Vruchteloos gezoek in het mentale woordenboek; Wat er mis gaat in het brein van de afasie-patient

Het gaat in fracties van seconden, en het luistert verschrikkelijk nauw. Je hoort een woord, en zoef, meteen weet je om welk van de gemiddeld 50.000 woorden die in ons hoofd opgeslagen zijn het gaat. Wat het betekent, of het een werkwoord of een ander soort woord is, kortom: alle informatie uit het mentale woordenboek dat iedereen heeft is in een oogwenk beschikbaar. Een zoekmechanisme dat respect afdwingt. En dat perfect past in het geheel aan hersenactiviteiten dat nodig is om spraak te verstaan. Want zodra het een heel kleine fractie langer duurt om een woord met al zijn kenmerken goed te interpreteren, krijgen we grote problemen bij het begrijpen van taal.

Dat is een van de conclusies die te trekken vallen uit het onderzoek dat dr. Peter Hagoort (37) deed bij afasiepatienten, mensen die aan een hersenbeschadiging (meestal een beroerte) een taalstoornis overhouden. Hagoort, taalpsycholoog en verbonden aan het Max Planck Instituut voor Psycholinguistiek in Nijmegen, promoveerde onlangs op een proefschrift met de titel Tracking the time course of language understanding in aphasia. Een dissertatie over tijd en taal, waaruit misschien, heel voorzichtig, iets te halen valt waar sommige afasiepatienten wat aan hebben. En die kunnen het gebruiken: een aangetast taalvermogen hebben (en dat kan allerlei vormen aannemen, van onzin ratelen en ook niets begrijpen tot heel veel begrijpen en bijna geen woord kunnen uitbrengen) moet een nachtmerrie zijn.

Remedies zijn tot dusver niet gevonden.

ONOVERBRUGBARE KLOOF

Hagoort: ''Het blijft lastig. Ik ben bang dat een hersenberoerte dikwijls zorgt voor een onoverbrugbare kloof, omdat er hersenweefsel beschadigd is - en dat herstelt zich niet. Therapieen helpen vooral het eerste jaar, en daarna vaak nauwelijks meer. In het begin is het spontaan herstel ook het grootst. Dat er therapie wordt gegeven is waarschijnlijk belangrijker dan welke therapie. Globaal gesproken zijn er een drietal benaderingen. Sommigen denken dat bij afasie taalvaardigheden verloren zijn, en dat die daarom van vooraf aan moeten worden aangeleerd. Anderen gaan ervan uit dat die vaardigheden er nog wel zijn, maar dat je die moet reactiveren. Zoals je ook moet oefenen met een been dat je lang niet hebt gebruikt. Mij lijkt het 't zinnigst om, uitgaande van de beschadiging die iemand heeft, zijn resterende communicatievaardigheden zoveel mogelijk aan te spreken.

Daarbij kunnen verschillende hulpmiddelen van nut zijn, zoals een 'taalzakboek' waarin plaatjes aangewezen kunnen worden.''

Bij Hagoorts onderzoek waren afasiepatienten betrokken met twee van de vier of vijf typen waarin ze traditioneel en nogal grofmazig (in de praktijk ligt het vaak een tikje ingewikkelder) worden ingedeeld: Wernickes en Broca's, of in het wat omslachtiger jargon voor de familie: je hebt patienten met een afasie van Broca, en patienten met een afasie van Wernicke. Genoemd naar twee personen die op hun beurt allebei een gebied in de hersenen een naam gaven: het gebied van Broca en het gebied van Wernicke.

De verschijnselen van een beschadiging in het gebied van Broca zijn in kort bestek: moeizaam spreken in een soort telegramstijl ('man worst eten' in plaats van 'de man eet een worst') en een taalbegrip dat wel aangetast, maar verhoudingsgewijs toch redelijk intact is. Een Wernicke-afasie houdt in dat de patient echt grote moeite heeft heeft te begrijpen wat er tegen hem gezegd wordt. Zelf praat hij op het eerste gehoor vlot, maar wat hij zegt is vaak vreemd of helemaal niet te volgen. ''Vaak wordt er een verkeerd woord 'opgehaald' uit het mentale lexicon,'' zegt Hagoort, ''dan zeggen ze 'het oog is doof', of 'de man leest die radio'. En ze gebruiken merkwaardige grammaticale constructies en verkeerde functiewoorden - dat zijn voegwoorden, lidwoorden, voorzetsels, dat soort dingen. In de praktijk valt er met die indeling redelijk te werken. Bij elk van deze vormen van afasie komen tussen de patienten overigens nog steeds grote verschillen voor in de mate waarin het spreken en begrijpen gestoord zijn.''

Hagoort beperkte zich tot de luister- en dus begripskant van taal. Daarin staat het mentale lexicon of woordenboek centraal.

Taalpsychologen zijn het niet helemaal eens over een antwoord op de vraag hoe we nu precies zo razendsnel de weg vinden naar het goede woord, maar voorlopig gaan de meesten er wel van uit dat het een proces is dat uit drie onderdelen bestaat. Hagoort: ''Je hebt lexicale toegang, lexicale selectie en lexicale integratie. Dat wil zeggen: je hoort een woord en dat geluidssignaal zorgt ervoor dat alle woordvormen die overeenkomen met dat signaal 'geactiveerd' worden. Ze worden als het ware even gewaarschuwd dat ze zo dadelijk misschien op moeten komen draven. Dat heet de lexicale toegang. Vanuit daar moet er 'ingezoomd' worden op het goede woord, dat is de lexicale selectie.

Maar als we luisteren gaat het meestal niet om het begrijpen van losse woorden, die woorden zitten in een zin, en die zin maakt weer deel uit van een conversatie. Er is met andere woorden meestal sprake van een context. Het combineren van die context, dus wat we tot dusver gehoord hadden, en het goede woord, met de juiste betekenis dat heet lexicale integratie. Overigens lijkt het erop dat de context ook al een rol kan spelen bij het selecteren van het goede woord, en daarvoor heb je niet eens altijd het hele woord nodig. Als ik zeg 'Vlak nadat de Golfcrisis begon, besloot Lubbers het voorstel van de marine te steunen en een tweetal sche.. ' dan is voor veel mensen automatisch duidelijk dat ik 'schepen' ga zeggen, en niet 'schedels' ofzo. Op welk moment van woordherkenning informatie uit de context een rol gaat spelen is echt een centrale vraag voor taalpsychologen. In ieder geval moeten alledrie de onderdelen van het proces goed op elkaar afgesteld zijn.

Pas dan begrijpen we moeiteloos wat er tegen ons gezegd wordt. En bij dat afstelllen gaat het echt om milliseconden.

''Waar ik nu achter wilde komen is waar er iets misgaat bij afasiepatienten. Hebben ze een stoornis in de lexicale toegang, in de selectie, in de lexicale integratie? Of is er iets mis met de onderlinge afstelling van die processen? Om daar iets over te kunnen zeggen moest ik experimenten doen waarmee je als het ware van milliseconde tot milliseconde kunt volgen wat er gebeurt. Mensen met taalbegripsstoornissen worden meestal getest op of ze het uiteindelijk begrepen hebben of niet. Patienten krijgen dan een zinnetje te horen en bijvoorbeeld vier plaatjes te zien waar ze degene uit moeten pikken die klopt met wat ze net gehoord hebben. Uit de fouten die ze daarbij maken worden dan conclusies getrokken over waar ze precies moeite mee hebben. Maar voor wat ik wilde weten is dat niet genoeg, omdat je alleen de uitkomsten van een heel proces meet op die manier. Ik wilde weten waar in dat proces het fout gaat. Dus ik moest werken met zogenaamde 'on-line taken'. Daarbij meet je reactiesnelheden. Mensen moeten dan bijvoorbeeld op een knopje drukken zodra ze een woord begrepen of herkend hebben. Wat daar uit komt is een patroon waaruit je kunt afleiden hoe taalverstaan georganiseerd is 'in de tijd'. En je kunt het patroon dat afasiepatienten vertonen natuurlijk afzetten tegen wat normaal is.''

KNAP INGEWIKKELD

De resultaten van Hagoorts knap ingewikkelde, maar ook ingenieuze experimenten zijn nogal opzienbarend. Hij concludeert dat afasiepatienten eigenlijk alleen problemen hebben met het proces van de lexicale integratie. Dat betekent dat de inhoud en de structuur van het mentale lexicon nog gewoon intact zijn. Er is dus geen sprake van dat woordbetekenissen zijn 'uitgewist' of iets dergelijks, zoals vaak gedacht is van patienten met een Wernicke-afasie. De woorden kunnen dus ook nog steeds geactiveerd worden. Anders gezegd: de automatische toegang tot het mentale lexicon is niet geblokkeerd. Het gaat pas mis wanneer een woordbetekenis in zijn context geintegreerd moet worden.

Broca-patienten doen daar langer dan normaal over, en bij Wernicke-patienten lukt dat helemaal niet meer. Maar hoe is Hagoort daar nu achter gekomen?

Hagoort: ''Met een lange reeks experimenten, die ik onmogelijk allemaal op kan noemen. Ik heb bijvoorbeeld veel gebruik gemaakt van ambigue woorden, woorden met meer dan een betekenis. Ik liet onder andere rijtjes woorden horen als 'bier-kater-drank', 'poes-kater-drank', 'piano-kater-drank' en 'poes-piano-drank'. Telkens drie woorden, die soms gedeeltelijk wel iets met elkaar te maken hadden, en gedeeltelijk niet. Die rijtjes werden afgewisseld met rijtjes waarbij het laatste woord een onzinwoord was: 'kater-drank-welm' bijvoorbeeld. Opdracht voor de proefpersonen was om bij het derde woord telkens zo snel mogelijk de ja-knop of de nee-knop (als het ging om een onzinwoord) in te drukken. Betekenisassociaties helpen inderdaad bij het snel herkennen van een woord, als de woorden tenminste logisch bij elkaar horen, zoals bij 'bier-kater-drank'. Maar een rijtje als 'poes-kater-drank', waarbij van de ene betekenis van 'kater' naar de andere geswitched moet worden levert alweer een iets langere reactietijd op. Moet je als proefpersoon ook nog eens van grammaticale categorie wisselen ('laken-kussen-vrijen' is een mooi voorbeeld, waarin je 'kussen' eerst als een zelfstandig naamwoord interpreteert en daarna als een werkwoord), dan wordt het echt lastig, en is de reactietijd zelfs langer dan bij een neutraal (piano-kater-drank) of helemaal ongerelateerd rijtje ('poes-piano-drank').''

''Wel worden bij ambigue woorden in eerste instantie altijd alle betekenissen geactiveerd. Alleen wordt bij een goed werkend systeem de verkeerde betekenis sneller onderdrukt dan bij het beschadigde systeem van afasiepatienten. Daar kun je achterkomen door variatie aan te brengen in de pauze tussen de woorden. Reageert iemand nog steeds extra snel wanneer hij een paar honderd milliseconden na het horen van het zinnetje 'Om zijn auto te kunnen afbetalen belde hij naar de bank'

het woord 'stoel' hoort, dan waren alle betekenissen van het woord bank blijkbaar nog steeds 'actief'. Uiteindelijk blijft de betekenis van de bank als geldinstelling over, omdat alleen die betekenis van de bank in de zinscontext past. Het blijkt dat bij Broca-patienten de niet in de zin passende betekenissen van woorden enkele honderden milliseconden langer actief blijven dan bij gezonde mensen, die de onjuiste betekenis van een woord in ongeveer 150 milliseconden onderdrukken. Zolang de betekenissen van zo'n woord nog allemaal actief zijn, is dat woord dus nog niet geintegreerd in de context. En ik denk dat dat iets te maken heeft met verwerkings- en geheugencapaciteit. Dat integreren is een proces dat nogal wat eist in termen van geheugenruimte, of mentale energie. Je moet de context waarin het woord geplaatst moet worden in een soort 'geheugenbuffer'

weten te houden. Naarmate daar ingewikkelder dingen in staan is het lastiger er nieuwe woorden in te integreren. Daarom denk ik dat langzamer praten Broca-patienten een beetje kan helpen, maar dat het nog veel belangrijker is om in korte, eenvoudige zinnen te praten.

Zinnen die niet al te veel eisen van de verwerkingscapaciteit in de hersenen, want die is bij afasie-patienten waar het om taalverstaan gaat blijkbaar verminderd. Ik ben alleen bang dat de Wernicke-patienten daar minder bij gebaat zijn, omdat bij velen van hen lexicale integratie niet meer mogelijk blijkt.''

    • Liesbeth Koenen