Oude potten

Nauwelijks twee weken na de opening was het zeer, zeer rustig in het nieuwe paviljoen van het museum Boymans-van Beuningen. Boven bij de vouwfietsen en bureaustoelen al, maar helemaal bij de pre-industriele gebruiksvoorwerpen, beneden.

Misschien lag het aan die rust dat de oude potten en schalen, kruiken en kommen op zo'n aangrijpende manier zichzelf konden zijn. Potten waarin eeuwen geleden soep was gekookt, schalen die braadvet van vlees aan het spit hadden opgevangen, kommetjes waaruit kinderen melk hadden gedronken, dat soort voorwerpen in vele honderdtallen. Bijna allemaal nog heel, of hoogstens wat gesleten of gebarsten. Nog goed bruikbaar, in het geval dat het industriele tijdperk plotseling krakend tot stilstand zou komen en de mensheid zou worden teruggeworpen op zichzelf.

Het argeloze buikje van een zestiende-eeuwse mosterdpot, de brede schenklip van een beslagkom, de dubbele oortjes van een ingenieus gevormde veldfles smeekten om te worden aangeraakt. Een duim door hun opening, een hand om hun welving, een mond om hun tuit: het verlangen kon niet worden vervuld, want zij stonden achter glas. Maar ook achter glas straalde het gele glazuur van een paar kommen uit de Maasvallei, zes-, zevenhonderd jaar oud, zo mooi, zo warm van tint dat je er haast tranen van in de ogen zou krijgen.

Vanwaar toch de tederheid, de lichte weemoed die uitgaat van zo'n verzameling aardewerk, meest keukengerei, zelfs nu zij is ondergebracht in strakke museumvitrines? Voor een deel komt het misschien door de hoeveelheid. Juist het feit dat hier niet een pot uit periode X naast een bord uit periode Y staat, maar dat ze er staan in ruime aantallen roept de drukte op van een bedrijvig, verdwenen huishouden. Voorts is er de gedachte aan de rol die dit keukengerei speelde in het leven van mensen die heel wat harder moesten ploeteren om hun gezin te voeden dan wij nu. En dan de vraag, voor altijd onbeantwoordbaar, hoe de gerechten smaakten die in dit keukengerei werden gemaakt. Wie wil kan er lang over mijmeren.

Maar het belangrijkste blijven de vormen. Huiselijke gebruiksvoorwerpen van een paar eeuwen oud zijn gemaakt zonder de minste representatieve behoefte. Zij waren er niet om deftigheid te ademen, maar om ergens voor te dienen. De koper hoefde niet te worden verleid door de vormgeving. En als hij of zij behoorde tot de kringen die met hun bezittingen indruk wilden maken op hun medemensen, dan bestonden daarvoor andere spullen dan deze. Niemand pronkt met een vergiet. Dat soort dingen bleef buiten het bereik van de mooimakerij; menige achttiende-eeuwse keukenpot verschilt nauwelijks van zijn broertje van vier eeuwen eerder.

En toch spreekt hun vorm natuurlijk niet vanzelf. Hij werd elke keer opnieuw gemaakt. Het zou onzinnig zijn te denken dat een dertiende-eeuwse pottenbakker geen plezier beleefde aan het glimmende geel van zijn glazuur. Of dat een vrouw in 1550 niet met genoegen over de bolling van haar nieuwe melkkan streek. Soms werd een kom versierd met een paar stippen of een vogeltje in een afstekende kleur klei, een paar ribbels, een schulprand, om ze aangenamer in het gebruik te maken. Die eenvoudige kunstgrepen waren iets tussen de maker en de gebruiker, een aardig gebaar, een afterthought in een vastliggend stramien.

Zo'n decoratieve onschuld kan geen twintigste-eeuwer ooit nog bereiken, tenminste niet in onze beschaafde wereld. Vooral dat verlies maakt die oude potten ontroerend.

(Er ligt overigens niet alleen aardewerk in de vitrines van het nieuwe Boymans-paviljoen, maar ook oud bestek, tinnen borden, wat glaswerk.

Het is opmerkelijk hoe zelfs aan een flesje van vijfhonderd jaar oud is te zien wat een onpersoonlijk materiaal glas is, hoe het bijna vanzelf leidt tot lelijke mooidoenerij. De enige ter wereld die glas echt mooi heeft kunnen maken - glas dat ook in het Rotterdamse museum te vinden is - is de Nederlander Andries Copier, nu negentig jaar oud.)

Een paar dagen na het zien van de collectie-Van Beuningen-De Vriese ontmoette ik een Haagse kunsthandelaar en man van de wereld. Wij spraken over die verzameling oude gebruiksvoorwerpen, hem natuurlijk bekend, en ik kraamde er uit dat die vast erg kostbaar zou zijn. Nou nee, zei mijn gespreksgenoot. Het is niet moeilijk om een mooie middeleeuwse schaal te kopen voor minder dan de prijs van, zeg, een gedecoreerde Wedgwood vaas van rond de eeuwwisseling.

Hoge prijzen, zei de kunsthandelaar, worden betaald voor dingen die makkelijk zijn om mooi te vinden. Gemak kost geld. Dat geldt ook voor schilderijen: voor een kostelijk Vlaamsprimitief paneel wordt op veilingen aanzienlijk minder betaald dan voor een derderangs Renoir.

Dat geeft hoop voor onze beschaving, zei ik gedachteloos. Hij keek bevreemd en ik corrigeerde: voor de verzamelaar. De kunsthandelaar knikte.

Even later stond hij voor een liefdadig doel een verzameling oud keukengerei te veilen, stukken die hij op charmante toon 'uniek'

noemde en 'vroeg-twintigste-eeuws'. Een emaille koffiestel, een koperen flensjespannetje, een gebakschaal - het waren spulletjes, een rommelmarkt waardig en slechts met moeite kon de veilingmeester zijn eigen degout verbergen. Toch brachten zij duizenden guldens op.

Waarschijnlijk was dat vanwege het goede doel. Of geldt zelfs voor oud keukengerei dat de meeste mensen spullen uit grootmoeders tijd gemakkelijker mooi vinden dan de argeloze potjes uit een nevelig verleden?