Voldoende grond voor berechting Saddam

De ministers van buitenlandse zaken van de Europese Gemeenschap hebben deze week de secretaris-generaal van de Verenigde Naties verzocht te onderzoeken of en hoe de Iraakse president Saddam Hussein berecht zou kunnen worden voor oorlogsmisdrijven en volkerenmoord. Is dit verzoek vooral een politiek signaal aan Saddam Hussein - zoals de huidige voorzitter Poos van de EG-ministeraad onderstreepte - of kan het ook een concrete betekenis hebben?

De mogelijkheid om de Iraakse president voor een (internationale) rechter te brengen is al eerder in verband met de Iraakse bezetting van Koeweit geopperd, maar erg serieus is deze optie tot nu toe niet genomen. Slechts een resolutie van de Veiligheidsraad over de kwestie Koeweit - nummer 674 - bevat een omzichtige verwijzing naar de internationale aansprakelijkheid van het Iraakse regime voor het plegen van oorlogsmisdrijven. De resoluties over het voorlopige en definitieve staakt-het-vuren - respectievelijk nummer 686 en 687 - vermelden niets op dit punt. Toch waren deze resoluties bij uitstek de gelegenheden geweest om deze zaak aan de orde te stellen. De EG-landen komen nu wat laat met hun voorstel. Maar het dramatische lot van de Iraakse koerden is op zichzelf reden genoeg om de mogelijkheid van een vervolging en berechting van Saddam Hussein serieus te onderzoeken.

Dat het initiatief daartoe uitging van de Duitse minister van buitenlandse zaken, Genscher, is bijzonder. Het precedent voor de vervolging en berechting van regeringsleiders voor internationale misdrijven is het Internationale Militaire Tribunaal van Neurenberg, waar de belangrijkste Duitse oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog terechtstonden. Daarbij ging het om drie soorten misdrijven: het misdrijf tegen de vrede (het voorbereiden en uitvoeren van een aanvalsoorlog), oorlogsmisdrijven (schendingen van het oorlogsrecht) en het misdrijf tegen de menselijkheid (volkerenmoord of genocide). Een soortgelijk internationaal strafproces tegen de voornaamste Japanse oorogsmisdadigers had ongeveer tezelfder tijd plaats in Tokio.

Deze processen zijn tot op heden uniek gebleven. Er is wel gesteld dat dergelijke processen alleen mogelijk zijn na een gewonnen oorlog, gevolgd door een onvoorwaardelijke capitulatie. Ten aanzien van Irak is aan de eerste voorwaarde voldaan, aan de tweede echter niet.

Als zodanig bestaat er voldoende volkenrechtelijke grond voor de vervolging en berechting van Saddam Hussein voor de genoemde misdrijven. In verscheidene documenten zijn de betreffende verbodsnormen aangescherpt en is het beginsel van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de schending van die normen bevestigd. Maar de oprichting van een permanent internationaal strafgerechtshof blijkt werk van zeer lange adem. Staten zijn vooralsnog niet bereid vantevoren in te stemmen met de internationale vervolging en berechting van eigen overheidspersonen voor internationale misdrijven. Vandaar dat zo'n actie tegen de Iraakse president alleen door een ad hoc tribunaal zal kunnen geschieden.

Minister Van den Broek van buitenlandse zaken heeft geopperd het Internationale Gerechtshof in Den Haag met deze taak te belasten. Dat heeft verschillende voordelen, met name dat de samenstelling van het tribunaal daarmee gegeven is (eventueel aangevuld met een Iraakse rechter, waardoor althans gedeeltelijk het verwijt van het toepassen van 'overwinnaarsrecht' kan worden gepareerd). Maar de processuele regels van het Hof zijn niet toegesneden op een strafproces en zouden in zo'n geval dus moeten worden aangepast.

Ook op feitelijke gronden is er voldoende reden om Saddam Hussein in persoon aansprakelijk te stellen voor de genoemde misdrijven.

Opvallend is dat het EG-voorstel geen betrekking heeft op het misdrijf tegen de vrede, hoewel de Iraakse militaire bezetting van Koeweit op 2 augustus 1990 zeker onder dit misdrijf valt. Een reden daarvoor kan zijn dat het volkenrecht voor dit misdrijf niet nadrukkelijk de mogelijkheid regelt voor een vervolging en berechting voor een nationale rechter. Dat geldt wel voor de oorlogsmisdrijven en het misdrijf van genocide.

Vooralsnog lijkt de moeilijkste vraag of het zinvol is Saddam Hussein bij verstek te vervolgen en te berechten, want het is niet aannemelijk dat hij, nu die mogelijkheid bij het tot stand komen van het staakt-het-vuren is gemist, ooit in handen zal vallen van een staat die hem zal willen vervolgen en berechten. Deze kans is nog verder verkleind door de recente uitspraak van president Bush dat hij eventueel bereid is Saddam Hussein een vrijgeleide te geven naar een derde land.

Als het er vooral om gaat duidelijk te maken dat de internationale gemeenschap het Iraakse optreden rekent tot de ernstigste schendingen van de internationale rechtsorde kan dat gebeuren door de bestaande politieke organen van de Verenigde Naties - de Algemene Vergadering en de Veiligheidsraad.