Proef met groeihormoon bij te kleine kinderen; Kinderen vinden het vaak vreselijk om te klein te zijn

UTRECHT, 18 april - Kinderartsen van het Sophiakinderziekenhuis in Rotterdam gaan negentig kinderen die bij hun geboorte al te klein waren en die achterstand op hun derde levensjaar niet hadden ingehaald, behandelen met groeihormoon.

Het gaat hier om een landelijke studie die vanuit Rotterdam wordt gecoordineerd. De kinderen zijn nu tussen de drie en elf jaar oud en moeten zichzelf dagelijks injecteren met het groeihormoon tot ze, tussen hun 15de en 18de jaar, zijn uitgegroeid. De studie duurt dus zeker 14 jaar.

De kenmerken van de kinderen die aan het onderzoek deelnemen zijn uniek, het gebruik van groeihormoon in een onderzoek is dat niet. Het is het achttiende onderzoek naar de werking van groeihormoon dat na 1986 in Nederland begint. Al die studies duren jaren, worden uitgevoerd door kinderartsen in tien Nederlandse ziekenhuizen, soms in samenwerking met buitenlandse groepen, en worden gecoordineerd door de werkgroep groeihormoon van de sectie endocrinologie van de Nederlandse Vereniging van Kindergeneeskunde.

Voorzitter van de werkgroep is de aan het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht verbonden kinderarts-endocrinoloog dr.J.M. Wit: “Mensen letten in de omgang sterk op elkaars lengte. Kinderen doen dat nog veel sterker en zij vinden het vaak vreselijk om te klein te zijn. In vier van onze achttien onderzoeken worden bijvoorbeeld kinderen met een ernstig gestoorde nierfunctie met groeihormoon behandeld. Die kinderen ondergaan nierdialyse, of ze hebben een niertransplantatie gehad. Ze groeien ook slecht. We hebben altijd gedacht dat die kinderen al zoveel problemen hebben dat groei voor hen niet zo belangrijk zou zijn. Maar niets is minder waar. Als je met ze praat blijken ze reusachtig gemotiveerd om zichzelf dagelijks met het groeihormoon te injecteren.”

De werkgroep groeihormoon kreeg in 1989 een subsidie van 680.000 gulden uit het fonds ontwikkelingsgeneeskunde van het ministerie van WVC. Daarmee worden de bureaukosten betaald. Het groeihormoon wordt ter beschikking gesteld door drie farmaceutische industrieen (Lilly, Novo-Nordisk, Kabi-Pharmacia) die het dure middel in Nederland hebben geregistreerd voor gebruik bij kinderen die zelf helemaal geen groeihormoon maken en bij meisjes met het syndroom van Turner, een chromosomale afwijking waarbij een van de X-chromosomen is verdwenen.

In de dosering van het Rotterdamse onderzoek kost het groeihormoon 30.000 tot 80.000 gulden per kind per jaar. De totale kosten voor de behandeling kunnen dus oplopen tot een miljoen gulden per kind.

Bij de andere onderzoeken, waarin iets lagere doseringen worden gebruikt, zijn de kosten lager. Hoeveel centimeter lichaamslengte uiteindelijk wordt gewonnen is nog onbekend, maar de kosten per gewonnen centimeter zullen in de tienduizenden guldens lopen. Wit: “Het is inderdaad duur. Om de kosten in perspectief te zetten beginnen we een onderzoek naar de toegenomen kwaliteit van het leven van de behandelde kinderen.”

Groeihormoon wordt geproduceerd in de hypofyse, de hormoonproducerende klier die bij het einde van de hersenstam ligt. Tot 1985 was groeihormoon zeer schaars. Alleen kinderen die zelf helemaal geen groeihormoon maakten en daardoor meer dan 30 centimeter onder de gemiddelde lengte (1,82 meter bij mannen; 1,68 meter bij vrouwen) zouden blijven, kwamen voor behandeling met lage doses in aanmerking.

In 1985 kwam recombinant-DNA-groeihormoon beschikbaar, geproduceerd door bacterien, waardoor het schaarsteprobleem verdween, maar het financiele probleem overbleef.

Te traag groeiende kinderen worden meestal door consultatiebureau- of schoolartsen opgemerkt, en, als kinderen en ouders dat willen, via de huisarts naar kinderarts of endocrinoloog doorverwezen waar dan over behandeling wordt beslist. Wit schat dat momenteel 300 tot 400 echt groeihormoondeficiente kinderen in Nederland worden behandeld, 70 kinderen met nierinsufficientie en dat er nu 200 andere kinderen met diverse oorzaken van groeiachterstand worden behandeld. Wit: “Tot nu toe hebben we behalve de kinderen met een duidelijk groeihormoontekort alleen kinderen behandeld met een verlaagde groeisnelheid, waarbij ook vaak een lage eindlengte wordt verwacht.”

De 90 kinderen die aan de nieuwe studie meedoen behoren tot de groep van korte normale kinderen waarvan onduidelijk is of ze zelf voldoende groeihormoon maken. De test waarmee dat gebeurt zegt niet genoeg. Voor de werkgroep groeihormoon is het het derde onderzoek in die categorie.

Een van de andere onderzoeken, met dertig kinderen, is al in 1986 begonnen. Twintig van die dertig kinderen kregen groeihormoon en hun groei werd vergeleken met tien andere kinderen die het eerste jaar niets kregen en het tweede jaar mochten kiezen tussen behandeling of daarvan afzien. Zeven kozen voor groeihormoon.

De kinderen die aan dat onderzoek begonnen waren gemiddeld 10 jaar oud en 15 of meer centimeter kleiner (2,5 standaarddeviatie) dan het gemiddelde (142,2 cm voor jongens, 141,4 voor meisjes) op die leeftijd. In het eerste jaar groeide de behandelde groep gemiddeld drie centimeter meer dan de eveneens korte kinderen die geen groeihormoon kregen. De kinderen uit de behandelde groep die minder dan twee centimeter sneller groeiden kregen in het tweede jaar een hogere dosis groeihormoon. Zij handhaafden in het tweede jaar hun hogere groeisnelheid. De kinderen die dezelfde dosis hielden verloren weer iets.

Wit: “We weten nu ook de resultaten na vier jaar, maar zolang we de eindlengte niet weten, kunnen we niets concluderen. Het groeiende kinderlichaam lijkt een soort thermostaat te hebben voor de lengte die het moet krijgen. We blijven de kinderen behandelen omdat er sterke aanwijzingen zijn dat als we stoppen ze weer terugvallen naar hun oorspronkelijke groeicurve en bijbehorende kortere eindlengte.”

In het Engelse medische tijdschrift The Lancet verscheen eind vorig jaar een kritisch artikel over behandeling van korte normale kinderen met groeihormoon. De behandelde kinderen worden gespierd en verliezen veel van hun vetweefsel. Wit: “Dat was niet nieuw. We wisten al lang dat er een invloed is op de vetstofwisseling, maar die is waarschijnlijk niet ongunstig. In onze onderzoeken zien we bijvoorbeeld het cholesterolgehalte iets naar de gunstige kant verschuiven. Groeihormoon heeft ook invloed op de suikerstofwisseling.

Bij zeer hoge doseringen kan suikerziekte ontstaan. Dat weten we omdat er wel eens hypofysetumoren zijn die zeer veel groeihormoon produceren. Maar zelfs met wat wij in ons onderzoek hoge doseringen noemen, zitten we erg ver onder de dosis die door zo'n tumor wordt gemaakt.''

    • Wim Köhler