Herinneringen aan Byron; Zagen in een lijk

Sigrid Combuchen: Byron; een roman. Vertaling Karst Woudstra. Uitg. Meulenhoff, 565 blz. Prijs (f) 49,50

Toen George Gordon, de zesde lord Byron, vandaag precies honderdenzevenenzestig jaar geleden na een lang en gruwelijk ziekbed in het drassige Griekse plaatsje Missolonghi zijn laatste adem uitblies, stond voor hem een ding vast: hij zou niet in Engeland begraven worden. De doktoren en vrienden die hem omringden, liet hij plechtig beloven dat er na zijn dood niet in hem gezaagd zou worden en dat zijn lichaam gewoon begraven zou worden op de plek waar hij stierf: “Laat mijn botten hier vergaan. Stop me maar zonder opsmuk of andere onzin in het eerste het beste gat.”

Het was echter al te laat voor vergetelheid. Op het moment van zijn dood als Grieks vrijheidsstrijder stond de naam Byron voor een mythe die zich toen al over heel Europa had verspreid, en een mythe krijgt geen anonieme begrafenis. De omstanders bij zijn sterfbed hadden hun blik strak op de eeuwigheid gericht; ze begonnen zonder pardon in het lijk te zagen, haalden er het hart, de hersenen en nog wat andere organen uit, en lieten alles naar Engeland overbrengen. Vanwege Byrons schandelijke reputatie - echtbreker, vaderlandshater, satanist, seksmaniak - werd het stoffelijk overschot beleefd maar beslist geweigerd door Westminster Abbey en gevolgd door een stoet van lege koetsen uiteindelijk overgebracht naar de familiecrypte in het kerkje van Hucknall Torkard, een plaatsje in de buurt van Byrons voorvaderlijk landgoed Newstead Abbey.

Daar bleven de resten van Lord Byron rusten; dat wil zeggen, tot 1938. In dat jaar besloot een groepje plaatselijke byronisten, aangevoerd door de dominee, de crypte te openen en de mythe te confronteren met de werkelijkheid. Ze deden het 's nachts om de aanwezigheid van nieuwsgierige toeschouwers te ontlopen en de koster, een zekere Houldsworth, heeft een nauwkeurig verslag van hun bevindingen nagelaten. De kist met Byron bevond zich inderdaad in de grafkelder, naast die met zijn dochter Ada, Lady Lovelace, een vooraanstaand wiskundige en een van de voormoeders van de computer. De dominee en zijn gevolg schrokken niet terug voor grafschennis. Ze openden de kist en lieten het licht van hun zaklantaarns op de inhoud schijnen.

Het lichaam was praktisch intact; in de schedel en de borst zaten gaten waar de doktoren hun werk gedaan hadden en de voet, de beroemde klompvoet, lag vreemd genoeg los in de kist. Maar Byrons huid en zijn haar waren niet vergaan en alle andere ledematen waren onbeschadigd; Houldsworth noteerde vol ontzetting dat Byrons geslacht 'een zeer abnormale grootte' had (wat nieuwsgierig maakt naar het vergelijkingsmateriaal dat deze Engelse koster gehad kan hebben). Als bewijs werden foto's genomen.

ESCAPADE

Het is deze lugubere nachtelijke escapade die de Zweedse schrijfster Sigrid Combuchen als uitgangspunt heeft genomen voor haar roman Byron.

In de epiloog die zij aan haar verhaal vooraf laat gaan, vermeldt ze dat ze de historische werkelijkheid vrijelijk naar haar hand heeft gezet: het is waar dat Byrons graf in 1938 werd geopend, maar “hun namen, beroepen en persoonlijkheden - zelfs hun aantal - is het enige dat onverdeelde fictie is in dit verhaal.” Waarop ze laat volgen: “Al het andere is mijn aandeel in het verhaal over Lord Byron.”

Combuchen is niet de eerste die het leven van Byron gebruikt voor een roman, en ze zal vast en zeker niet de laatste zijn; de wereldse romantiek van de Byron-mythe spreekt tegenwoordig weer tot de verbeelding. Maar daar schuilt ook het grote gevaar in, want Byron is nog altijd zo'n onweerstaanbare persoonlijkheid, dat in de meeste gevallen het verhaal met de schrijver op de loop gaat. Uit de afgelopen drie jaar kan ik me evenveel schrijvers herinneren die de grote Lord als romanpersonage hebben opgevoerd, met wisselend succes; de Engelse schrijfster Amanda Prantera in het niemandalletje Conversations with Lord Byron, Robert Nye in zijn pastiche The Memoirs of Lord Byron en de Amerikaanse romancier Paul West in Lord Byron's Doctor. Combuchen is voorzover ik weet de eerste die nadrukkelijk de mythe zelf tot onderwerp van een roman heeft gemaakt. Byron gaat niet in de eerste plaats over Byron zelf, maar over het beeld dat anderen van hem hebben geschapen.

Dat thema komt allereerst tot uiting in de vorm van het boek. Om tot de kern van de Byron-mythe door te dringen, maakt Combuchen gebruik van een omtrekkende beweging; de Engelse byronisten in haar boek komen bijeen in 1938 om de honderdvijftigste geboortedag van de romantische dichter voor te bereiden. Ze spreken af dat ieder van hen een episode uit Byrons leven neemt en er een hoofdstuk over schrijft, zodat uiteindelijk een min of meer afgerond portret zal ontstaan. Een van hen heeft als thema de relatie tussen Byron en zijn halfzuster Augusta, de ander het desastreuze huwelijk met Annabella Milbanke, een derde de vriendschap met Shelley, weer een ander Byrons laatste jaar in Griekenland, enzovoort. Voor ze daadwerkelijk overgaan tot grafschennis, openen ze als het ware eerst de crypte van het verleden.

De lezer wordt tot getuige van dit proces gemaakt; fragmenten met de Engelse personages uit 1938 worden steeds weer afgewisseld met fragmenten over Byron.

Op deze manier is er geen sprake van een chronologisch relaas. Combuchens roman is opgebouwd als een herinnering, dat wil zeggen, er wordt een werkelijkheid beschreven die is versnipperd en bijgekleurd door het geheugen. Op geen enkel moment dringt ze door tot de geest van Byron zelf, maar ze laat steeds weer nieuwe constellaties tussen haar verschillende personages en de dichter ontstaan. Om een voorbeeld te geven: een van haar twintigste-eeuwse personages schrijft over een treinreis die de bejaarde en half-seniele Augusta in 1851 maakt, op bevel van Lady Byron, die uit haar mond wil horen of er werkelijk iets is gebeurd tussen haar en Byron. De 'schrijver' van deze fragmenten laat het 'personage' Augusta herinneringen ophalen aan de zomer dat zij en Byron minnaars waren, herinneringen die vanzelfsprekend aangetast en veranderd zijn door de tijd. Op deze manier kan Combuchen duidelijk laten zien hoe een mythe onstaat, door herinneringen aan herinneringen, interpretaties van interpretaties.

Net als het - overigens uiterst bloedeloze - Possession van de Engelse schrijfster A.S. Byatt, waarmee deze vorig jaar de Booker Prize won, is Byron een historische roman waarin het verleden wordt gespiegeld aan het heden. Zoals Combuchen het uitdrukt in haar nawoord: “de waarheid is de wezenlijke kern wanneer je een mythe traceert. Even belangrijk echter is het gevoel van waarachtigheid dat alleen kan ontstaan wanneer het oude verhaal een nieuwe mens vindt, bereid het te begrijpen - en zich eraan te vergrijpen - met de eigen favoriete ideeen als richtsnoer.”

In datzelfde nawoord schetst ze kort de research die ze gepleegd heeft: eerst las ze de moderne studies over Byron, toen de getuigenissen van tijdgenoten, en vervolgens de brieven en dagboeken van Byron zelf. Al die lagen heeft ze ook op een geraffineerde manier in haar roman aangebracht. In Byron klinkt tenslotte ook de onmiskenbare stem van Byron zelf op, in de vorm van letterlijk geciteerde brieven die in de tekst verweven zijn.

DETAIL

Byron zou gemakkelijk een nogal droge, academische excercitie geworden kunnen zijn, wanneer Combuchen niet zo'n goed schrijfster was geweest.

Haar grootste kracht ligt in het poetische detail; daarmee weet ze in talloze, prachtig geschreven passages (die volledig tot hun recht lijken te komen in de stilistisch adembenemende vertaling uit het Zweeds van Karst Woudstra) een bijna tastbare werkelijkheid op te roepen. Alleen aan het eind van het boek - Byrons verblijf in Italie en zijn tocht naar Griekenland - lijkt ze enigszins overmand te worden door haar materiaal, zodat het haar niet goed lukt haar persoonlijk stempel te drukken op de overbekende feiten.

Maar op honderden bladzijden van Byron is dat haar juist uitstekend gelukt, soms op een overweldigende manier. In een van de gedeeltelijk gefingeerde dagboeken van Byrons vriend Hobhouse die in Byron verwerkt zijn, laat ze hem en Byron de grote acteur Kean ontmoeten, waarin hij verklaart oude vormen - dat wil zeggen Shakespeare's stukken - nodig te hebben om zichzelf uit te drukken. “Daarom is de vorm, de omschrijving, de enige manier die we hebben om het leven na te bootsen en daarom moeten we de traditionele vorm om dat te doen respecteren, terwijl we proberen haar te veranderen.” Combuchen heeft de vorm - de traditionele historische roman, het navertelde heldenleven - gerespecteerd en tegelijkertijd voorgoed veranderd.