Beter onderwijs VS moet zonder extra geld

Een op de vijf Amerikanen kan nauwelijks lezen of schrijven. Bij internationale wiskundetoetsen halen de Amerikanen de laagste scores en sommige schooldistricten werken met leerboeken waarin voorspeld wordt dat er ooit nog eens mensen op de maan zullen landen. Gisteren presenteerde president George Bush zijn plan 'America 2000', dat het peil van het lagere en middelbaar onderwijs moet optrekken, met nationale toetsen en meer vrijheid bij het kiezen van een school. Maar keuzevrijheid veronderstelt dat ouders een keuze kunnen maken, en in arme getto's kunnen scholen al moeilijk overleven, laat staan het onderwijs verbeteren.

WASHINGTON, 19 april - Twee jaar na dato heeft president Bush besloten om werk te maken van zijn voornemen als 'onderwijspresident' de geschiedenis in te gaan. Gisteren onthulde hij een nieuw plan onder de naam Amerika 2000. Dat behelst het instellen van 'proefscholen', nationale schooltoetsen en de mogelijkheid voor ouders met weinig geld om te kunnen kiezen tussen scholen. Goede leraren moeten goed betaald worden. Bovendien moet er meer onderwijs voor volwassenen komen.

Naast negatieve zijn er ook veel positieve reacties in de kritische Amerikaanse onderwijswereld, zij het voorzichtig, want in alle deelstaten kampen scholen met grote financiele tekorten en overal worden klassen vergroot en leraren ontslagen. Na een serie kortingen van overheidswege gingen gisteren de leraren in de staat Washington in staking voor hogere salarissen en kleinere klassen. President Reagan heeft de federale bijdragen aan de deelstaten en steden sterk teruggebracht. De lokale overheden hebben dus minder geld voor scholen, die het zelf ook nog met een geringere federale bijdrage moeten doen.

Bush wil die bijdrage niet veranderen. Zo rijk als het plan van Bush is aan ideeen, zo arm is het aan geld. Bush verwacht veel bijdragen van particuliere bedrijven en van initiatieven van burgers.

“Dollarbiljetten geven geen onderwijs aan leerlingen. Onderwijs hangt af van een betrokken gemeenschap, die vastbesloten is om het leren te laten bloeien”, aldus Bush gisteren.

Een probleem van het nieuwe plan is dat een Amerikaanse minister van onderwijs minder heeft te vertellen dan een Nederlandse. De federale regering betaalt slechts zes procent aan het onderwijs, dat hoofdzakelijk lokaal gefinancierd wordt. De schooldistricten worden vaak als autonome koninkrijkjes gerund en innen eigen belastingen. De deelstaat betaalt ook mee. Anderhalf jaar geleden organiseerde president Bush dan ook een vergadering met alle gouverneurs om een akkoord te sluiten over nationale onderwijsdoeleinden. De Democratische Congresleden voelen zich daardoor nu op hun eigen binnenlandse terrein buitengesloten. “Het zijn de oude initiatieven van de Democraten in een nieuwe verpakking”, zei de Democratische senator Edward Kennedy. “Daarvoor hebben wij jaren gewedijverd, tegen de niet aflatende oppositie van de regeringen Reagan en Bush in.”

Zonder extra federale uitgaven zal het president Bush niet meevallen de lokale overheden tot een ander onderwijsbeleid te bewegen, zoals ook president Johnson destijds heeft gemerkt. Hij wordt echter bijgestaan door the best and the brightest. De nieuwe minister van onderwijs, Lamar Alexander, heeft als Republikeins gouverneur van de deelstaat Tennessee tussen 1979 en 1987 grote naam gemaakt als schoolhervormer. En ook van zijn onderminister, Diane Ravitch, wordt in onderwijskringen veel verwacht. Om lokale overheden niet tegen de borst te stuiten, brengt Alexander het plan bescheiden - “geen strategie maar een houding”.

De voorstellen zijn verregaand voor een divers land dat zo groot is als West-Europa en met een schoolsysteem dat in zijn verschanste bureaucratie niet onderdoet voor het Nederlandse, maar aanzienlijk slechter opgeleide leerlingen aflevert. Bij internationale wiskundetoetsen hangt de supermacht Amerika onderaan. Een vijfde van de bevolking kan niet of nauwelijks lezen of schrijven. Amerikaanse bankbedienden, telefonisten, vertegenwoordigers, autoverkopers of politiemensen hebben aanzienlijk minder algemene vorming dan hun Nederlandse collega's en worden zenuwachtig zodra ze onbekende gevallen moeten behandelen die niet in hun strenge handleidingen zijn omschreven.

Dat is minder geschoolden niet kwalijk te nemen, omdat ze middelbare scholen hebben doorlopen waarin onderricht wordt gegeven in onder andere autorijden of naar muziek luisteren. Van huiswerk is nauwelijks sprake. Bovendien is het jaarlijkse aantal schooldagen gering, wat door geldgebrek alleen maar kan oplopen. Een groot probleem is ook het ontbreken van een nationaal examen waardoor de prestaties van scholen onderling nu niet kunnen worden vergeleken. Amerikaanse kinderen worden wel tot in het oneindige getest - zelfs voor toelating tot de kleuterschool - maar het gaat dan om multiple choice tests voor intelligentie en vaardigheid, niet voor kennis.

Een belangrijk element van het onderwijsplan is dan ook de ontwikkeling van nationale toetsen voor Engels, natuurwetenschappen, wiskunde en aardrijkskunde in de vierde klas lagere school en tweede en zesde klas middelbare school. Zo kunnen de prestaties van scholen en leerlingen onderling worden vergeleken. Particuliere bedrijven moeten het geld bijeenbrengen om de nationale toetsen te ontwikkelen.

De scholen kunnen de toetsen vrijwillig gebruiken. De verwachting is dat de scholen op den duur niet meer om de toetsen heen kunnen, omdat universiteiten de resultaten gaan gebruiken voor hun toelating. De bedoeling is ook dat ouders een grotere keuzevrijheid krijgen in de scholen voor hun kinderen. Tot nu toe krijgen ouders een openbare school in hun district toegewezen. Als het kind zich niet thuisvoelt op school, moeten de ouders verhuizen. Wie veel geld verdient, kan zijn kind nog voor tienduizenden guldens per jaar naar een particuliere school sturen, wanneer de openbare hem niet zint.

Volgens het nieuwe plan moeten ouders overheidssteun krijgen om hun kind naar particuliere scholen te sturen, zodat er meer competitie komt. Religieuze scholen worden zo echter indirect ook gesubsidieerd en dat is volgens veel Amerikanen strijdig met het beginsel van scheiding van kerk en staat. De particuliere scholen staan niet in de arme wijken. Ook staat niet in het plan hoe bij vrije keuze de desegregatie in stand kan worden gehouden. Nu worden kinderen in bussen rondgereden om te voorkomen dat scholen geheel worden bevolkt door blanke of zwarte leerlingen. “Vrije keuze” zou ook een eufemisme voor segregatie kunnen worden.

Volgens Robert Hochstein van de Carnegie Foundation for the Advancement of Teaching komt het onderwijsplan weinig tegemoet aan de scholingsbehoeften van het onderste derde deel van de Amerikaanse bevolking. “Keuzevrijheid veronderstelt dat ouders een keuze kunnen maken. Maar veel ouders zijn daar niet toe in staat”, zegt hij. “In veel buurten is de school het enige gemeenschapsgoed dat nog overeind staat.”

Een vijfde van de kinderen in Amerika is ondervoed. Er zijn veel gebroken gezinnen, gehandicapte kinderen van aan crack verslaafde moeders en problemen met jeugdbendes. De door Bush zo geroemde lokale, hechte gemeenschap rondom de scholen bestaat in Amerika niet meer.

Er zijn ook grote verschillen in financiering, die afhankelijk is van opbrengsten van lokale belastingen op onroerend goed. Scholen in welvarende schooldistricten hebben zwembaden, laboratoria en computers, arme schooldistricten werken met boeken die voorspellen dat er ooit nog eens een mens op de maan zal landen.

Voor dergelijke problemen is Alexander nog niet met een begin van een oplossing gekomen, maar als hij ook maar in een klein deel van die ambitie slaagt, is hij niet meer weg te cijferen als presidentskandidaat voor 1996.