Zouteloos gekibbel

Look Who's Talking Too. Regie: Amy Heckerling. Met: Kirstie Alley, John Travolta, Olympia Dukakis, de stemmen van Bruce Willis en Roseanne Barr. In 65 theaters.

Er is niets nieuws onder de zon: Hollywood is er weer eens geslaagd binnen korte tijd een vervolg op een succesfilm op de markt te brengen, dat nog zoutelozer is dan het origineel. Bovendien onderscheidt Look Who's Talking Too zich van de vorig jaar in Nederland meest bezochte film Look Who's Talking, doordat net als in Three Men and a Little Lady alle licht emancipatorische of non-conformistische accentjes uit de voorgaande film keurig weggepoetst werden. Wie in Look Who's Talking Too het echtpaar bestaande uit accountant Kirstie Alley en taxichauffeur John Travolta ziet kibbelen over opvoeding, huishouden en noodzaak tot carriere, krijgt geen enkele aanwijzing dat hun tweejarig zoontje Mikey het resultaat was van een buitenechtelijk ongelukje. In Look Who's Talking leerden we dat het geboren werd uit de liaison met Alley's getrouwde baas en dat babysitter Travolta vervolgens als stiefvader is blijven hangen. Maar het babyzusje Julie is wel echt van hun beiden; net als Mikey heeft ze de eigenaardige gewoonte om al haar gedachten hardop uit te spreken met de grootsteedse ironie van een volwassen Newyorker.

Dat is namelijk de clou van het succes van beide films: de komieken Bruce Willis en Roseanne Barr geven de kinderen een stem en een totaal niet bij hun leeftijd passend karakter.

Niet alleen het scenario, waarin regisseur Amy Heckerling en haar echtgenoot Neal Israel (bekend geworden door de Police Academy-serie) nogal wat zindelijkheidsgrapjes verwerkten, is een stuk minder leuk dan dat van het toch al niet zo spirituele origineel. Het niet-synchroon dubben van de stem van een tweejarige staat technisch slordig en berooft zo'n peuter bovendien volledig van een identiteit, die best wat serieuzer genomen zou mogen worden.

Je kunt je schouders ophalen over de liefdeloze inhaligheid van de makers van Look Who's Talking Too, maar het is vooral jammer dat ze de denkwereld van kleine kinderen zo vanzelfsprekend vermalen in de voor de hand liggende humor van volwassenen, of liever: adolescenten.

Zindelijkheidstraining, 'sibling rivalry' en angsten voor spoken en monsters in het donker zijn thema's waar je een aardige film over zou kunnen maken. Maar dan moet je wel wat meer in huis hebben dan de stoerheid van een twaalfjarige, die daar ver boven staat.

Ook in andere opzichten verraadt de nauwelijks tachtig minuten durende 'sequel' sporen van een slordige haastklus, opgepept met wat oude popmuziek en een Elvis-dansje van de voormalige superster uit Grease en Saturday Night Fever. Zelfs een weinig kieskeurig publiek zal er slechts de eerste weken intrappen, totdat de te verwachten negatieve mondreclame zijn nuttige werk gedaan heeft.