Dit simpele paradijs moet blijven

Rijkswaterstaat wil het eiland Rottumeroog in zee laten zakken. Jan Wolkers is daar tegen. Hij bewaart goede herinneringen aan zijn verblijf twintig jaar geleden op het zustereiland Rottumerplaat. “Die van obione, zeekraal, lamsoor en zeealsem flonkerende gesp in onze waddengordel van smaragd wil men laten verdwijnen in de onfrisse stromen van de Eems, vermorsen in het onzindelijke afwaswater van onze industriele welvaart.”

In een van zijn Meditations, dezelfde waar Ernest Hemingway de schitterende titel voor zijn roman over de Spaanse burgeroorlog uit heeft opgediept, schrijft John Donne, al filosoferend over de persoonlijke betrokkenheid bij de schepping van iedere levende ziel, No man is an island, entire of itself; every man is a piece of the continent, a part of the main; if a clod be washed away by the sea, Europe is the less,... Vanzelfsprekend is dat beeldspraak, want bij het onttakelde proza van het dagelijks brood alleen kan een mens niet leven. Maar als John Donne, die leefde omstreeks 1600, in een tijd dus dat een groot gedeelte van het aardrijk nog woest en ledig was, al vindt dat zelfs een nietige kluit aarde die door de zee weggespoeld wordt Europa armer maakt, hoe veel groter zorgen moeten wij ons dan wel niet maken over het lot dat Rottumeroog, en allerminst beeldsprakig, dreigt te ondergaan, wij, die leven in een tijd waarin de natuur, het is al lang geleden door onze dichters opgemerkt, de grootte van een krant niet te boven gaat. Waarin het handjevol dieren en planten dat ons rest nog een wijle als beroete franje in de berm wordt geduld door het gemotoriseerde plebs dat door geen snelheidsbeperking gehinderd voortjakkert langs de heirbanen die weer onvermijdelijk zullen leiden naar de duisternis die op de afgrond is.

Want wat heeft men zich in het hoofd gehaald. Die van obione, zeekraal, lamsoor en zeealsem flonkerende gesp in onze waddengordel van smaragd wil men, alsof wij door de natuur gezegend zijn met een onmetelijke archipel waarin men een eiland minder niet mist, laten verdwijnen in de onfrisse stromen van de Eems, vermorsen in het onzindelijke afwaswater van onze industriele welvaart. Een vele eeuwen lang met hand en tand tegen de elementen beschermd juweel van een eilandje wil men roekeloos van de hand doen aan de liefdeloze Poseidon die alles blindelings verzwelgt met zijn zoutwatermuil. Men wil de natuur haar gang laten gaan zoals dat heet.

Maar wie weten er beter wat de gang van de natuur is dan de mensen die van vader op zoon, dagelijks de bewegingen van zandplaten en stromingen van de onberekenbare zee intens hebben beleefd en waargenomen. Die gewapend met rijshout en helm dit eiland met moeite hebben weten te bewaren. Want de natuur sturen en begeleiden, ook al beweegt zij zich vaak net zo traag als een schildpad tijdens de winterslaap, kost heel wat meer inspanning dan haar maar haar gang te laten gaan. Martinus Nijhoff schreef het al; Want de natuur is niet de mens ter wille:- Slechts langs de weg van haar gestrenge zede- Staat zij ons toe de velden te betreden- Waar sterren bloesemen als asfodillen.

DAGBOEK

Zelf heb ik twintig jaar geleden het voorrecht gehad om enige tijd, in alle eenzaamheid, op Rottumerplaat, dat zustereiland van Rottumeroog, te mogen doorbrengen. Toen ik enkele dagen geleden met de heer Toxopeus telefoneerde, de genius van Rottumeroog, en hij mij uitvoerig zijn eiland beschreef, werd ik overvallen door een diep verlangen naar dat paradijs van vroeger, zodat ik na het telefoongesprek meteen in het dagboek ben gaan lezen dat ik er toen heb bijgehouden.

“Vanaf de hoogte overzie je het hele eiland, dat uit drie stroken duin bestaat, die met een lichte knik in elkaars verlengde liggen. Het middelste stuk is geen duin maar een zanddijk die met helm regelmatig beplant is. Aan de voet daarvan, aan de waddenkant, staan velden zeeraket in grote pollen. Het rijst het zand uit. De tere lila bloemetjes lijken op pinksterbloemen, maar aan de stelen en blaadjes zie je dat het een echte strandplant is die tegen een beetje zout kan.

Sappig en taai. Links van die zandgronden met zeeraket is een uitgestrekte vlakte vol roestbruine schorregrassen waarin de wind tegendraadse plekken heeft doen ontstaan die aan de huid van een langharig rund doen denken dat tegen een boom heeft staan schurken.

Verderop, waar het vochtiger wordt, staan blauwpaars bloeiende pollen lamsoor. Ertussendoor lopen geulen waar soms water in staat dat schetterend tussen het groen en grijs de hemel weerspiegelt. Als je je nog verder van het eiland begeeft kom je op glibberige slikken die vol staan met zeekraal. Ertussen en soms erover alsof ze luchtig ingepakt zijn zitten vaak vliesachtige lapjes die op dun dof gesleten plastic lijken. Dat is prachtige heldergroene zeesla geweest (boomkikkerhuidgroen) die achtergebleven is toen het water wegtrok met de eb. Als het een paar uur in de zon ligt verbleekt het tot dit onnatuurlijke produkt. De verste duinstrook in westelijke richting verliest zich in blauwgrijze schemer van duindoorns. De eerste duinstrook is een uitbundig zwavelgeel boeket van teunisbloemen. Aan de andere kant, op de naar het Noordzeestrand aflopende vlakte staan grote velden havikskruid, kniehoog, franjeachtig donkergeel te bloeien. Het geheel loopt uit in kleine duintjes in wording die door helm en groenblauwe meslemmetbrede zandhaver op hun plaats worden gehouden. Er liggen daar honderden grote strandschelpen en Amerikaanse boormossels in de hitte van de zon kalkachtig te verpulveren. Ver weg zie je in zee Rottumeroog liggen.

“De Waddenzee is dodelijk stil. Als je het duin opklimt hoor je op de top ineens het pittige ruisen van de branding van de Noordzee. De koelte komt je tegemoet. Maar in de diepte heerst de stilte. Die enkele duinenrij houdt alles tegen. Komt de Noordzee bij hoogwater je openhartig fris briesend tegemoet, aan deze kant sluipt het water naar binnen. Ongemerkt. Het lijkt wel of het uit de grond opwelt. Ineens zijn de slenken en kreken en geulen volgelopen, lijken de van zeewier groenfluwelige kleiplaten op de ruggen van een kudde walvissen. Tot die ook verzonken zijn. En dan gebeurt er iets geheimzinnigs en ook dreigends. In de verte komt van links en loodrecht op de kust een wonderlijke branding die ontstaat door het water dat door de geulen tussen de eilanden naar binnen wordt gedreven. Een paar lange strepen wit schuimend water die sneller lijken te gaan dan een paard in volle galop.

“Soms schrik je van een voetafdruk die je in het zand ziet, maar als je er voorzichtig op gaat staan past je voet er precies in. Er is niemand anders op het eiland.

“Toen ik langs de oostelijke kant van het eiland naar de Noordzee liep, zag ik dat het water in het diep tussen hier en Rottumeroog op een vreemde manier in beweging was. Het kolkte en rimpelde en soms trokken er strepen van dik water over het oppervlak. En toen gebeurde het ineens. Ze sprongen bij tientallen tegelijk boven het water uit.

Grote zilverkleurige gepen. Ik schrok, want het waren geen dartele sprongen boven het zoute water uit. Het leek wel of ze door een enorme angst gedreven hun element wilden ontvluchten. Wild en onbeheerst.

Flitsend en blinkend als lemmetten. Ademloos stond ik daar in het zand tot ze geleidelijk weer tot rust kwamen en naar de Noordzee verdwenen.''

Als u vindt dat dit simpele paradijs moet blijven bestaan moet u lid worden van de Stichting Vrienden van Rottumeroog, Zr. A.

Westerhofstraat 15, 9965 PH Leens.

    • Jan Wolkers