Bittere pil

Zelf doktertje spelen neemt hand over hand toe. De handel in zogenaamd parafarmaceutische (medicijnachtige) middelen bloeit op. Dat roept de vraag op wat juridisch onder 'geneesmiddel' moet worden verstaan en hoever het monopolie van apothekers strekt. Mag de Europese consument zijn gezondheid in eigen hand nemen? Waarom met een recept een officieel geneesmiddel halen als ook links en rechts zonder recept pillen en smeerseltjes kunnen worden verkregen die beloven tegen vele kwaaltjes te helpen?

Overgewicht, hoofdpijn, hoge bloeddruk, een sinaasappelhuid - overal lijkt wel een zonder recept verkrijgbaar kruid tegen gewassen te zijn.

Postorderbedrijven als Svensson bezorgen deze parafarmaceutische produkten op bestelling thuis. Dat heeft ertoe geleid dat een Belgische bedrijfsleider van Svensson via de Franse rechter in het beklaagdenbankje van het Europese Hof van Justitie terecht kwam. Het Hof kreeg interessante vragen voorgeschoteld. Wat moet juridisch onder een 'geneesmiddel' worden verstaan? Wat is de wettelijke status van parafarmaceutische produkten en hoever mag de overheid gaan om de gezondheid van haar onderdanen te beschermen? Deze gecompliceerde zaak kwam door een eenvoudige postordercatalogus aan het rollen. Het Belgische filiaal van Svensson biedt - zoals ook in ons land gebeurt - allerlei medisch aandoende pillen en zalfjes aan. De aanbiedingen betreffen onder meer de afslankkuren 'Zero 3' en 'Slim 4', maar ook kruiden tegen vermoeide benen. Deze produkten worden in pilvorm, creme of gel geleverd. Zero 3 bij voorbeeld bestaat uitsluitend uit een extract van de Guarplant uit India. Na inname neemt de Zero-3 pil in de maag 22 keer haar eigen volume aan. Dat bevredigt volgens de aanbeveling elke consument met overgewicht zonder calorieen doet hem dus afvallen.

Om ook aan de Franse roep om zelfmedicatie te voldoen besloot Svensson haar produkten vanuit Belgie ook per post in Frankrijk aan te bieden.

In de Franse catalogus kwamen overigens niet alleen afslankkuren voor, maar ook middelen om de spijsvertering en bloedcirculatie te bevorderen, alsmede pillen tegen vermoeidheid. In Belgie worden dergelijke produkten als eenvoudige levensmiddelen of cosmeticaprodukten beschouwd en zijn daar - maar ook hier - vrijelijk te verhandelen. De Franse vereniging van apothekers diende een klacht in tegen Svensson. De aangeboden produkten moesten immers als 'geneesmiddel' worden beschouwd, zodat volgens de Franse wet uitsluitend de Franse apothekers deze produkten mochten verhandelen.

En Svensson dus niet. Svensson vond die Franse regeling in strijd met het Europees recht omdat daardoor het vrije verkeer van goederen - de pillen gingen immers van Belgie naar Frankrijk - werd belemmerd.

Belgie, aldus Svensson, was toch ook een lidstaat en daar werd het bedrijf juridisch geen strobreed in de weg gelegd.

Het Europese Hof van Justitie begint zijn onderzoek in deze zaak met de vaststelling dat de wetgeving op het gebied van geneesmiddelen nogal sterk verschilt binnen de EG. Zolang die wetgeving nog niet binnen Europa is geharmoniseerd zullen dit soort verschillen blijven voortbestaan, verzucht het Hof. Iedere lidstaat mag in beginsel zijn eigen regels op farmaceutisch gebied blijven stellen.

Daarmee staat het Hof Frankrijk toe om de exclusieve verkoop van medicijnen aan apothekers voor te behouden, althans voorzover de volksgezondheid daarbij is gebaat. Dat is natuurlijk als regel het geval. Maar de vraag die vervolgens rees was of de in Frankrijk aangeboden Svensson produkten wel als medicijn konden worden betiteld en zo niet, wat dan?

Het Hof van Justitie grijpt terug naar een uit 1965 daterende definitie van het begrip 'geneesmiddel'. Die definitie omvat een dubbele omschrijving. Niet alleen is elke substantie die om medische reden aan mens of dier wordt toegediend een geneesmiddel, maar ook elke substantie die als zodanig wordt gepresenteerd, ongeacht of het middel werkt. Anders gezegd: juridisch gezien is een geneesmiddel een produkt dat of als medicijn werkt of door de presentatie van het produkt qua uiterlijk op een medicijn lijkt.

Het Hof licht dit laatste criterium enigszins toe. Als vorm en verpakking het produkt op een medicijn doen lijken of als er op de verpakking wordt verwezen naar pharmaceutische laboratoria of al dan niet bestaande dokters, kan het preparaat wellicht als geneesmiddel (door presentatie) worden beschouwd.

Hoe is het binnen de EG te rijmen dat de ene lidstaat een produkt als een voedings- of cosmeticamiddel beschouwt, terwijl de andere lidstaat het tot geneesmiddel bestempelt? Het is, aldus het Hof, voorlopig aan de nationale rechter overgelaten of een bepaald produkt - mede gelet op zijn samenstelling en de risico's die aan langdurig gebruik daarvan zijn verbonden - voor de distributie als geneesmiddel moet worden gekwalificeerd. Die kwalificatie zal in de praktijk het vrije verkeer van goederen weliswaar belemmeren, maar is desalniettemin gerechtvaardigd als de overheid met die maatregel de volksgezondheid op het oog heeft.

Maar, zegt het Hof, als de volksgezondheid niet serieus in het geding is, is er geen enkele reden om de distributie van medicijnen uitsluitend aan apothekers te gunnen. Het apothekersmonopolie staat dus op de tocht. Voor de aanverwante parafarmaceutische produkten geldt eigenlijk hetzelfde. Alleen de volksgezondheid geeft een voldoende argument om exclusieve distributie via apothekers te rechtvaardigen. Daarbij moet de rechter er ook op letten of datzelfde doel niet met minder vergaande maatregelen even effectief kan worden bereikt. Dit criterium bepaalt voortaan - ook in Nederland - of de apothekers een monopolie toekomt. Een bittere pil?

    • R.E.P. de Ranitz