Een liefde

In de serie De omgekeerde illustratie gaat het beeld vooraf aan de tekst. De collage van Geert Setola deed Rudy Kousbroek denken aan een jeugdliefde in Nederlands Indie. “Ik geloof niet dat ik ooit een woord met haar heb gewisseld.”

Geert Setola Geert Setola werd in 1945 geboren in Brugge. Hij volgde een opleiding aan het Hoger Instituut voor Plastische Kunsten St. Lukas in Schaerbeek. Vanaf 1970 werkt hij als grafisch ontwerper in Nederland. Sinds 1975 is hij ook docent illustratieve vormgeving aan de academie St. Joost in Breda.

Wat zijn de motieven die iemand er toe bewegen naar een reunie van ex-geinterneerden te gaan? Dit nogal zonderlinge ritueel zou een vruchtbaar terrein van onderzoek moeten zijn voor de sociale wetenschappen, maar die hebben er bij mijn weten nooit enige belangstelling voor getoond. Nieuwsgierigheid is natuurlijk een voordehandliggend motief: mensen terugzien met wie je in het kamp een intensieve zij het onvrijwillige omgang had, met het dubbele doel te zien wat er van hen over is, in de herinnering en in de werkelijkheid; maar als iemand er behoefte aan heeft ieder jaar opnieuw naar zo'n reunie te gaan moeten er ook andere motieven in het spel zijn.

De enige keer dat ik zo'n reunie heb bezocht - het moet in '71 of '72 zijn geweest - kwam na een poosje een oudere dame naar mij toe. “Ik ben mevrouw S.”, zei ze, “en ik wilde wel eens zien hoe de man er uitziet die mijn schoonzoon had kunnen zijn.” Ik voelde me, zoals dat in Indie heette, bepekt: wat mij vooral had doen besluiten om te komen was de hoop op een weerzien met Loesje S., die ik gedurende de hele internering in mijn hart had gedragen, en ook nog in de verwarde periode daarna. Achteraf is die langdurige adoratie misschien vooral te herleiden tot het ontbreken van een alternatief; maar vier jaar is lang op die leeftijd, een kwart van mijn leven. Zelfs nu, een halve eeuw later, overkomt het mij nog wel dat ik van haar droom.

Toen de Japanners kwamen was Loesje S. mijn grote liefde op het internaat. Ik geloof niet dat ik ooit een woord met haar heb gewisseld: het internaatsregime liet dat niet toe; en al gauw na het begin van de internering, die voor ons in zoveel opzichten een bevrijding was, werd ik overgebracht naar een mannenkamp. De verliefdheid was zuiver visueel: haar haar; haar knieholten; haar achterhoofd; en soms, onverwacht, de val in de peilloze blauwe afgrond van haar blik. Die beelden zijn geloof ik vooral verbonden aan een Zondagswandeling met het hele internaat, langs de helling van de vulkaan die ons bergoord domineerde, ik denk in 1941, want de oorlog was al uitgebroken maar de Japanners waren er nog niet. Eerst kwamen de meisjes, twee aan twee, en daarna de jongens; ik liep vlak achter haar, want zij liep achteraan bij de meisjes en ik voorop bij de jongens; ik herinner mij dat zij een paar keer omkeek, en de uitwerking die dat op mij had.

Na een poos bereikten we een open plek waar we wat mochten uitrusten en water drinken uit meegebrachte veldflessen. Plotseling kwam er vanuit de hoogvlakte die zich voor ons uitstrekte een vliegtuig aanstormen; het vloog, van boven groen en van onderen zilver, met donderend geweld over ons heen, zo laag dat je de piloot kon zien zitten. Hij had een stofbril op en zwaaide naar ons. Ik zie nog duidelijk de oranje driehoeken op de romp. Het was een eenmotorige jager van de Nederlands-Indische luchtmacht; tijdens de vakanties thuis verzamelde ik foto's van alle geallieerde vliegtuigen en kon ze uit mijn hoofd tekenen: dit was een Brewster 339 'Buffalo' ('motor 1000 pk, autonomie 4 uur'). Luttele seconden later volgde nog een tweede exemplaar. Het raasde als een bliksemschicht vlak over onze hoofden en liet een eigenaardige, opwindende, associaties met heet metaal oproepende geur achter: ricinusolie.

Tenminste, zo is het in mijn herinnering: in werkelijkheid waren het vermoedelijk de Japanse vliegtuigen, later in de oorlog, die naar deze olie roken. Het gebeurde terwijl we op transport waren, in 1944, met de trein, naar het laatste kamp in het zuiden. We hadden een uitstekend zicht, want we werden vervoerd in open beestenwagens: het was ook een eenmotorig jachtvliegtuig (ik denk een Mitsubishi A5M, bijgenaamd 'Claude', in elk geval niet de befaamde Zero die de logge Brewsters als ganzen uit de lucht schoot) en het kwam ook zeer laag over, zodat ik dacht dat het de toppen van de rubberbomen langs de spoorbaan zou raken. Ook ditmaal was de piloot duidelijk zichtbaar, maar hij zwaaide niet. De zon scheen onbarmhartig, ik had dorst, en opeens herinnerde ik mij die Zondagswandeling en, ach, Loes. Ik had haar toen al in geen drie jaar meer gezien, maar ze was al die tijd mijn vaste gezelschap geweest; ik zei haar 's avonds goedenacht en begroette haar bij het ontwaken. Als de muskieten en het snurken van mijn barakgenoten mij het slapen beletten had ik lange gesprekken met haar. Maar haar gezicht kon ik me al niet meer zo duidelijk voor de geest halen.

De laatste keer dat ik haar had gezien was toen ik achterop een Japanse legervrachtauto stond die mij naar het mannenkamp zou brengen.

Ik zag haar staan, tussen de huilende moeders, maar ik was omringd door andere jongens van mijn leeftijd en het was onder die omstandigheden ondenkbaar dat ik enig teken van herkenning zou geven.

Later beeldde ik mij in dat ik dat wel gedaan had, dat we elkaar verlangend in de ogen hadden gekeken, maar dat was niet zo. In feite had geen taal of teken mij ooit bevestigd dat zij iets van mijn belangstelling wist, laat staan dat zij die beantwoordde.

Na de oorlog was zij geemigreerd naar Canada, vertelde haar moeder. Ze was zojuist hertrouwd, haar eerste huwelijk was geen succes geweest.

Ik vroeg of zij geen foto van haar bij zich had, maar dat was niet het geval. Loesje was toen allang veranderd in een vage schim uit het verleden, maar in haar moeders gezicht was iets dat ik herkende en dat mij aan haar herinnerde; een onderdeel van een seconde voelde ik weer de warme lucht van Indie over mijn huid strijken en het oude verlangen.

Pas veel later, op weg naar huis, viel me iets in: hoe kwam die mevrouw S. er bij dat ik haar schoonzoon had kunnen zijn? Ik had haar nooit eerder ontmoet, ook niet vroeger in het kamp, en had over mijn geheime liefde nooit met iemand gesproken. Er was, drong toen pas tot mij door, maar een verklaring: Loesje moest er in die tijd overeenkomstige gevoelens op na hebben gehouden en daar moet zij haar moeder over hebben verteld.