Burgers en overheid in de kunst; Veroordeeld tot een omarming

De hulpbehoevende mecenas. Particulier initiatief, overheid en cultuur, 1940-1990. Onder redactie van C.B. Smithuijsen. Boekmanstichting- Walburgpers, Amsterdam- Zutphen, 1990. 352 blz. geill. Prijs (f) 39,90

Vrijwilligsters die uniformen voor harmonie en majorettenkorps naaien, burgers die met hun donaties een museum steunen en bedrijven die met giften een orkest in stand houden. Dat zou je in de cultuurzorg wat meer moeten zien, meent menig waarnemer van ons culturele leven. Zoals minister d'Ancona vorige week nog liet weten: “Het kunstleven moet waardering en loyaliteiten minder zoeken in het overheidscircuit en meer in de samenleving zelf.”

Het is niet moeilijk te raden waarom de minister dat wil. Aan de ene kant is daar de Tussenbalans, die voor kunst en cultuur iets bracht waar vele jaren aan ontkomen kon worden: bezuinigingen, aan de andere kant maken de minister en haar ambtenaren zich wel eens zorgen over de vraag of die overheidszorg voor de cultuur wel voldoende kan rekenen op de instemming van de burgers die al die subsidies met hun belastinggeld betalen. Als spookbeeld geldt nog steeds de plotselinge afbraak van het opbouwwerk, die ongeveer een decennium geleden inzette. Toen duidelijk werd dat niemand zich nog voor de voltooiing van de heilstaat interesseerde - behalve de opbouwwerkers zelf natuurlijk - was het meteen gedaan. Als een hinderlijk kippeveertje werd het opbouwwerk weggeblazen, zozeer was de legitimiteit ervan inmiddels ondermijnd.

Dat zal de kunstwereld niet zo gauw overkomen. Zij is beter georganiseerd en in de media staat een legioen van spraakmakende sympathisanten klaar om elke bezuiniging als cultuurbarbarij af te schilderen. Werkelijke argumentatie is moeilijker. Van het gesubsidieerde kunstaanbod profiteert maar een handvol toch al bevoorrechte Nederlanders en de bevolkingsgroepen voor wie de drempels zijn weggenomen laten het massaal afweten. Sceptici als vroeger Drees en tegenwoordig enkele neo-conservatieve economen (zoals Banfield en Grampp in de VS, of De Grauwe in Belgie) kunnen het de voorstanders van een door de overheid gefinancierd cultuuraanbod knap lastig maken.

De legitimering van de overheidsfinanciering van een groot deel van het kunstaanbod berust op gewoonte en goede bedoelingen en die praktijk is noch tegen economische argumenten, noch tegen evaluatie-onderzoek goed bestand.

Het is daarom voor een minister van cultuur altijd een uitkomst als hij in ieder geval kan wijzen op burgers die niet alleen in kunst en cultuur zijn geinteresseerd, maar er ook het geld en de tijd voor over hebben om de cultuuruitingen mogelijk te maken. Zie je wel, kan hij dan zeggen als een computerfabrikant een orkest sponsort of een vriendenvereniging hand- en spandiensten voor een museum verricht, zie je wel dat er een maatschappelijk draagvlak is?

TOEWIJDING

In de onlangs verschenen bundel De hulpbehoevende mecenas inventariseren zes sociologen de particuliere inspanningen op verschillende culturele terreinen: literatuur, beeldende kunst, podiumkunsten en monumentenzorg. Het boek is geschreven in opdracht van het Prins Bernhardfonds, het grootste particuliere cultuurfonds van Nederland en het poogt een overzicht te geven van de wijze waarop het 'particulier initiatief' bijdraagt aan de financiering van de cultuur. De zes auteurs hebben zich met veel toewijding van hun taak gekweten. Kees Bruin geeft een overzicht van de steun aan letterkundigen, varierend van het mecenaat van de reder Ludo Pieters, die Gerard Reve jarenlang steunde door een werkkamer en zijn wijnkelder ter beschikking te stellen, tot het onvermoeibaar streven van uitgever Geert van Oorschot naar een integrale Multatuli-uitgave.

Ook het schrijversprotest van de jaren 1962 en 1963 komt uitgebreid aan de orde. De beschrijving van die geruchtmakende actie, het protest van vijfenzestig schrijvers, die in het begin van 1963 een aide-memoire voorzien van de titel 'De hulpbehoevende mecenas' aan de staatsecretaris van O, K en W stuurden, geeft tevens de verklaring voor de titel van dit boek. De schrijvers redeneerden dat de literatuur beneden de kostprijs aan de man wordt gebracht, net als onderwijs, concerten en toneel. Het verschil was echter dat in de literatuur het verschil niet door de staat, maar door de schrijvers zelf werd bijgepast. De schrijvers waren dus eigenlijk de mecenassen - zij het de hulpbehoevende - van de Nederlandse literatuur. Tegen zoveel inventiviteit was de staatssecretaris niet bestand. In 1965 kregen de schrijvers met het Fonds voor de Letteren een subsidie-instrument in handen waarmee de ergste noden werden gelenigd.

Bram Kempers behandelt en detail de wijze waarop particuliere kunstverzamelingen, zoals de verzamelingen Bredius, Van Heek, Kroller-Muller en Boymans-van Beuningen in het bezit van openbare musea kwamen, of tot zo'n instelling werden omgevormd. Ton Bevers en Erik Hitters beschrijven het opmerkelijk levendige culturele klimaat in de Brabantse gemeente Hilvarenbeek en geven een onthullend beeld van de verwoede pogingen van het Philips Ontspannings Fonds om zijn in de jaren twintig zo enthousiast begonnen cultuurtaak - de Philips Schouwburg (1929) is daarvan wel het meest spectaculaire voorbeeld - aan de gemeentelijke overheid over te doen. Suzanne Hietbrink beschrijft de monumentenzorg in de periode 1940-1990 en eindredacteur Smithuijsen trekt in een fraaie slotbeschouwing de belangrijkste conclusies.

'Gedeelde zorg' is de titel van die beschouwing en dat geeft aardig het gevoel weer dat de aandachtige lezer van de bijdragen aan deze bundel bekruipt. Want het uitgangspunt mag dan het particuliere initiatief zijn geweest, geen van de auteurs ontkomt eraan ook uitgebreid op de rol van de overheid in te gaan. Veel van het beschreven particulier initiatief was er zelfs expliciet op gericht de steun van de overheid te verwerven: Van Oorschot bestookte vooral de overheden met subsidieverzoeken (zij het aanvankelijk vooral tevergeefs), de schrijvers trokken bij de staatssecretaris aan de bel, bij de aankoop en collectionering van beeldende kunst geeft de overheid de toon aan, het particulier iniatief in de podiumkunsten is zonder overheidssteun zo goed als machteloos.

Smithuijsen beziet de rol van de overheid in een ontwikkeling die hij omschrijft als 'collectivering': de geleidelijke overdracht van beperkt toegankelijk, in particulier eigendom verkerend cultuurgoed, naar andere vormen van beheer, zoals fondsen, stichtingen en overheidsinstellingen. Hij plaatst die trend in een algemene collectiveringstrend en hij citeert de socioloog Wilterdink die in zijn studie naar vermogensverhoudingen in Nederland tot de conclusie kwam dat in het begin van deze eeuw 'het totale goederenbestand in de nationale samenleving nog vrijwel samenvalt met het totaal aan persoonlijke bezittingen'.

Dat is niet meer zo - in de vermogens, maar meer nog in de cultuur hebben fondsen, stichtingen en overheden de rol van de particulieren voor een groot deel overgenomen. Die ontwikkeling is voor een groot deel het gevolg van de gestegen beheerskosten, en in de cultuur is die collectivering nog eens extra gestimuleerd door de spreidingsgedachte: de opvatting dat kunst en cultuur voor zoveel mogelijk mensen toegankelijk moet zijn.

KNELLEND

De overheidssubsidies hebben de rol van de particulieren dus sterk veranderd. 'Het non-gouvernementele verenigings- en stichtingswezen wordt op uiteenlopende wijze ingeschakeld bij de bestemming van subsidiegelden', schrijft Smithuijsen. Dat is aardig geformuleerd, want zo valt de aandacht op de huidige gedaante van het particulier initiatief. Het mag dan per definitie non-gouvernementeel zijn, de grenzen tussen de professioneel geleide fondsen en de staatsinstellingen zijn zo langzamerhand dun en vloeiend geworden. Het is die wederzijdse omarming, dat uitgeleverd zijn aan elkaar dat zo nu en dan als knellend wordt ervaren - vooral door de overheid. Een beetje particulier elan, een authentiek geluid uit de 'samenleving zelf', daar snakt menig minister van Cultuur naar. Deze bundel laat echter zien waar dat dan waarschijnlijk op uitloopt: vroeg of laat zullen de bevlogen burgers van het eerste uur zich tot de overheid wenden, en haar om steun vragen. Of ze dat nu doen omdat ze dat al van stonde af aan van plan waren, omdat hen de kosten boven het hoofd groeien of omdat ze in overheidsubsidie de welverdiende bekroning van hun initiatief zien, non-gouvernementeel blijft maar een enkel particulier initiatief. En omgekeerd: elk kunstbeleid zal vroeg of laat de banden met het particulier initiatief weer willen aanhalen.

Burgers en overheid zijn in de verzorgingsstaat tot elkaar veroordeeld en nergens zie je dat zo scherp als in de cultuur.