Dr. Antoine Bodar

“Goeden avond, waarde televisiekijker. Mijn gast in de aflevering van Eeuwigh gaat voor oogenblick is prof. dr. Hekataios, hoogleraar aan de universiteit van Milete. Prof. dr. Hekataios is wereldreiziger, geleerde en historicus. Onlangs heeft hij een boek geschreven over de geschiedenis van de mensheid in het algemeen en over die van de mens tussen 3212 voor Christus en 1991 na Christus in het bijzonder.

Professor, u hebt gereisd door de klimaten, alle zeven, maar u bent eveneens tot studie en bespiegeling thuis gebleven. Het is dan ook slechts met de grootst mogelijke schroom dat ik u, als u het mij tenminste toestaat, de volgende vraag zou willen stellen. Het is, ik ben bereid dat onmiddellijk toe te geven, een beetje een onmogelijke vraag. Een vraag die ontegenzeggelijk getuigt van een zekere hybris, een zekere overmoed en niet in de laatste plaats ook van een zekere brutaliteit.

Ik zeg dit in alle bescheidenheid, want anders zou ik deze vraag amper durven te stellen. Maar als ik zo vrij mag zijn, dan zal ik mij toch verstouten de vraag hier naar voren te brengen, al was het alleen maar omdat, zoals Theophrastus heeft beweerd, er geen grotere lafheid bestaat dat het inslikken van een vraag waarvan het antwoord weleens onwelgevallig zou kunnen zijn.

Professor, het is geen gemakkelijke en enkelvoudige vraag die ik u hier ga stellen, temeer wanneer wij beseffen dat na Auschwitz elke zinsvraag bijna schaamtevol is en derhalve slechts met de grootst mogelijke terughoudendheid kan worden opgeworpen. Hoe belangrijk de vraag ook is voor het bezeten tijdsgewricht, waarin wij nu leven, zij kan pas worden beantwoord als wij onze eigen nietigheid voor ogen houden.

Wie de vraag stelt die ik u zo ga stellen, voelt zich als het ware ineenschrompelen tot een klein, nietig wezen. Tot een muis, zou ik bijna zeggen, als u mij die vergelijking tenminste toestaat. Een muis, een musculus, u kent zo'n diertje wel, niet veel groter dan een pink, angstig trillend met zijn snorhaartjes als het gevangen is en biddend met zijn voorpootjes om in godsnaam niet te worden gedood.

Zo voel ik mij, nu ik op het punt sta u deze vraag voor te leggen. Als een muis zit ik op deze antieke stoel en het liefst zou ik langs de poot naar beneden rennen om mij ergens in het vertrek te verstoppen.

Achter een plint of in een holletje, waar ik me dan in alle eenvoud zou kunnen overgeven aan contemplatief zwijgen. Half muis, half mens zou ik willen zijn in het besef van mijn eigen nietigheid, dat is misschien wel de hoogste wijsgerige wijsheid die wij in al onze onvolmaaktheid kunnen bereiken.

Vergeeft u mij dit gedachtenexperiment, maar hoe aantrekkelijk is het niet om een muis te zijn? Zijn domein is het verborgene. Alleen 's nachts, als iedereen slaapt, komt hij tevoorschijn als een godheid die pas zichtbaar wordt als wij naar hem zoeken. Temidden van onze gecultiveerde wereld leeft hij in het wild. Hij voedt zich met de kruimels die wij voor hem overlaten. In die weinig eisende afhankelijkheid strekt hij ons tot voorbeeld, als ik zo vrij mag zijn om deze metafoor te gebruiken. Zie hem knabbelen aan het korstje kaas dat wij hebben weggegooid. Goethe wilde meer licht, maar was het niet Kant, de zachtmoedigste aller filosofen, die op zijn sterfbed om een stukje kaas vroeg? Dat kan geen toeval zijn.

Professor, laten wij terugkeren naar de vraag die ik u wil stellen. U zult het toch met mij eens zijn - en ik zeg dat met de grootst mogelijke voorzichtigheid - dat de mens, hoewel nietig in het licht van de even onmetelijke als goddelijke kosmos, toch streeft naar een zekere mate van - en nogmaals, ik druk mij heel voorzichtig uit - eeuwigheid.

Professor, de vraag die ik nu zo vrij ben u te stellen, die ik u zou willen voorleggen, als u mij dat tenminste toestaat, die vraag die ik amper durf te stellen en die, naar ik vurig hoop, u geen haaruitval, brandend maagzuur of indigestie zal bezorgen, is deze: “Wat denkt u van de mens in het algemeen?!?”

Prof. dr. Hekataios uit Milete trok zijn das recht en ging even verzitten. Toen het belang van de vraag eenmaal in volle omvang tot hem was doorgedrongen, krabde hij aan zijn staart en zei zachtjes: “Piep, piep.”