Een lastige klant in de rijmwinkel; De samenwerking tussen Simon Vestdijk en Willem Pijper bij de opera Merlijn

In 1939 schreef Simon Vestdijk het libretto voor de door Willem Pijper te componeren opera Merlijn. Zijn tekst beviel de componist in grote lijnen uitstekend, maar toch verlangde hij, om muzikale, dramatische of psychologische redenen, een groot aantal veranderingen. Uit hun nog niet gepubliceerde correspondentie blijkt hoe opgeruimd en hoe snel Vestdijk steeds aan zijn wensen tegemoet kwam. “Beste Simon, Lof en eer voor deze nieuwe versie!”

Dat Simon Vestdijk een verbazingwekkend onvermoeibaar schrijver was is weliswaar bekend, maar het is toch niet eenvoudig zich een voorstelling van zijn werklust en zijn verbeeldingskracht te maken.

Hij werkte niet alleen bijna voortdurend, hij schoot ook meestal reusachtig op. Hij was beslist niet het type schrijver dat er een dag aan besteedt om een zin op te schrijven om die na lange overweging tenslotte weer te schrappen. Niet dat hij niet bereid was tot overwegingen, of tot schrappen, hij besteedde daar zelfs veel tijd aan, al blijft het raadselachtig hoe hij aan die tijd kwam. Hij moet een gedisciplineerde man geweest zijn die ongelukkig was als hij niet werkte, die misschien zelfs de wereld alleen maar de baas kon door te werken. In het gijzelaarskamp in St. Michielsgestel bijvoorbeeld, waar Vestdijk op 4 mei 1942 samen met zevenhonderd andere prominente Nederlanders door de Duitsers opgesloten werd, schreef hij de dichtbundel Gestelsche liederen (300 pagina's) waarin een sonnettenreeks van 150 sonnetten over een middeleeuwse minstreel, acht lezingen over poezie die samen het boek De glanzende kiemcel vormen, het begin van een roman en ettelijke essays. Alles in negen maanden tijd, temidden van een mensenmassa, vaak onder grote psychische druk (in augustus werden vijf gijzelaars gefusilleerd), kortom onder omstandigheden die menigeen aanleiding gegeven zouden hebben om helemaal niets uit te voeren. Dat zou voor Vestdijk vermoedelijk de ondergang hebben betekend.

Was hij dan soms een onaanspreekbare nurks, altijd met zijn pen in de hand, de enige bewoner van zijn eigen hoofd? Een medegevangene beschreef dat Vestdijk wel eens wat al te zeer in zijn werk opging, zo zelfs dat hij vergat zich te wassen en anderen hem naar de douche moesten slepen. Nu was Vestdijk toch al niet zo'n groot wasser in die tijd (in een brief aan Willem Pijper uit 1944 maakt hij melding van een vlo, die hij zelf toeschrijft aan zijn eigen onzindelijkheid) dus misschien zegt deze anekdote minder over zijn concentratie dan over zijn hygiene. Uit zijn correspondenties, voor zover openbaar gemaakt, en uit de herinneringen van vrienden komt hij tevoorschijn als een, ondanks zijn jaarlijks terugkerende depressies, vriendelijke en bereidwillige man. Hoe vriendelijk, eindeloos bereidwillig en onuitputtelijk energiek is goed te zien aan de manier waarop hij met de componist Willem Pijper aan de opera Merlijn werkte.

Hoe de samenwerking tussen de twee kunstenaars precies verliep is, behalve uit mededelingen van Vestdijk achteraf, vooral af te leiden uit de correspondentie die zij gedurende vele jaren onderhielden. Hun briefwisseling zal waarschijnlijk volgend jaar verschijnen bij uitgeverij Nijgh en Van Ditmar en samen met Arthur van Dijk worden bezorgd door mevrouw A.C.M. Vestdijk-van der Hoeven, die de brieven nu reeds in typoscript ter inzage gaf.

HAREM

Vestdijk en Pijper ontmoetten elkaar in 1938, op aanraden van Victor van Vriesland: “Je moest eens naar Wim Pijper gaan.” Zoiets deed men dan blijkbaar en dat bezoek was het begin van wat Vestdijk zelf (in Gestalten tegenover mij) als 'een boeiende en nogal moeilijke vriendschap' omschreef. Pijper had Vestdijk al wel eens een enkele maal een brief geschreven naar aanleiding van artikelen van de laatste in de N.R.C., Vestdijk had wel eens teruggeschreven en van Marsman had hij gehoord dat Pijper 'een haremhouder' was. “Dat leek mij interessant. Die hadden wij niet zoveel in Nederland.”

Met die haremhouderij bleek het nogal los te lopen, Pijper had alleen maar niet steeds dezelfde vriendin. Bij een impasse in zijn liefdesleven trekt Vestdijk 'zuchtend en zwierig' de horoscoop van twee kandidates, zonder er zelf in te geloven maar tot grote dankbaarheid van Pijper. De componist hecht veel waarde aan de astrologie, hij heeft het veelzeggend over 'een typische libra-vrouw'

en schrijft voor niet-ingewijden onbegrijpelijke zinnen als: “Je kunt, mocht je dat willen, je gerust beroepen op mijn Mercurius in 't elfde huis.”

Behalve deze belangstelling voor astrologie, hadden Vestdijk en Pijper ook de belangstelling voor muziek gemeen. Voor Vestdijk was Pijpers muzikale kennis en begaafdheid een belangrijk deel van zijn aantrekkingskracht, Pijper echter had niet altijd zoveel zin in dat onderwerp. “Ne parlons pas musique.” Toch overwon Vestdijks hardnekkige belangstelling dikwijls zijn weerspannigheid. Zo worden ze langzaamaan vrienden, maar ze zijn nog op 'Beste Vestdijk - Beste Pijper'-voet als Pijper eind 1938 op het idee komt om samen een opera te maken.

Vestdijk moest het libretto schrijven 'op de grondslag der astrologische symboliek', dat wil zeggen: drie bedrijven bestaande uit twaalf scenes die ieder gesymboliseerd worden door een teken van de dierenriem. “Ik weigerde, maar niemand zo koppig als Pijper.” De opera zou Merlijn gaan heten en enkele lotgevallen en het uiteindelijke verdwijnen van de beroemde tovenaar uit de Arthur-sagen tot onderwerp hebben. Vestdijk krijgt van Pijper ter aanmoediging een stomvervelend Frans boekje over Merlijn te leen en later nog enkele lijvige studies. Bovendien heeft hij als houvast dat er ergens in het eerste bedrijf een middeleeuws liedje moet voorkomen, in het gebruik 'het konijnenlied' genoemd. In zijn inleiding bij Merlijn schrijft Vestdijk dat hij er nog steeds niets voor voelde, maar dat Pijper hem meedogenloos voortdreef net zo lang tot hij erin toestemde een schema van handeling te maken. Met dit schema, een typisch Vestdijkiaans geval vol doorhalingen, rijtjes, tekens, invallen begint Vestdijks aardigheid in de onderneming. Op 9 april 1939 schrijft hij aan Pijper: “Maar alle gekheid terzijde, het komt me voor, dat we nu toch in principe een oplossing hebben die zowel zodiakaal als dramatisch-psychologisch voldoet en bovendien zoveel mogelijk nog rekening houdt met de overlevering! Dat is altijd wel aardig, al is het geen volstrekte vereiste.”

Dat Vestdijk zich aan die overlevering nu ook weer niet al te veel gelegen laat liggen blijkt later als hij over de vader van Koning Arthur dicht dat hij 'overwinnaar van draken' is. Pijper: “Beste Simon, Uter Pendragon was geen overwinnaar van draken! [Hij] heeft een helm op zijn kop, in de gedaante van 1 draak (of twee draken).”

Vestdijk: “Ja, die drakengeschiedenis stond me niet meer duidelijk voor de geest (trouwens nu nog niet!)”

Geheel volgens zijn gewoonte heeft Vestdijk in korte tijd zijn duizend versregels af, waarmee hij aan zijn verplichtingen voldaan heeft, althans, dat denkt hij. Pijper komt nu pas op gang. Tot 1946 toe verlangt hij al componerend voortdurend wijzigingen in de tekst, van piepkleine tot alomvattende. Aan een totale omwerking weigert Vestdijk te beginnen, maar verder gaat hij, onveranderlijk blijmoedig, op al Pijpers eisen in.

Al eerder had Pijper op deze wijze een dichter tot wanhoop gedreven. Martinus Nijhoff haalde de voltooiing van hun gezamenlijke opera Halewein niet, het libretto daarvan is uiteindelijk door anderen afgemaakt. Vestdijk echter voelde niets voor een breuk en veel voor Pijper. Hij beschrijft hoe dat gevoel al tijdens een van hun eerste ontmoetingen ontstond, toen Pijper een aanmerking maakte op de manier waarop hij zijn been uit een stoel liet steken: “'Je zit er wel erg gemakkelijk bij.' Normaliter reageert men op zoiets door het andere been contorsionistisch achter zijn nek te brengen en de fauteuil van onderen een weinig te vernielen met de hand. Ik niet. Ik keek hem alleen maar aan, niet zozeer beduusd, of uitdagend, als wel met een stijgend vertrouwen in mijn vermogen om mij alles van hem te laten welgevallen.” Dat vermogen zal hij nog nodig hebben.

SPIONAGE

Pijper en Vestdijk vinden de volgende oplossing voor hun samenwerking: Vestdijk zal zijn tekst afzonderlijk publiceren en de uiteindelijke tekst van de opera, die flink mag afwijken van de oorspronkelijke, zal dan later afzonderlijk worden gepubliceerd.

Pijper begint te componeren, Vestdijk te veranderen. Een brief die ongeveer begint als de volgende van 1 november 1939 zal in de komende jaren geen uitzondering zijn: “Beste Simon, ik ben een buitensporig lastige klant in je rijmwinkel, maar je moet me vandaag nog eens even 'bijstaan'.” Volgt een hele reeks verzoeken om andere woorden en andere regels, zowel omdat sommige woorden niet gezongen kunnen worden volgens de componist - 'echtgenoot', 'halfzuster'- als omdat hij details niet vindt kloppen, muzikaal niet uitkomt, de tekst te weinig direct vindt of te artificieel. “Ik zou het je niet zo lastig maken als ik er met de compositie niet om zat te springen!” Dikwijls krijgt hij per kerende post nieuwe regels toegestuurd.

Niet altijd bestaat de correspondentie uit versregels en aanvragen tot verandering. Op 5 februari 1940 schrijft Vestdijk: “Ik ben hier gisteren aangehouden als verdacht van spionage, omdat ik in de bossen bij militaire werken een kaart had ontvouwen. Ik had niets strafbaars gedaan, maar 't was dan toch verdacht. Een paar soldaten volgden mij; en op de straatweg fietsend, werd ik aangehouden door een majoor! Ik zag mij al in het duistere cachot verdwijnen, maar toen ik mijn naam noemde, werd alles van een buitensporige gemoedelijkheid. Hij wilde verder niets van mij weten, hij had 'van mijn boeken genoten' (welke?), het was hem een eer, - kortom, hetzelfde effect als jouw lintje in zulke gevallen. Daar er inderdaad veel gespioneerd wordt, gaf ik hem en zijn mannen natuurlijk volkomen gelijk, en wij scheidden met een handdruk. Ik wil aannemen, dat hij mijn boeken ook gekocht heeft, en ik kon hem dus niet anders behandelen dan met de vriendelijke nederigheid, een goede klant verschuldigd.”

Intussen is met uitgeverij Veen afgesproken dat de Merlijn-tekst met een inleiding in de zogenaamde Prominentenreeks zal verschijnen. Die inleiding stuurt Vestdijk naar Pijper die hem weer van commentaar voorziet, daarna gaat het hele boeltje begin februari 1940 naar Veen die het zal laten drukken.

Op 15 februari schrijft Pijper: “Beste Simon; Hiermede is dan jouw Merlijn, met de inleiding 'bon pour tirer'. Ik heb echter het gevoel, jou het volgende toch nog (of: wel) te kunnen schrijven: Ik vind het verduiveld vervelend dat deze, de voor-jou-definitieve lezing, uitkomt op een ogenblik dat ik met de 'opera'-lezing nog pas voor (+-) 1-4 op stoot ben. Ik heb lang geaarzeld of ik 't je kon zeggen zonder kans op ongewenste en onbruikbare misverstanden. Ik weet zelfs nu nog niet of ik er goed aan doe, het je te zeggen, omdat deze hele materie dermate subtiel is, dat de mededeelbaarheid aan de grenzen van het mogelijke ligt. Als ik een juffrouw was, zou ik zeggen 'je mot het aanvoelen'. Toch is er nog wel iets rationeels over te beweren.

Het feit dat de tekst, waarin, waarmee, en waaraan ik nog zeer intens een jaar of drie te werken heb, nu reeds gemeengoed zou gaan worden, handicapt me in enkele opzichten. - Lofspraken zowel als invectieven op dit voor mij in statu nascendi verkerende Iets zouden alletwee gelijkelijk hinderlijk wezen. Noch 't een, noch 't ander zou de conceptie van de muziek behoeven te beinvloeden. Maar zij zouden het kunnen doen.- Ik twijfel eraan of bovenstaande duidelijk is. Je zult opgemerkt hebben, dat ik mij, als jij erover sprak, opvallend op de vlakte heb gehouden inzake de onderhanden zijnde uitgave. Ik had in geen enkel opzicht het recht me hierin te mengen; kon je slechts laten 'aanvoelen' - alweer die juffrouw! - dat er voor mij een minder geschikt kantje aan was. Nu dit proces-zonder-woorden niet tot een duidelijk resultaat heeft geleid, moest ik wel trachten het je te zeggen. Je zoudt mij bij de totstandkoming van de opera in de hoogste mate behulpzaam zijn, als je je uitgever de boodschap gaf, dat deze uitgave voorlopig - zeg een a twee jaar - nog niet in de handel gebracht mocht worden.- Voel je niets voor mijn motieven, en laat je de zaak voortgang hebben - even goede vrienden. Dit is geen frase. - Hartelijke groeten, je Wim.''

BEGRIP

En Vestdijk, verdraagzaam, aardig, begrijpt het. Maar met begrip alleen is de kwestie nog niet uit de wereld. De drukproeven liggen al klaar en bij Veen heeft men vast gerekend op een nieuw deeltje in de Prominentenreeks. Als oplossing wordt verzonnen dat Vestdijk dan maar een novelle levert. Het is eind maart, Veen verwacht op 30 april honderd pagina's tekst van de schrijver die net begin februari een roman (Rumeiland) voltooid heeft. Op 8 april (volgens Hans Visser in Simon Vestdijk, een schrijversleven) doet Vestdijk De zwarte ruiter op de bus. Het is bij zoiets vrijwel onvermijdelijk om niet aan A. Roland Holsts bekende kwatrijn voor Vestdijk te denken: Wat mag het raadsel van uw arbeid wezen?

Muur van den Geest, waar die van de Chineezen te kort bij schiet. - O, Tegenpool van Bloem!

O, Gij, die sneller schrijft dan God kan lezen! Zo is dit probleem opgelost, maar het werk aan Merlijn ligt tijdelijk stil wegens het uitbreken van de oorlog. Pijper woont in Rotterdam, tijdens de bombardementen weet hij nog net zijn brandende huis te ontvluchten. Op 24 mei 1940 schrijft hij: “Beste Simon, Het leven heb ik er afgebracht, dat weet je. Verder alles weg, hond dood, school tegen de vlakte [Pijper was directeur van het Rotterdams conservatorium, MdV], kortom complete ravage. We doen hier in Rotterdam net alsof we gek zijn geworden en zetten alles weer op poten, voor zover het staan wil...

Manuscripten zijn waarschijnlijk onbeschadigd in de safe onder het puin van de Twentsche Bank. Merlijn houdt siesta in Amersfoort.''

(Daar woonde Pijpers vriendin.) Vestdijk had in Doorn geen last gehad van het oorlogsgeweld, maar desalniettemin was het uitbreken van de oorlog een zware schok voor hem. Al in 1939 had hij aan Pijper geschreven dat hij als er oorlog zou komen, het voorbeeld van Merlijn zou volgen en zou vervluchtigen 'b.v. in de gaskraan'. In Gestalten tegenover mij beschrijft hij dat hij zijn huisgenote Ans Koster voorstelde om “de gaskraan in de keuken open te zetten onder aanwezigheid van een hond en twee katten.

Mijn compagne zei: 'Dat doe ik in geen geval.' Goed, dan zouden we vluchten.” Volgt een beschrijving van een volkomen onzinnige fietstocht tot aan ongeveer De Bilt waar Ans de kogels om de oren fluiten. “Ik beval: 'Rechtsomkeert' en voerde met hetzelfde strakke gezicht de compagnie naar Doorn terug, waar de dieren, die wij aan de buren hadden toevertrouwd - zij mochten ze laten afmaken, wanneer wij nooit meer terugkwamen - ons kennelijk opgelucht tegemoet snelden.”

Dit is nu wel allemaal vrolijk, maar Vestdijk moet werkelijk erg bang geweest zijn voor wat er zou gebeuren. Bovendien stierven in die eerste oorlogsdagen drie van zijn vrienden: Menno ter Braak, door zelfmoord, E. du Perron aan angina pectoris en H. Marsman die verdronk tijdens zijn vlucht naar Engeland.

Tegenover Pijper rept hij, althans in de brieven die bewaard gebleven zijn, nergens over. Zodra ze weer een beetje op orde zijn gaat het werk weer verder 'Thans wederom een beroep op je dichtader', 'Denk eens, met dichterlijke inspiratie, over', 'die dichtader van jou is het verbijsterendste natuurwonder dat ik ken'. Verder schrijven de vrienden elkaar geregeld over hun respectieve honden en maar heel af en toe over de beslommeringen die de oorlog met zich meebrengt. Pijper schrijft uit Rotterdam: “Het is hier op 't ogenblik een miserabele herrie 's nachts, en aardappelnood overdag.” Vestdijk maakt spaarzame opmerkingen over 'de gilden', zijn zorgen wegens zijn overduidelijk anti-nazistische roman Else Bohler, Duits dienstmeisje die al in september 1940 verboden werd en de vrees dat hij niet meer in de gelegenheid zal zijn nog iets te verdienen, of dat men zelfs 'iets tegen mij zal ondernemen'. Dat alles belet hem niet om het eerste oorlogsjaar toch te werken: essays over Dostojevski, Marsman en John Cowper Powys, een verhaal, de roman De andere school, vertaalwerk voor het geld. En ondertussen steeds maar weer Merlijn, steeds maar weer op verzoek van Pijper die eindeloos kritiek blijft leveren en om veranderingen vraagt die hij ook krijgt: “In de tram reeds vond ik de volgende oplossing -” “Beste Simon, Lof en eer voor deze nieuwe versie! Er staan natuurlijk regels in waarover ik je weer eindeloos doorzagen zal...” De inspanningen worden beloond met stukjes nieuw gecomponeerde muziek die Pijper in Doorn komt voorspelen of die Vestdijk in Amersfoort komt beluisteren.

Portie tijd Ook als Vestdijk eenmaal geinterneerd is in St. Michielsgestel blijft hij beschikbaar voor Pijpers problemen met zijn tekst. 24 juni 1942: “Ans zei, dat je, als dat zo te voren kwam, best over Merlijn-aangelegenheden kon denken en schrijven. Kom ik dus met een regel of zo vast te zitten - kunnen we de zaak dan entameren? Laat dat te zijner tijd eens horen, wil je?” Vestdijk schrijft op 10 juli terug: “Ik had mij er al lang eens toe willen zetten je brief te beantwoorden; maar het zeer drukke leven hier verhinderde dit tot nog toe. Dit is geen grap: met 700 mensen om je heen, ook al ken je er maar een bescheiden percentage van, is het waarlijk vechten om op de portie tijd beslag te leggen, die je voor je 'werk' meent nodig te hebben. Daarbij komt nog dat ik me op het zeer tijdrovende spel schaken heb geworpen, en aan een competitiewedstrijd deelneem, waarin ik helaas niet uitblink. Ik verloor het reeds tegen de omineus klinkende heren Boot, Baud en Bier, en een Suurbier staat mij nog te wachten! - Ik schreef ettelijke essays, ben nu aan een roman bezig, en kan daartussendoor best wat Merlineren, als het tenminste bij kleinigheden blijft; de concentratie is hier een moeilijk te verwerven bezit.”

De roman (De Aeolusharp) kwam nooit af, daarvoor was de situatie toch te onrustig, maar poezie ging wel. In het kamp schreef Vestdijk de mooiste gedichten die hij ooit heeft geschreven: een reeks 'Grieksche Sonnetten', de sonnettencyclus 'Madonna met de valken', de reeks 'Thanatos aan banden', waarin het gedicht 'De uiterste seconde': Doodgaan is de kunst om levende beelden Met evenveel gelatenheid te dulden Als toen zij nog hun rol in 't leven speelden, Ons soms verveelden, en nochtans vervulden Het is nauwelijks verbazend dat Pijper enige schroom voelde om Vestdijk ook tijdens zijn gijzelaarschap nog met Merlijn lastig te vallen. Veel verbazender is de opgewektheid waarmee Vestdijk hem daartoe uitnodigde. Als hij niet meer vaker dan een keer per week een brief mag versturen geeft hij zijn nieuwe versies door via Ans Koster die ze weer braaf op een vriendelijke briefkaart doorstuurt aan Pijper. Van haar kant ook van een bewonderenswaardige toewijding, te meer daar zij, volgens Vestdijk in Gestalten tegenover mij, een behoorlijke hekel had aan Pijper. Op te maken uit wat Vestdijk daarover schrijft had ze daar ook alle reden toe, Pijper had namelijk de onbehoorlijke gewoonte om haar een cijfer te geven voor haar, speciaal voor hem gemaakte, chocolat mousse. Altijd een vijf of een zes, vanwege de ongesmolten stukjes chocola.

In de jaren daarna vordert de opera steeds langzamer. Vestdijk lijdt na zijn vrijlating - hij heeft dan ook nog een maand in de Scheveningse strafgevangenis doorgebracht - aan een langdurige depressie. In 1944 wordt er weer even flink gewerkt, maar tijdens de laatste oorlogswinter komt er van componeren niet zoveel, en dus ook niet van verbeteren. Pijper is veel ziek, de brieven worden spaarzaam en gaan nauwelijks nog over Merlijn. In 1947 overlijdt Pijper. Hij laat een onvoltooide opera na, de muziek houdt midden in een maat op.

Van de tekst bestaan nu uiteindelijk drie versies: de eerste, die Vestdijk al in 1939 voltooide en die door Veen gezet werd maar niet uitgegeven; de ten behoeve van de muziek bewerkte tekst die bij de partituur hoort; en ten slotte de tekst zoals die in 1957 is uitgegeven door Bert Bakker, waarin Vestdijk die veranderingen die hij ook werkelijk verbeteringen vond heeft opgenomen. Ze zullen alledrie in de brievenuitgave worden opgenomen.

Zoveel werk voor zo weinig resultaat. In 1955 werd wat er was van het onvoltooide muziekdrama uitgevoerd onder leiding van Eduard Flipse, een plaat of bandopname is daar niet van gemaakt. Vorig jaar dirigeerde David Porcelijn Merlijn in Rotterdam. Ontroerend om regels gezongen te horen waar zoveel over te doen is geweest. “En zelfs de beer doolt op zijn warme zolen- Als wollen droombeeld voort.”