'Derde Wereld gaat opnieuw verloren decennium tegemoet'

DEN BOSCH, 19 APRIL. Minder bestrijdingsmiddelen, maar meer kunstmest en in het algemeen: een hogere opbrengst per hectare. Aan die voorwaarden moet de landbouw in ontwikkelingslanden voldoen om de wassende stroom Derde-wereldburgers te kunnen voeden. Althans volgens dr. J.W.A. Vingerhoets en hij voelt zich in die opvatting gesteund door het gros (“meer dan 90 procent”) van de conferentiegangers in Den Bosch.

De Brabantse hoofdstad was de afgelopen week tot vanmiddag het toneel van een internationale bijeenkomst over landbouw en milieu, georganiseerd door de FAO (voedsel- en landbouworganisatie van de Verenigde Naties) met steun van de Nederlandse regering. Tot de 250 deelnemers behoorde de 48-jarige Nederlander Vingerhoets, topambtenaar - sinds september 1989 - bij weer een ander lichaam van de VN, de in Rome zetelende Wereldvoedselraad (WFC), door hem omschreven als “het hoogste politieke VN-orgaan op voedselgebied met als mandaat het bestrijden, zo mogelijk uitbannen van de honger in de wereld”.

Aan de vooravond van de slotverklaring van Den Bosch geeft hij als zijn mening dat daartoe de agrarische produktie in de ontwikkelingslanden jaarlijks met enkele procenten moet stijgen: “En dat kan praktisch niet door uitbreiding van het landbouwareaal. Alleen in Afrika zijn nog wat extra gronden beschikbaar. Het moet dus voornamelijk uit de diepte komen en dat betekent een intensievere landbouw.”

Met dat laatste neemt hij afstand van diverse milieu- en Derde-wereldorganisaties, die ter gelegenheid van 'Den Bosch' de FAO onder vuur namen. Zij noemen de strategieen van die kant “slechts aanpassingen in de marge van de weg die tot vele problemen, vooral voor de armsten, leidde” en stellen daar hun ecologisch, werkelijk duurzaam landbouwmodel voor in de plaats.

Vingerhoets kan zich juist goed vinden in de FAO-politiek: “Het milieu is hier, op deze conferentie, geen doel op zichzelf, maar een middel om iets aan de armoede te doen. Het gaat om voedselzekerheid, de zekerheid dat men voldoende voedsel kan blijven produceren, en om dat te bereiken, is intensivering van de landbouw met een hoger kunstmestgebruik voorlopig hard nodig.”

Hij trekt een vergelijking tussen Nederland en Afrika bezuiden de Sahara. Nederland staat met 500 kilo kunstmest per hectare cultuurgrond bovenaan de lijst van gebruikers; 'zwart' Afrika staat onderaan met vijf kilo per hectare. “En dat is veel en veel te weinig. Vijf kilo betekent dat er minder voedingsstoffen de grond ingaan dan eruit komen, zodat de bodem gaandeweg verarmt. Afrika lijdt dus milieuschade door gebrek aan kunstmest.”

Volgens Vingerhoets zou de hoeveelheid zelfs veertig keer groter moeten worden tot 200 kilo per hectare; daar ligt voor hem ongeveer de grens, “want we moeten natuurlijk niet in de fouten van Nederland vervallen”.

Tegelijk pleit hij hij voor een vermindering van het pesticidengebruik: “Dat is tenslotte gif en daar spuiten ze ook in een aantal ontwikkelingslanden, zeker in Azie, te veel van. We moeten de kant van de biologische middelen op, met andere woorden: laat de natuur haar werk doen.”

Als de grootste milieuproblemen in de Derde wereld ziet ook Vingerhoets verschijnselen als ontbossing, woestijnvorming, bodemerosie (het wegspoelen van vruchtbare grond) en verzilting. De bestrijding daarvan moet hoog op de prioreitenlijst staan. Maar wie betaalt? Vingerhoets: “Niet de armen. Zij hebben geen geld en behoren evenmin tot degenen die het milieu grote schade toebrengen.” Wie betaalt dan wel? Vingerhoets: “De rijke landen alsook de rijken en de mensen met een behoorlijk inkomen in de Derde wereld zelf.”

Op de eerstvolgende ministersconferentie van de Wereldvoedselraad - van 5 tot 8 juni in Denemarken - zal dit alles weer breeduit ter tafel komen, met een zekere klemtoon op de noodzaak van landbouwkundig onderzoek in die ontwikkelingslanden waar dergelijk onderzoek vrijwel ontbreekt. De omstandigheden waaronder de ministers (uit 36 landen) hun opvattingen zullen ventileren, zijn bepaald niet bemoedigend.

Vingerhoets: “Het aantal mensen dat in armoede leeft, is groter dan ooit. Het zijn er meer dan een miljard. Van hen lijden er 500 a 600 miljoen aan chronische ondervoeding en dan is Oost-Europa nog buiten beschouwing gelaten. In Latijns Amerika en Azie blijven de aantallen ongeveer gelijk, al zijn er binnen Azie sterke verschillen. China en Indonesie geven een verbetering te zien, maar landen als India en Bangladesh een verslechtering. Daar vindt men de grootste groepen armen en ondervoeden. En dan Afrika, daar is sprake van een schrikbarende toename.”

Nog in 1990 veronderstelde een instituut als de Wereldbank dat via economische groei en beter beleid van regeringen de aantallen zouden dalen. Nu, amper een jaar later, is dat optimisme aanmerkelijk geslonken zoniet verdwenen. In Afrika blijkt het inkomen per hoofd nog altijd te verminderen. Ook in Latijns Amerika (Brazilie en Argentinie) gaat de economie achteruit. In diverse Westerse landen, de Verenigde Staten voorop, heeft de recessie toegeslagen. Oost-Europa kost handenvol geld en de Golfoorlog kwam er ook nog eens tussen.

Vingerhoets: “Die factoren samen maken de vooruitzichten voor 1992 en 1993 verre van florissant. Ik vrees dat we na het verloren decennium van de jaren tachtig opnieuw een lost decade beleven.”

Daarbij komt dat de wereldbevolking in stevig tempo blijft doorgroeien. De VN moesten wat dat betreft hun prognose van 1988 bijstellen: de verwachte daling van de groei voltrekt zich minder snel dan men had verwacht, wat een extra aantal van 300 miljoen wereldburgers in het jaar 2000 oplevert.

Vingerhoets: “Dat alles betekent dat steeds meer mensen steeds minder land tot hun beschikking hebben en daaruit volgt dat het voor de Derde wereld steeds moeilijker wordt voldoende voedsel te verbouwen.”

Een sombere vaststelling, die ervan uit gaat dat de ontwikkelingslanden grotendeels voor hun eigen kost moeten zorgen.

Vingerhoets: “Ja, dat klopt. De wereldhandel kan hier geen oplossing bieden. Enerzijds omdat de vervoers- en havencapaciteit te kort schiet, anderzijds omdat de ontwikkelingslanden vreemd voedsel eenvoudig niet kunnen betalen.”

    • F.G. de Ruiter