Column

Corpsballen

Vanuit mijn Groningse hotelkamer zie ik corpsballen en -ballerina's tegen een steile wand klimmen en ik wacht geduldig tot ik een dubbele naam zie kletteren.

Het schijnt een sport te zijn en iemand vertelde mij laatst dat op een muur op een van de gebouwen van Papendal een bordje hangt dat het verboden is om tegen deze muur op te klimmen. Dus je zit daar rustig in de kantine een bakje koffie te drinken, je denkt dat je alleen bent en opeens hoor je een kuchje. Je kijkt omhoog en ziet zo'n gevelgek die voor schilderij speelt. Ik zou een spontane hartverzakking krijgen. Het is een sport voor geile Gerrit die niet via de trap naar de zolderkamer van zijn geliefde wil klimmen, maar met een roos in de mond tegen de gevel omhoog wil. Boven heb je twee kansen: of ze flikkert je als een geraniumpot uit de vensterbank of ze ontvangt je als held en je mag zonder touw nog een keer in haar klimmen.

Ik aanschouw de studentjes geduldig en vraag me af of de koerierszoontjes (of moet het zijn coureurszoontjes) van piano-Pieter er ook tussen hangen. Ik ben er ook nog niet uit of het een wedstrijd is. Doen ze wie het eerst boven is of gaat het erom dat je zo lang mogelijk blijft hangen? Raadsels, raadsels, raadsels voor de eenzame cabaretier op de mooiste kamer van de stad. Wordt de finale op de Martinitoren gehouden en misschien is het wel de heerlijkste humor dat men bij de winnaar het touw doorknipt en dat hij de nacht op de torenspits mag doorbrengen. Heerlijk. Een nacht kijken naar de stappende massa. In Groningen is dat geen straf.

Toch is het een beetje zielig om die keurige jongens en meisjes tegen zo'n wand te zien klimmen. Maar ik ben bang dat ze zelf hun eigen treurigheid niet inzien. Integendeel: het was een te gekke week, goede contacten opgedaan met andere kletteraars en gesprekken in de trant van: het stond op de Grote Markt zwart van de mensen. Ik kan nu al bevestigen dat er af en toe een verwaaide huisvrouw, een eenzaam huishoudbeurstypetje, de zware tas met aardappelen liet staan om te kijken wat er aan de hand was. Het kan aan mij liggen, maar ik ben meer dan onder de indruk. Jonge jongens in een fluorescerende pamper tegen een wandje, meiden met hun veel te dikke hockeykont worstelend tegen de Groningse Muur. Er bleef mij niets anders over dan de simpele gedachte van de doordeweekse provincietandarts die aan mij vroeg of het mij ooit gespeten had dat ik nooit gestudeerd had. Ik heb niet geantwoord, alleen gekeken en ben 's avonds fluitend teruggereden naar Amsterdam. De man zat al twintig jaar op dezelfde vierkante meter in Doesburg in al die bekken te boren. Daarom denk ik bij dat trieste corpsballen-wandje: Laat maar hangen!