De appel

Heb je wel eens hoofdluizen gehad? Waarschijnlijk niet, het lijkt wel of ze voorgoed zijn verdwenen. Meer dan dertig jaar geleden kwamen ze nog regelmatig voor. Ze jeukten erg en sprongen graag van het ene hoofd naar het andere. Ze werden bestreden door een doek in spiritus te drenken en die om het haar te wikkelen. Het hoofd van een jongen werd ook wel eens kaal geknipt. Voor de oorlog gebeurde dat heel vaak, vandaar dat er op oude schoolfoto's zoveel jongens met kale koppen staan.

Het kind hier werd ruim driehonderd jaar geleden onder handen genomen.

De moeder speurt met een fijn kammetje naar de boosdoeners in het haar van de dochter. Ze zoekt en zoekt en aan de aandachtige blik en de net zo aandachtige vingers is te zien dat ze geen luis zal overslaan.

Je staat dicht tegen haar aangedrukt, je voelt haar knieen in je rug. Wat jeuken die luizen! Steeds raken de tanden van de kam een ander plekje van je hoofd. Je begrijpt dat het gebeuren moet, maar er komt geen einde aan. Zo lang sta je nu al stil dat het is alsof je misschien wel nooit meer in beweging zult komen. En dan ook nog je hoofd steeds in diezelfde stand. De dingen in de kamer worden steeds saaier, je zou ze liever niet eens meer zien.

Het is de laatste behandeling. Dat wist je toen je moeder je bij het spelen stoorde. Straks ben je schoon en kun je weer rennen met wapperende haren, maar dan heb je eerst een grote hap uit die appel genomen.