Pensioenrecht gescheiden vrouw nu nog dooie mus

Tot een jaar of tien geleden ging iedereen er als vanzelfsprekend van uit dat aanspraken op pensioen niet in de huwelijkse gemeenschap van goederen vallen, omdat ze uitsluitend toebehoren aan de betrokken echtgenoot, dat wil zeggen: het ouderdomspensioen aan de werknemer zelf en het weduwepensioen aan de vrouw van de gehuwde mannelijke werknemer.

Maar op 27 november 1981 heeft de Hoge Raad beslist dat onder bepaalde voorwaarden zowel het recht op ouderdomspensioen als het recht op weduwenpensioen in de algehele gemeenschap vallen, met dien verstande dat bij de scheiding en deling van de gemeenschap het ouderdomspensioen steeds wordt toebedeeld aan de werknemer zelf en het weduwen- of nabestaandenpensioen aan de partner, maar met de verplichting de waarden daarvan onderling te verrekenen. Aangezien in het huidige recht niemand gehouden is in een onverdeelde boedel (gemeenschap) te blijven zitten als er voldoende geld is om de ander(en) uit te betalen, kan de ene echtgenoot altijd - ook tegen de wil van de andere - afrekening ineens doorzetten. Ogenblikkelijke verrekening van de waarden van de pensioenen is theoretisch dus de hoofdregel. Niettemin staat de Hoge Raad in het betrokken arrest uitvoerig stil bij het alternatief van de verrekening wanneer het ouderdomspensioen te zijner tijd tot wordt uitgekeerd, uitgedrukt in een percentage daarvan voor de vrouw.

In latere arresten heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat pensioenverrekening eveneens moet gebeuren wanneer echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt met enigerlei gemeenschap waarin het inkomen uit arbeid valt of met een verreken-beding; daarentegen niet in geval van uitsluiting van iedere gemeenschap zonder verreken-beding ('koude uitsluiting').

Het arrest uit 1981 van de Hoge Raad gaf in de praktijk zoveel hoofdbrekens dat de regering de materie in een wet heeft willen regelen. In 1985 heeft zij het voorontwerp Pensioenverrekening bij scheiding ingediend. En nadat onder andere de Emancipatieraad en de SER advies hadden uitgebracht en de ministeraad vele malen hierover had beraadslaagd, is het in november vorig jaar ten slotte tot indiening van het wetsvoorstel Verevening pensioenrechten bij scheiding gekomen. De Vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer zal op 24 april aanstaande een hoorzitting houden over dit wetsvoorstel.

In het Nederlands Juristenblad van 7 februari bespreken mr. J.R. Dierx, werkzaam bij de Stichting Landelijke Ombudsvrouw in Den Haag, en drs M.M.H. Kraamwinkel, verbonden aan het Economisch Instituut- CIAV van de Rijksuniversiteit Utrecht, zowel het arrest van de Hoge Raad als het wetsvoorstel. Zij komen tot de conclusie dat de huidige praktijk de uitspraak van de Hoge Raad, tot schade van de gescheiden vrouw, onvoldoende volgt.

Doorgaans wordt afgerekend volgens de opgave van de contante waarden van ouderdoms- en weduwenpensioen door het pensioenfonds. Maar de pensioenfondsen gaan uit van een groot aantal veronderstellingen en regels die niet zijn afgestemd op verrekening tussen echtgenoten, maar op het meegeven van opgebouwde pensioenrechten aan een werknemer die naar elders vertrekt of het opnemen in het fonds van een van elders gekomen werknemer. Vooral de hoge rekenrente en het steeds weer rekening houden met de verschillen in gemiddelde sterfteleeftijd van man en vrouw in combinatie met het volledig verrekenen van de waarde van het weduwenpensioen laten weinig over van het recht van de vrouw op een redelijk percentage van het pensioen van de man, voorzover opgebouwd voor de scheiding. Afrekening ineens leidt bovendien - in tegenstelling tot uitkering van een deel van de pensioenbetalingen aan de man na zijn 65ste - tot belasting- en premievoordeel voor de man en tot aanzienlijke belasting- en premieschade voor de vrouw. Hieraan wil ik de waarschuwing vastknopen dat advocaten die nog na het verschijnen van het artikel in het Juristenblad voor hun vrouwelijk clienten genoegen nemen met de opgaven van de pensioenfondsen zonder correcties toe te passen, hun overeengekomen beroepswerkzaamheden niet naar behoren verrichten en het risico lopen dat acties tot schadevergoeding tegen hen worden ingesteld.

In de praktijk is de meest gangbare oplossing voor het pensioenverrekeningsprobleem dat wordt gewacht tot de ingang van de pensioenuitkeringen en de vrouw dan iedere maand haar deel krijgt.

Volgens het wetsvoorstel wordt dat straks zelfs de enige mogelijkheid; tevens blijft dan verrekening van het weduwenpensioen achterwege en wordt de verrekening beperkt tot het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. In theorie zou de gescheiden vrouw dus de helft van het huwelijksouderdomspensioen van de man krijgen na zijn pensionering, ware het niet dat de regering het recht van de vrouw wil 'bevriezen' op de dag van de inschrijving van het echtscheidingsvonnis in het register. De vrouw zou nog wel mogen delen in welvaarts- en andere indexeringen, maar niet in pensioensverhogingen (of -verlagingen) door wijzigingen in het salaris. Die zouden geheel voor de man zijn, terwijl de vrouw met een 'pensioenbreuk' zou komen te zitten. Aangezien de basis voor de latere carriere gewoonlijk tijdens de huwelijksjaren is gelegd, lijkt het niet redelijk de vrouw steeds uit te sluiten van de latere verhogingen van het pensioen over de huwelijksjaren. Indien die de vrouw niet ten goede komen dan wordt het huwelijksjarenpensioen dus niet 50 procent-50 procent gedeeld, maar bijvoorbeeld 65 procent-35 procent of zelfs 90 procent-10 procent.

Anderzijds is het ook niet redelijk de man na latere salarisverhogingen te dwingen genoegen te nemen met een deling van 45 procent-55 procent of 40 procent-60 procent.

Bovendien is een andere deling dan 50 procent-50 procent van het gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen naar mijn mening in strijd met wat de Hoge Raad in 1981 heeft beslist. Gedeeld wordt immers niet een huwelijkjarenpensioen dat tot een eerste uitkering komt op de scheidingsdatum, maar een huwelijksjarenpensioen dat naar alle waarschijnlijkheid nog aardig zal groeien tussen die datum en de datum van ingang van het pensioen.

De Tweede Kamer zou er dan ook goed aan doen of het wetsvoorstel op dit punt te amenderen, of het te verwerpen. Zoals het nu luidt, is het namelijk voor de meeste vrouwen die (tamelijk) jong scheiden niet meer dan een dooie mus.

Pensioenverrekening is vooral van belang voor de oudere generaties vrouwen. Dat zijn immers de vrouwen die uitgesloten waren van tal van opleidingen, geen recht hadden op gelijk loon, slechts bij uitzondering in een pensioenregeling werden opgenomen, ontslagen werden bij hun huwelijk (met name uit overheidsdienst en het onderwijs) en hun kindertal niet mochten regelen. Maar helaas, het wetsvoorstel slaat alleen op toekomstige scheidingen en dan nog alleen voor zover vrouwen niet in 'koude uitsluiting' waren getrouwd of met uitsluiting van het recht op pensioenverevening trouwen. Alle andere vrouwen, met name zij die gescheiden zijn voor het arrest van 1981 of in onwetendheid, zonder tegenprestatie, afstand hebben gedaan van hun recht op pensioenverrekening, vallen dus buiten de boot: vele honderdduizenden vrouwen. Voorzover zij op het ogenblik alimentatie krijgen of na hun 65ste willen vragen, worden zij ook daarin gedupeerd. De regering wil voor reeds gescheiden vrouwen de limitering op twintig jaar stellen. Aangezien het wetsvoorstel de alimentatie voor reeds lang geleden gescheiden vrouwen zal beeindigen drie jaar nadat het wet is geworden, komen grote groepen bejaarde vrouwen straks in de diepte tussen kaai en schip terecht.

Als rechtsgrond voor pensioensverrekening en -verevening na scheiding zien Dierx en Kraamwinkel - evenals eerder Duitse en Amerikaanse auteurs - het verschil in ontwikkeling van het verdienvermogen ('earning capacity') van man en vrouw tijdens het huwelijk. Dat van de kostwinner neemt toe, dat van de huisvrouw-moeder neemt af. Bij een scheiding is de kostwinner gehouden zijn huishoudpartner haar investeringen in zijn verdiencapaciteit te vergoeden.

Zelf zou ik voor vrouwen die na 1945 zijn geboren, het recht op pensioenverrekening zowel willen beperken als uitbreiden tot de jaren dat de vrouw geen (voldoende) eigen pensioen heeft kunnen opbouwen wegens haar grotere aandeel in de verzorging en opvoeding van de kinderen, dus als compensatie voor de ongelijke taken van de vader en de moeder. Aangezien tegenwoordig veel huwelijken lang voordat de kinderen groot, zijn eindigen, is een beperking van de pensioendeling tot het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen in strijd met het beginsel van gelijke behandeling van vaders en moeders.