De punten en komma's van een Assyrische krijger; Het wetenschappelijke schilderen van Seurat

“Ze zien poezie in wat ik maak. Die is er niet, ik pas mijn methode toe, dat is alles”, zei de Franse neo-impressionist Georges-Pierre Seurat over zijn werk. Voor hem was schilderen een wetenschap. Honderd jaar geleden overleed hij, nu is er een grote Seurat-tentoonstelling te zien in het Grand Palais in Parijs . “Seurat heeft zijn figuren net zo steil en ontoegankelijk afgebeeld als hijzelf moet zijn geweest.”

Tot 12 augustus in het Grand Palais, Avenue du General-Eisenhower, metro: Champs-Elysees-Clemenceau. Alle dagen geopend, behalve dinsdag, van 10 tot 20 uur, wo. tot 22 uur. Catalogus: Ffr. 350.

Het Grand Palais in Parijs ontvangt vandaag zijn museale vrienden.

Kort na de opening op een doordeweekse ochtend schuifelen lange rijen bezoekers in zondagse kleding langs het werk van hem die nu 'een van de grootsten na de renaissance' wordt genoemd. Er wijzen gaaf gelakte nagels naar een horizon. 'Les bourgeoises' vinden het werk 'vibrant et ravissant'. Hun echtgenoten komen tot zaken in de wandelgangen.

Georges-Pierre Seurat zou de genodigden met verbijstering hebben gadegeslagen. Hij was er de man niet naar om 'gezien' te worden. Hij zou in een hoekje zijn schetsboek ter hand hebben genomen, om een enkele bezoekster in een donzige vlek te portretteren. Samen met andere dames zou ze jaren later verschenen zijn op een denkbeeldig 'tableau vivant', Un Vendredi au Grand Palais.

Het is onvergeeflijk dat de twee bekendste 'tableaux vivants' van Georges Seurat in Parijs ontbreken. Ze mochten van The Art Institute of Chicago en van de National Gallery in Londen niet op reis. Nu moeten we het stellen met de voorstudies en kleinere schilderijen rondom dezelfde thema's, zoals Un Dimanche a la Grande Jatte.

Elke dag weer, een half jaar lang, in de zomer van 1884, was Seurat met zijn schilderskistje naar La Grande Jatte getrokken, het eiland in de Seine, ten noord-westen van Parijs. In de vroege ochtend kabbelde er een enkel zeilbootje langs de oever. In de namiddag snuffelden honden naar wat er in het gras was overgebleven van een picknick. Maar als de zon het hoogst stond, heerste er een drukte van jewelste. Onder de hoge bomen streken echtparen en families neer, de dames hengelden en borduurden wat onder hun parasols, verpleegsters waakten over hun patienten. Af en toe gooide de kinderen steentjes naar die gekke, schilderende voyeur. Achter hen flaneerden de 'cocottes', die er met hun beschermheren ook wel eens tussenuit wilden.

Seurat hield de gazons op elk uur van de dag in de gaten. De passanten kwamen op papier of op houten paneeltjes terecht, in haastige penseelstreekjes, laag over laag. Het aapje dat met een van de echtparen mocht meewandelen, tekende hij wel tien keer, voordat hij wist hoe het er in olieverf moest uitzien. Zijn kopje steekt oplettend naar voren, en zijn gekrulde staart ziet er al net zo alert uit; klaar voor de grote sprong voorwaarts.

Eenmaal thuis, op het atelier in de Rue de Chabrol, schoven het aapje en de recreanten van La Grande Jatte als pionnen over het doek. Ze kregen op gepaste afstand, en profil, een plaats toegewezen. De zich verpozende dames, de verdwaalde trompettist en de soldaat die in de namiddag nog even een kijkje bij de Seine was komen nemen; allen ontmoetten elkaar op de zes vierkante meter linnen die precies tussen de twee muren en de entresol van het atelier paste. Op elke centimeter van het doek lieten de penselen minimale sporen in pure kleuren achter.

Staand op zijn trapleertje voerde Seurat uit waar hij al jaren op gebroed had: schilderen door onvermengde kleuren in punten en streepjes, in bepaalde richtingen naast elkaar te plaatsen, opdat het oog van de kijker diezelfde kleurtoetsen zou combineren. De 'deconstructivist' Seurat ontwierp de theorie van de 'optische melange', een schilderkunstig scheiden en optisch samenvoegen van warme en koude, donkere en lichte tinten, van complementaire kleuren als blauw en oranje, rood en groen, om een hogere intensiteit van tonen te bereiken. Elk toeval moest worden uitgesloten. Alleen op die manier zou harmonie, helderheid en puurheid ontstaan.

Hij ging nog verder: hij groef naar de psychologische uitwerking van kleuren, maakte kleuranalyses van het werk van Delacroix en Turner, bestudeerde de theorieen over lijnvoering van Humbert de Superville en de recente chemische en natuurkundige ontdekkingen rondom het spectrum. De geleerde Seurat zocht naar een verbond tussen wetenschap, academische traditie en impressionistische verworvenheden. De kunst vroeg om regels en formules.

Un dimanche a La Grande Jatte bracht in 1886, nogal wat opwinding teweeg op de achtste en laatste tentoonstelling van de alternatieve Salon des Independants, waar Seurat deel van uitmaakte. Op de officiele Salon was hij niet voor vol aangezien, maar ook 'Independants' als Monet, Renoir en Sisley, weigerden hun werk naast die 'puntjesrasters' op te hangen. Na deze expositie was de groep geen groep meer.

'Een ware confetti-schilder', schamperden de critici. 'Punten, komma's, en nog eens punten en komma's'. De schrijver en criticus Felix Feneon, die onophoudelijk, maar toen vergeefs, de loftrompet over zijn vriend stak, verzon de term 'neo-impressionisme', opdat Seurat zou worden bijgezet in het pantheon van schilderkunstige vernieuwers. Daar moeten we een stokje voor steken, meenden anderen: Seurat had met La Grande Jatte een schouwspel geschilderd waarop de personages er net zo stijf en truttig uitzagen als de sculpturen uit de Egyptische oudheid. Geen 'tableaux vivants', maar 'tableaux morts'.

STADSPLANNING

Dat alles is meer dan een eeuw geleden gezegd en geschreven. Seurat is nu op de kop af honderd jaar dood. Het eiland La Grande Jatte is dankzij projectontwikkelaars en de gemeentelijke afdeling stadsplanning geasfalteerd en volgeplempt met appartementen. De romantische uitspanning aan de andere kant van de Seine, waar je met cider je dorst kon lessen, is met de grond gelijk gemaakt.

Kunsthistorici kijken terug en zien hoe het 'confetisme' Vincent van Gogh, Matisse en Derain wist te beinvloeden. Ook Pissarro liet zich verleiden tot het pointillistisch schilderen. Die methode frustreerde hem een beetje. Een enkel 'puntjesdoek' kostte vier keer zoveel tijd als een gewoon schilderij, schreef hij. Dat was niet economisch.

Trouwens, hoe kon hij in vredesnaam direct reageren op wat de natuur hem bood?

In de Franstalige Seurat-publikaties wordt graag Van Gogh geciteerd. Samen met Theo bezocht hij diens atelier en zag er 'een openbaring van kleuren'. Hij herkende in Seurat 'le chef du Petit Boulevard', de voorman van de avant-garde; de 'arrives' zaten in de galeries op de 'Grands Boulevards'. De fauvisten, kubisten en de Italiaanse futuristen, zelfs Mondriaan en Kandinsky stuitten ooit op Seurats kleurenleer. Niemand minder dan Roy Lichtenstein heeft zijn stripschilderijen eigenlijk, indirect, aan de puntjestechniek te danken, zo lezen we nu.

KUSTSTROOK

Geen Mondriaan of Lichtenstein in Parijs. Voor Seurats beste vriend, buurman en trouwe navolger Paul Signac is evenmin ruimte vrijgemaakt.

In thematische, en min of meer chronologische volgorde trekken de eerste tekeningen voorbij en de vroege landschappen van de noordelijke Franse kuststrook. Daarna zijn de 'veroveringsdoeken' aan de beurt, zoals Seurat ze zelf noemde, die forse schilderijen waarin hij zijn wetenschappelijke theorieen tot in de perfectie uitwerkte. Hij maakte er maar zes. Elk 'veroveringsdoek' - twee in fotokopie en vier als origineel - wordt vergezeld door series miniatuurstudies. Seurat noemde ze 'croquetons', crackers, ter grootte van een pocketboek. Van die studies werd op de definitieve schilderijen alleen in afmetingen en in schilderstijl afgeweken. Kleuren en houdingen bootste de schilder exact na. Hij vertrouwde op zijn eerste visie.

Zo veel als we nu weten over de techniek en de invloed van de schilder Seurat, zo weinig wisten zijn beste vrienden over de persoon Seurat.

Een lange, bebaarde en verlegen man met een benijdenswaardige hoeveelheid energie en met het profiel van een Assyrische krijger, beweerden zijn vrienden. Hij had het hart van een apostel en de vriendelijkheid van een klein meisje. Hij keek ernstig en een beetje verdrietig, maar 'het licht troostte hem', zei Signac later. Hij verdedigde zich nooit tegenover zijn critici, dat karwei liet hij opknappen door Feneon of Signac.

Men noemde hem 'de notaris', omdat hij in zijn keurige burgermanskostuum, met wandelstok en hoge hoed, 's avonds, stipt op tijd naar de Boulevard de Magenta vertrok om bij zijn moeder te eten.

Bij haar is hij ook overleden, aan difterie. Niet ouder dan 31 jaar. Op dat moment pas ontdekten zijn vrienden dat hij al zes jaar een vriendin had, Madeleine Knoblock, en een zoontje van achttien maanden, dat kort na de dood van zijn vader aan dezelfde ziekte zou overlijden.

Madeleine erfde een paar werken, waarvan ze sommige kon slijten voor vijfhonderd francs elk.

CO WESTERIK

Die persoonlijke gegevens doen eigenlijk weinig ter zake, ware het niet dat Seurat zijn figuren net zo steil en ontoegankelijk heeft afgebeeld als hij zelf geweest moet zijn. Zij, die hem verweten de bevroren leefwereld weer te geven van Egyptische goden en hovelingen, hadden wel een beetje gelijk. Kijk bij voorbeeld eens naar dat andere, in Parijs ook helaas afwezige schilderij, Une baignade, Asnieres. Er komen alweer zonaanbidders op voor, half ontklede mannen dit keer, die languit en gelaten in het hellende gras naar het water liggen te staren. Achter hen kringelt gele rook uit de fabriekspijpen. Elk van hen is op zichzelf, en heeft zo zijn eigen gedachten en herinneringen.

Afstand is dringend gewenst. In het water staat een jongen, die opvallend veel overeenkomsten vertoond met de 'afdalende figuren' van Co Westerik. We zien hem ruggelings, zijn neus raakt bijna het water.

Ziet hij kikkervisjes of houdt de liefde hem bezig? Op geen enkel doek zijn mensen in een gesprek verwikkeld. Nergens worden toenaderingspogingen ondernomen. Een ieder heeft genoeg aan zichzelf. Schilderde Renoir dezelfde oeverscenes als feesten met wulpse dames en geamuseerde heren, bij Seurat is het feest voorbij.

Men is weer aan zichzelf overgeleverd. Sterker nog, de eigenaardigheid van elk mens afzonderlijk is van geen enkel belang. De besnorde mannen van Une Baignade en de op z'n zondags geklede dames van La Grande Jatte zijn inwisselbaar en ondergeschikt aan datgene dat Seurat wilde bereiken. Een schilderkunst als wetenschap, een schilderij als toonbeeld van harmonie. “Ze zien poezie in wat ik maak. Die is er niet, ik pas mijn methode toe, dat is alles!”, zei hij zelf.

Op de tentoonstelling is mooi te zien hoe de anonimiteit van Seurats personages in het vroege werk opdook. Op de eerste tekeningen, gemaakt op de Ecole des Beaux-Arts, komen de ideale torso's en klassieke naaktmodellen voor, zoals voorgeschreven door de academie-leraar Henri Lehmann, een leerling van Ingres. Mannelijke arm- en bilspieren wedijveren om de meeste plasticiteit. Elke haarlok moest in drie dimensies het papier op. Hoewel dit soort tekeningen in onze tijd veel bewondering oogst, was Seurat een zeer matige, weinig enthousiaste leerling. Hij diende van hogerhand op die speciale wijze te tekenen.

Er zat niets anders op. Na terugkeer van zijn tussentijdse militaire dienst, hield hij die torso's voor gezien. Het werk van de Barbizon-schilder Millet bracht hem op het idee 'gewone' mensen in hun alledaagse doen en laten te observeren. Wasvrouwen, boeren, dames met hond of bloemen, tuinlieden, bouwvakkers, kooplui en muzikanten. Ze hangen in Parijs als schimmen langs de wand, alsof ze vluchtig onder het licht van een olielamp zijn waargenomen, betrapt in een bruikbare houding. Op elk blad heerst de schemering, op elke schets hangt iets onafwendbaars om de silhouetten heen. Sommige doen denken aan die allereerste foto, die heliogravure uit 1827, die Nicephore Niepce maakte uit zijn raam in Le Gras. Een geheimzinnig procede liet stoffige contouren achter van een onbeduidend moment uit de werkelijkheid.

Ook in Seurats verlaten landschappen, daar waar een stoomboot over het water stampt of een locomotief voortsjokt naar 'la gare Saint-Lazare', lijkt er iets verdrietigs te gebeuren. Ze schuiven doelloos de nacht in. Maar toch verschijnen tussen de papiervezels de eerste lichtpuntjes, nu nog min of meer toevallig veroorzaakt door de structuur van het schetsvel, later als techniek geformuleerd in een persoonlijke wet waaraan de schilder zich volledig zou onderwerpen.

BANKROVER

Zeer bewust experimenteerde Seurat lange tijd in het vettige conte-krijt. Hij maakte het zich niet gemakkelijk. Even iets te veel kracht zetten, en dat summiere onderscheid tussen meer of minder schaduw is tenietgedaan. Vooral de tekeningen laten in Parijs een onuitwisbare indruk achter. Het portret van zijn vader is aangrijpend.

De man lijkt op een bankrover, die, met een nylonkous over zijn grote hoofd getrokken, in het halfduister een bord soep probeert te verorberen.

Seurats vader, een rentenierende eigenaar van onroerend goed, was ook in werkelijkheid een vreemde kostganger. Alleen op de dinsdagen vertoonde hij zich 's avonds bij zijn vrouw en kinderen. Het avondeten werd er onder volstrekt stilzwijgen genuttigd. De andere dagen van de week verbleef hij ergens in een buitenhuis, tuinierde daar wat, bladerde door zijn collectie religieuze prentjes en droeg met zijn tuinman af en toe een mis op in een kapelletje dat speciaal voor dat doel was ingericht.

Zouden er kaarsen hebben gebrand? Zou Seurat zijn vader in dat kapelletje bezocht hebben? Zag hij daar die schemerige atmosfeer van de conte-schetsen? Hij bezat in elk geval wel van die mysterieuze bidprentjes waar zijn vader zo dol op was. Meer weten we niet.

Dat hij voor zijn moeder veel meer sympathie koesterde, staat wel vast. Zij kreeg, net zoals zijn vriendin, een heus gezicht. Beide vrouwen lieten zich blijkbaar aan de schilder kennen. Misschien waren zij ook de enigen die Seurat mochten doorgronden. Wie zal het zeggen?

Zijn moeder zit bedachtzaam bij een lichtbron te borduren. Zij was zijn steun, toeverlaat en bewonderaarster. De jury van de Salon in 1883 wees de tekening af als onhandig knoeiwerk. Vriendin Madeleine Knoblock, een mollige vrouw, of zoals de Fransen zeggen 'aux formes genereuses', werd geportretteerd in olieverf. Zij poedert haar decollete, omringd door rococo-snuisterijen. Nog steeds zijn de deskundigen het niet eens over de echte identiteit van deze vrouw, hoewel Madeleine zelf over 'haar portret' sprak.

Tegenover die troebele taferelen op papier, staan de stralende landschappen op linnen, volhardend opgebouwd in punten en komma's. Er lijken twee kunstenaars aan het werk te zijn geweest. Een melancholicus van het zuiverste water, de tekenaar, en een analystische wetenschapper, de schilder, die, zoals in die tijd vaak viel te horen, alle heil verwachtte van een geindustrialiseerde maatschappij.

STORM

In de zee- en havengezichten, eveneens afkomstig uit particuliere en museale verzamelingen in Europa en Amerika, heeft Seurat kans gezien zelfs de noordelijke najaarsluchten te laten tintelen. Juist het rusteloze water leent zich goed voor zijn techniek. Geen stilte voor de storm, zoals op zijn tekeningen, maar een onverstoorbare kalmte waarin duinen, rotsen en vissersdorpen zijn weggezonken. De zee is een comfortabel ligbad in zachtgroene en pastelblauwe tinten. Wie goed kijkt, ontdekt tussen de golven wijnrode, citroengele en okere stipjes. Zwart kwam op het palet niet voor.

Het is eigenlijk onvoorstelbaar dat een schilder die zo kort leefde, zo vele, tot in de finesses gepointilleerde doeken heeft nagelaten. En dan laten we de lijsten, die hij in tegengestelde kleuren eveneens in stippen op het doek aanbracht, verder maar buiten beschouwing. In vele gevallen zijn die persoonlijke kaders verdwenen onder protserige lijsten.

De vrolijke kant van de 'kunst-technicus', zoals Seurat zichzelf zag, is nog niet aan bod gekomen. De man die van het volksvermaak hield, het cafe-concert, de music-hall, het circus. Terwijl Degas zijn ogen uitkeek in het Cafe des Ambassadeurs op de Champs-Elysees, zwierf Seurat in het sjofele Montmartre. In zijn tijd telde Parijs zo'n duizend 'saltimbanques', kunstjesmakers. die samen met trompettisten en trommelaars de 'public relations' van het circus verzorgden, of die zo maar door straten trokken.

ELFJES

In Montmartre stond ook het circus van Monsieur Fernando, dat later Renoir, Toulouse-Lautrec en Picasso te gast kreeg. Daar sprongen de dames als elfjes heen en weer op prijspaarden als Bitter en Voltige.

In de nok hing Miss La-La zonder vangnet. Haar enige houvast was haar gebit, waarmee ze zich in het touw vastbeet. In de piste knalde de zweep van de spreekstalmeester en tussen de bedrijven door deed Pierrot zijn best om zo onhandig mogelijk voor het voetlicht te komen.

Tijdens de voorstelling maakte Seurat in zijn handplam schetsjes die later in een geometrisch raster werden uitgewerkt. Op het doek 'Cirque' zijn de elfjes, de clown en het publiek een beetje karikaturaal afgebeeld in overwegend blauwe en gele stipjes. Koele kleuren voor zo veel opwinding, herrie en sensatie.

Parade de Cirque hangt als apotheose aan het slot van de tentoonstelling. Een blazersensemble verleidt de voorbijgangers vanachter een schaars verlichte, verhoogde balustrade: 'Komt dit zien, komt dit zien!'. Het is avond, de lichtjes op de luifel lijken van paarlemoer. De ijdele circusbaas houdt zijn musicerende werknemers in de gaten. “Er moet voor dat tarief goed gespeeld worden, mannen”, je hoort het hem zeggen. Maar op de voorgrond, in het middelpunt van dit sprookjesachtig knappe doek, het summum van Seurats kunnen, staat iemand anders opgesteld. Een trombonist, wiens gezicht schuilgaat achter de driehoekige kap die hij op zijn hoofd draagt. Alweer een man die niet gezien wil worden.