 1931, dus nog geen maand na Elouts hoofdartikel, werd in Amsterdam het genootschap Onze Taal opgericht.

De heer Elout bleek voorstander van een anti-germanistische taalvereniging, terwijl Smit een algemene taalzuivering wilde nastreven. De heren vonden elkaar in het compromis van artikel 2 van de statuten: “De vereeniging heeft ten doel het bevorderen der Nederlandsche taal, in het bijzonder, in dit tijdsgewricht, ten aanzien van germanismen”.

Dat was heel anders dan het al bestaande Algemeen Nederlandsch Verbond, dat juist tegen gallicismen streed.

Onze Taal verschafte zich direct een voorsprong op de antigallicistische concurrent door een 'Raad van Deskundigen' samen te stellen vol hooggeleerde kenners van de Nederlandse taal. De namen Van Ginneken, Kern en Overdiep zijn nu in vakkringen nog bekend. In het bestuur, natuurlijk met Elout als voorzitter, valt de naam van Henri Polak uit Laren op.

De geschiedenis van Onze Taal, hoe enerverend ook, is hier niet aan de orde. Het Genootschap viert in volle gezondheid zijn zestigste verjaardag. Het geeft het maandblad Onze Taal uit, het enige blad over de Nederlandse taal dat voor niet-Neerlandici bestemd is. Over het germanisme leest men daar zelden. Wel is onder het gladde papier de wrevel zichtbaar, die uit de aard van de taalzaak blijft wringen tussen de goedwillende amateurs die zo graag het Nederlands willen dwingen en de niet minder goedwillende taalkundigen die weten dat dwingen niets helpt, dat taal verandert en dat het aardiger is die verandering te bestuderen dan er over te huilen.

Heebaberieba Of het nu door Onze Taal komt zullen we nog bezien, maar na zestig jaar kan vastgesteld worden dat het Germanisme niet meer volksvijand nummer een is. De waarschuwing ''germ.'' in de woordenboeken wordt zeldzaam. Taalkundig is het germanisme ook een raar begrip.

Wat is een germanisme? Het is niet: een Duits woord, op zijn Duits geschreven en uitgesproken, in een Nederlands betoog. Ueberhaupt en sowieso, niemand stikt van woede als u die gebruikt. Bij ober en kellner denkt niemand aan een Duitse drankjesbrenger. Soms zijn Duitse woorden even in de mode, dan hoor je een paar jaar; kladderadatsch, unverfroren. Op het ogenblik is het enige blitse Duitse stopwoordje: kek.

Ook is het germanisme niet het grap-Duits dat iedereen, al was het maar in zijn jeugd, spreekt: 't Is kaus baussen, Jawooool, das kommt davon, en dat zich ook kan uiten in een overmatig Gebruiken van de Hoofdletter in de Text.

Via het Engels kennen we kindergarten, op de BBC hebben ze het over Hinterland. Via het Jiddisch kennen we schmieren en schnabbel. Elk vakjargon heeft zijn germanismerende uitdrukkingen. In voetbal noemen ze de libero wel: de Ausputzer, liefst even krachtig-onsympathiek uitgesproken als Beckenbauer. De psychiatrische en de marxistische taal zitten vol Duits. In de wiskunde hebben we het over eigenwaarden en eigenfunctie, en er was in California zelfs een klas die gelooft dat deze termen vernoemd zijn naar de beroemde Berlijnse wiskundige Dr. Eigen. Zij die zich voor de Tweede Wereldoorlog interesseren hebben het over Ausweis, Anschluss, Fuhrer, Grune, Wiedergutmachung.

Woorden die nu eenmaal een heel andere geur hebben dan persoonsbewijs, aansluiting, Duce, Groene en schadevergoeding.

Dat zijn allemaal geen germanismen. Dat zijn bewijzen dat we nu eenmaal vlakbij Duitsland liggen, en dat Duitsland zelfs vijf jaar hier lag, boven op ons.

Als uw ouders, zoals die van mij, tussen de twee wereldoorlogen opgroeiden, dan kenden ze beter Duits dan Frans of Engels. Mijn hele jeugd heb ik - en dat was in de anti-Mofse jaren van in en vlak na de bezetting - elke dag wel een Duits woord uit ouderlijke mond gehoord.

Waar zijn ze gebleven, die woorden als Buhnenfieber, ewigweiblich, Selbsthass, Prinzipienreiterei, Festschrift, Hineininterpretieren, einverstanden, en zulke uitdrukkingen als Wein, Weiber und Gesang, Frische frohliche Krieg, Draufganger, Gotterdammerung? Pas nu ik ze tik, merk ik dat ik ze nooit eerder tikte en ook nooit eerder zelf uitsprak. Maar ze hoorden bij het leven zoals kolenkitten en plusfours en heebaberieba. Ik hoor ze nooit meer.

Als iemand niest kan je soms nog Gesundheit! horen. Maar de uitroep scheisse is, ondanks Brigitte Kaandorp en Pamela Koevoets, heel wat minder te horen dan shit, misschien evenveel als merde.

Dit zijn dus allemaal geen germanismen. Wat is een germanisme? Onze Taal gaf zestig jaar geleden deze voorbeelden: schuldigheid, Haag (voor: Den Haag!), dierarts, zelfliefde. Maar die woorden bestaan toch niet! Niet meer, in ieder geval. Het valt moeilijk te geloven dat ze in 1931 wel voorkwamen.

Een germanisme is een woord dat iedereen kent en hoort, maar dat hij toch... een germanisme vindt. Bekende voorbeelden zijn: billijk (in de betekenis goedkoop), gloeiwijn, middels, zongedroogd, bemerking, landelijk (in de betekenis: over het gehele land).

Achter zo'n oordeel steekt geen enkele kennis. Zo is zongedroogd waarschijnlijk afkomstig van het Engelse sun dried, en betekent landlich in het Duits niet: over het gehele land. En wat is er eigenlijk tegen gloeiwijn, je gaat er toch van gloeien?

Het is met het germanisme als met elk ander vooroordeel: het valt niet te definieren, maar daarom bestaat het nog wel voor degenen die het vooroordeel koesteren.

Verloedering Het Nederlands is, zoals de meeste talen, voortdurend beinvloed door andere talen. Dat het Hoogduits, dat toch een broertaal is, en dat vlakbij ons wordt gesproken, daar ook bijhoort, dat spreekt vanzelf.

Wij leerden op school zelfs Duits met een boekje dat alleen de verschillen met het Nederlands bevatte. Schwere Worter heette het, en pesterig noemden wij het Zware woorden. In die naoorlogse tijd was het bon ton een slecht cijfer voor Duits te hebben.

Eeuwen lang hebben we woorden uit het Frans geaccepteerd, zonder ze ooit te retourneren. Niemand noemt retourneren, accepteren, feliciteren, deserteren gallicismen. Niemand noemt trouwens de woorden wenen, gaarne, reeds, heden, zenden brabantismen, terwijl ze toch door de vluchtende Belgen zijn meegenomen om nette versies te vormen van de Hollandse woorden huilen, graag, al, vandaag en sturen. Alweer vijfenveertig jaar nemen we hordes Engelse woorden op, zonder dat er een vereniging tegen het Anglicisme wordt opgericht.

Gaarne importeren we een Japans, een Italiaans, een Spaans, een Russisch woord maar het germanisme is een gevaar. Het gaat zelfs zover dat de felle taalzuiveraar N. C. ten Hagen in zijn De Verloedering van het Nederlands de combinatie groter als afkeurt omdat... het een germanisme zou zijn! En Andreas Burnier veranderde in een officieel stuk de bijzinvolgorde ''geraadpleegd is'' woedend in het volgens haar enige goede ''is geraadpleegd''. Hoezo? vroegen wij haar. ''Omdat het Duits is'' was haar antwoord.

Tussen de eeuwen van Franse infiltratie en de halve eeuw van Engelse overstroming is de Duitse aanval eigenlijk te verwaarlozen. Maar die aanval ging natuurlijk wel vijf jaar met het wapen in de hand.

Ik heb de zes lijsten met germanismen uit de eerste jaargangen van Onze Taal voor u geanalyseerd. Het waren er in totaal 176. Daarvan worden er heden nog steeds 31 als germanismen beschouwd. Het zijn woorden als afbouw, als (in de zin van toen), begaving, begeesterend, eigendommelijk, het handelt zich om, kondgeving, nieuwprijs, eerstens, noodstand. Over elk van die woorden valt iets te zeggen, maar ik wil ze alle 31 als germanismen rekenen. Dan zijn er 57 woorden die mij totaal onbestaanbaar in het Nederlands van 1991 voorkomen. Daar hebben Elout en Smit hun strijd dus gewonnen. Het zijn onwaarschijnlijkheden als: dierarts, kaartschrijven, zelfliefde, schrof, toewas, inlage, techniker.

Samen vormen deze twee groepen de echte germanismen van zestig jaar geleden. Het zijn er 88. En de andere 88? Die vallen in twee ongelijke groepen uiteen.

Er is een groep van 81 woorden die mij nu geheel normaal lijken. In hoeverre ze in 1931 terecht als abnormaal bekeken werden, kan ik niet uitmaken. Het zijn woorden als: aanhangwagen (het voorgestelde alternatief bijwagen ken ik alleen in de figuurlijke betekenis), afslachten, alleenverkoop, betreffende, gewetensvol, toeslag, onderbreken, voorwoord, vorig jaar, zekering en stekker.

Ik ontken niet dat sommige van die woorden een voor mij prettiger klinkend synoniem bezitten, en ik heb de bezwaren tegen stekker vaak gehoord, maar die 81 woorden hebben net zoveel recht om Nederlands genoemd te worden als brood en wijn.

Orenklem Tenslotte zijn er nog zeven woorden waarvan ik het door Onze Taal aangeraden 'Nederlandse' woord totaal absurd vind. Het zijn anzicht (prentkaart!), dame en loper (moet koningin en raadsheer zijn), kogellager (vele 'juiste' benamingen zijn voor dit ding al voorgesteld, maar een kogellager blijft het), slagroom, (geklopte room) en hakenkruis (daar hebben we de keus tussen de ongermanistische woorden haakkruis, gammakruis en lopend kruis).

In de nieuwe edities van woordenboeken als Van Dale en Koenen wordt de veroordeling germ. minder vlot uitgedeeld. In de laatste druk uit 1984 van de Dikke van Dale zag ik nog als zodanig afgekeurd: springstof (zonder een goed woord te geven!), landelijk, kogellager, gietstaal, overdruk, afbouw, koptelefoon, middels, geeigend en begeestering. Ook besmet met germ. blijkt bestens, het stopwoord van onze premier. Bij bemerking lezen we: “Thans als germanisme gevoeld”. Aha! Hier slaat Van Dale de spijker op zijn hoofd. Misschien is het geen germanisme; het was in ieder geval geen germanisme; maar thans, en zelfs nu, voelt men het als germanisme. Weg met bemerking! Een germanisme is een germanisme als er germanisme op staat.

Jaren heb ik Joop van Tijn horen zeggen “En nu zetten we onze koptelefoons op”, in het radioprogramma Welingelichte Kringen. Toen kwam een Arti-lid klagen dat het hoofdtelefoon moest zijin, want koptelefoon was een germanisme. We zeggen de kop van een spijker, koppig, koppijn, koppen, maar we moeten hoofdtelefoon zeggen.

Sindsdien hoort de luisteraar Joop zeggen: ''We zetten nu onze HOOFDtelefoon op'', en hij weet dan niet alleen dat we onze koptelefoon opzetten, maar ook dat wij weten dat het netter is de orenklem hoofdtelefoon te noemen.

De hoofdtelefoon is, net als groter dan, hen en hun, en niet in het minst, de permanente koppijn van koppigen die het beter weten dan alle sprekers en schrijvers van het Nederlands.

Het germanisme is bedwongen. De vraag die zestig jaar geleden op deze plaats werd gesteld: ''Hoe lang duurt het nog voor wij Duits spreken?'' kan een geruststellend antwoord krijgen. Is dat te danken aan Onze Taal? Of aan de Fuhrer? Of aan het teruglopen van de Duitse invloed als cultuurtaal? Het valt niet te bepalen. In ieder geval vindt deze taalvorser de landelijke afbouw van de springstof 'germanisme' middels de geeigende begeestering van de heren Elout en Smits opmerkelijk.

Koeterwaals, bretonner in het Frans, polatschen in het Duits, Barbaars voor de Grieken, het zijn allemaal uitingen van primitieve xenofobie; pardon: van kinderachtige vreemdelingenhaat; neem me niet kwalijk: neem me niet kwalijk: van een stom soort discriminatie. Ze spreken anders dan wij, dus spreken ze wartaal.

Ondanks de kabeltelevisie, Der Alte, ondanks de Wiedervereinigung, is het germanisme een zachte dood gestorven. Dat spijt mij niet. Wel zou ik mijn vader nog eens Heine of Goethe willen horen citeren. Laatst zei iemand: “Das gibt's nur einmal!” Mein Liebchen was willst du nog meer? (Let op de laatste twee woorden van deze spreuk).