Doof de gans in gouden sauzen; Rococo gedichten van Peter Ghyssaert

Peter Ghyssaert: Honingtuin. Uitg. Bert Bakker, 72 blz. Prijs (f) 24,90.

Zijn naam is Peter Ghyssaert. Hij werd geboren in Antwerpen, in 1966.

Hij publiceerde de laatste jaren in verschillende Vlaamse en Nederlandse tijdschriften. Meer weet ik niet van hem, behalve dan dat hij de dichter is van een erg mooie en overtuigende debuutbundel, die maar liefst 56 gedichten bevat, onder de misleidend zoete titel Honingtuin, met op het omslag een al even misleidend mierzoet tafereeltje van de rococo-schilder Jean-Honore Fragonard. In een romantische tuin met standbeelden en stenen engeltjes zien we een achttiende-eeuws trutje op een schommel met ronde pluchen zitting. Zij schopt aan het eind van haar zwaai haar linkermuiltje uit en kijkt intussen met uitpuilende oogjes naar de bepruikte jonker aan haar voeten, die zo te zien al in katzwijm ligt van het uitzicht dat hem aldus geboden wordt op het door veel onderrokken omruiste gebied tussen haar benen.

Fetes galantes dus, en nu maar hopen dat niemand zich door dit poezelige omslag laat afschrikken. Want Ghyssaert schrijft poezie die, hoewel dwepend met de rococogeest van clavecin en poederdoos, in wezen nuchter en constaterend en afstandelijk is. Hij is een dichter die weet wat hij wel en niet wil. Zijn gedichten staan, als een huis, zoals dat heet. Of nog liever: zij hangen als een schilderij. Zijn poezie behoort tot de soort die tegen de schilderkunst aanleunt, en je zou hem met de lelijke term die daar nu eenmaal voor bestaat een plastische dichter kunnen noemen. Daarmee bedoel ik niet dat hij nu zo graag schildert met woorden, en ook niet dat hij nu zo graag schilderijen bedicht, maar dat zijn gedichten zo trefzeker en afgerond zijn en in het hoofd van de lezer een even rechthoekige herinnering nalaten als schilderijen.

Hoe verhoudt deze dichterlijke plastiek zich nu tot de zoetsappigheid van Fragonard? Ghyssaert voelt zich aangetrokken tot de krullendraaierij van het 18de-eeuwse rococo en waarschijnlijk nog meer tot de langoureuze stemming die eraan ten grondslag ligt - en hij slaagt erin dat te rijmen met zijn 20ste-eeuwse neiging tot distantie.

Het komt bij hem dus aan op de juiste dosering van ironie en camp, op de verhouding tussen inleving en meewarigheid. Misschien vergis ik me hevig en neem ik hem serieuzer dan hij wil zijn, maar Honingtuin lijkt me geen studentikoze flirt met gedateerde onderrokkenlol, en ook geen geval van onversneden weemoed, maar iets moois er tussen in.

Over Fragonard las ik in het handboek van Janson dat hij 'het ongeluk had zijn eigen tijdperk te overleven.' Dat lijkt mij onbedoeld een aardige karakteristiek van wat Ghyssaert aantrekt in het leven onder het Ancien Regime, aan de Franse hoven, in te grote kastelen, in gepoederde salons en Engelse tuinen. Zijn gedichten geven portretten van mensen die diep in hun hart wel weten dat hun eigen tijd al lang voorbij is. In afwachting van een nieuwe tijd die er nog niet is, zit er voor hen niets anders op dan maar door te gaan met achterhaald leven. 'Stately home' geeft een mooi beeld van dit fijne aristocratische leven, in een landhuis waarvan de ramen zorgvuldig dicht blijven. Het eindigt zeer bedaard, met deze meesterlijke regels: Soms gaat een tochtje door de kamers.

Dat was dan de butler die iets zei betreffende het eten. Of dat het bad was volgelopen.

Ghyssaert beschrijft deze hooggestemde verveling in de galante stijl die daarbij past, met veel gevoel voor nuance en met veel oog voor het verrassende beeld en het navrante detail. Hij ziet in een fruitschaalstilleven een 'luchter van de herfst en nobel rot'. Hij hoort hoe de wind nergens 'dunnere flanken' heeft dan in de hobo; maar op deze fijnzinnige constatering volgt meteen de mededeling dat er ook geen muziekinstrument is waar de wind zo 'rot geknepen' wordt.

Onderhuids is het bederf overal aanwezig en er blijft niets anders over dan de ramen dicht te houden en af te wachten: 'Doof de gans in gouden sauzen,- laat de trage vloed van wijn- in kelen rijpen, laat gordijnen zakken- dat wij nobel en onvoorbereid- het splijten van de hemelkoepel afwachten.'

Ghyssaert hoeft weinig te doen om van deze levens stillevens te maken en van de bijbehorende werkelijkheid een museum. Er komen intussen wel degelijk televisies en stoplichten in deze bundel voor. Er is een agent op 'een geolied fietsje', het ziekenhuis heeft al een longmachine en zelfs in een gedicht met de titel 'Jardin anglais'

treffen we een T-shirt aan. Maar toch hangt ook over al deze hedendaagse portretten de doem van de vergankelijkheid en de vergeefsheid, alsof in Ghyssaerts wereld iedereen veroordeeld is tot het ongeluk van Fragonard.

Ziekte, verval, ouderdom en dood zijn hier ruim vertegenwoordigd, en ook wel eens wat al te opzichtig. Als er al een gevaar is dat Ghyssaerts poezie bedreigt, dan is dat het gevaar van het clichegedicht over typetjes, over demente opaas en wrokkige invaliden, afgerond met een kloeke clou. Maar tot zulke gemakkelijke oplossingen laat Ghyssaert zich zelden verleiden. Zijn oplossing is de subtiele constatering, de lichte wending, het rustige spreken dat zich niet (ook niet in enkele sonnetten) in een vorm laat dwingen, maar de vorm zijn wil oplegt. Wat zijn debuut zo bijzonder maakt is niet het onderwerp (Nijhoff, Vestdijk, Smit, Schouten gingen hem in zijn rococofascinatie voor), maar de trefzekere formulering.

In deze bundel is er een man die zich aan het alom aanwezige bederf onttrekt. Hij is te vinden in de honingtuin van het titelgedicht: de bijenhouder die zijn raten betast en temidden van honderdduizend angels rustig zijn honing verzamelt. Hij 'rooft' ze, deze 'zoete, voorgekauwde hompen'. Mooi gezegd. 'Stil en bars is hij, een bijensmid,- en hij beslaat het pantser van zijn bijen- met eenvoudig duurzaam suikerwater'. Ook mooi gezegd. Zijn bijen beschermen zijn tuin tegen de omringende velden, (...)tegen van angst gekrompen velden waar het stil geworden is, doodstil; nooit weg te denken is het zacht gebrom van een constante en sublieme hulde.

Dit mag wel een zelfportret heten, van een dichter die zelfbewust in zijn eigen domein zijn gedichten uitzet - met een eigen geluid, dat vermoedelijk niet meer weg te denken is.

***