Naoorlogs fascisme

Het is moeilijk om de ware betekenis te schetsen van de naoorlogse fascistische splintergroepen. Voor- en tegenstanders overschatten het belang ervan. Alleen rustig, onpartijdig zoekwerk brengt de waarheid aan het licht.

Jaap van Donselaar, Fout na de oorlog. Fascistische en racistische organisaties in Nederland 1950-1990, Bert Bakker 1991. ISBN: 90 351 1056 0

Direct na de Tweede wereldoorlog werden al weer pogingen ondernomen om het nationaal-socialisme en fascisme nieuw leven in te blazen. Dat gebeurde in heel West-Europa en dus ook in Nederland. Het ledental van dergelijke organisaties varieerde in ons land van enkele tientallen tot een paar honderd.

Ze werden met argusogen gadegeslagen door de samenleving. Want hoe vatbaar zouden de 100.000 voormalige collaborateurs zijn voor het nieuwe elan van extreem-rechts en hoe gevaarlijk waren de internationale contacten die de 'fouten' onderhielden?

Aanvankelijk profileerden de na-oorlogse extreem-rechtse organisaties zich vooral als politiek passieve 'zelfhulpgroepen' die steun beloofden aan oud-kameraden en hun familieleden en nabestaanden. Het bloed kroop echter waar het niet gaan kon: binnen de groeperingen stonden 'idealisten' op die zich sterk wilden maken voor volledige amnestie van oud-politieke delinquenten, voor eerherstel van de NSB en voor een aanpassing van de oude ideologie aan de nieuwe tijd. Hoe politieker zo'n extreem-rechtse groepering werd, hoe groter de kans op justitieel ingrijpen. Want als er over iets overeenstemming bestond in het na-oorlogse Nederland, dan was het wel over wat 'goed' en 'fout'

was geweest tijdens de oorlog. Gisteren promoveerde de cultureel-antropoloog Jaap van Donselaar aan de Rijksuniversiteit Utrecht op Fout na de oorlog: Fascistische en racistische organisaties in Nederland 1950-1990. In zijn dissertatie onderzoekt hij hoe er getracht is ''naoorlogse fascistische continuiteit in organisatorisch verband te bewerkstelligen'', tot welke conflicten dit heeft geleid, welke aanpassingsstrategieen fascistische organisaties hebben gehanteerd en hoe het hen daarbij is vergaan. De geschiedschrijving begint bij de oprichting van de Stichting Oud Politieke Delinquenten en eindigt kort nadat Janmaat voor de tweede keer in het parlement is beland.

DETECTIVE

Het proefschrift van Van Donselaar is een mooi voorbeeld van een gedegen wetenschappelijke studie die zich tegelijkertijd laat lezen als een detective. Geduldig heeft hij in de loop van de afgelopen tien jaar een rijke hoeveelheid materiaal verzameld over de extreem-rechtse organisaties die ons land sinds de Tweede Wereldoorlog heeft gekend.

Van Donselaars schriftelijke bronnen bestaan voor een deel uit wetenschappelijke en journalistieke beschrijvingen van de betreffende groeperingen, en voor een deel uit materiaal dat van deze groepen zelf afkomstig is.

De eerste bronnen zijn vrijwel zonder uitzondering fel tegen de beschreven organisaties gekant, de laatste bronnen zijn per definitie hartstochtelijk voor. Aan Van Donselaar de taak om te onderzoeken welke gegevens betrouwbaar zijn, en welke tot de mythe-vorming rond extreem-rechts in Nederland gerekend moeten worden. En als dit laatste het geval is: wordt een bepaalde mythe door voor- of tegenstanders gecreeerd en wat is de winst die ze met deze vertekening op het oog hebben?

Voorstanders van extreem-rechts blijken namelijk geneigd de omvang van hun organisaties te overdrijven en deze van een onschuldig imago te voorzien. Tegenstanders overdrijven de omvang van extreem-rechts vaak evenzeer - de vijand moet serieus genomen worden - maar doen tevens hun best het verwerpelijke karakter van dergelijke organisaties te onthullen. Van Donselaar over het wegen van zijn bronnen: ''Sommige mythen zijn eenvoudig door te prikken.

Neem een figuur als Paul van Tienen - een van de leiders van de Nationaal Europese Sociale Beweging (NESB). In bepaalde journalistieke publikaties is hem veel meer politiek gewicht toegekend dan reeel was.

Daar kom je achter wanneer je met betrokkenen uit die tijd praat. Ook voor minder eenvoudige geschiedvervalsing geldt dat je achter de werkelijke toedracht kunt komen door veel andere bronnen te gebruiken en door hoor en wederhoor toe te passen. Je moet je daarbij zoveel mogelijk openstellen voor hinderlijke feiten; gestroomlijnde verhalen dien je te wantrouwen.''

PANORAMA-VERHAAL

Zoals het een antropoloog betaamt, beperkte Van Donselaar zich niet tot desk research maar interviewde hij ook - vaak meerdere malen - negentwintig betrokkenen uit de belangrijkste extreem-rechtse orgaisaties: ''Bij het krijgen van toegang heeft het geholpen dat ik al eerder op dit terrein heb gepubliceerd. Het is voor veel activisten in deze hoek aantrekkelijker om te praten met iemand die al behoorlijk ingewijd is en die wetenschappelijke, niet-sensatiebeluste publikaties aflevert dan om het risico te nemen door een Panorama-verhaal je baan kwijt te raken of je ruiten ingegooid te krijgen. Personen die ik geinterviewd heb, hebben mij weer geintroduceerd bij anderen. Ook bij de interviews moest ik mij steeds weer afvragen: wat is deze informatie waard? Bij het taxeren kwamen de veelvuldig voorkomende onderlinge ruzies goed van pas. Er wordt daar wat afgeroddeld.''

Van Donselaar heeft zich met zijn onderwerpkeuze in een zeer ondoorzichtig gebied gewaagd. Hij schrijft: ''Organisaties van meer of minder fascistische aard komen en gaan, fuseren en splitsen.

Activisten zwerven vaak van het ene gezelschap naar het andere, trekken zich soms terug om na een aantal jaren plotseling toch weer voor het voetlicht te treden. Er zijn organisaties die zich vooral richten op een kleine, besloten kring van aanhangers, terwijl andere juist krachtig aan de weg timmeren. Het is al met al een bonte verzameling van grotere en kleinere, radicale of minder radicale organisaties, die veelal tegen elkaar aanleunen en elkaar vooral ook beconcurreren. Onderlinge verdeeldheid en versplintering zijn schering en inslag. Men zou in dit verband kunnen spreken van een fascistisch mozaiek.''

Hoewel hij zijn hoofdstukindeling heeft opgehangen aan de opeenvolgende belangrijkste fascistische en racistische organisaties in Nederland, is Van Donselaar erin geslaagd er geen slaapverwekkende opsomming van clubjes en partijtjes van te maken. Dit is te danken aan wat de auteur zijn 'genealogische' benadering noemt. ''Organisaties komen niet uit de lucht vallen, maar komen op enigerlei wijze uit andere organisaties voort. Onder de oprichters van de extreem-rechtse organisaties bevinden zich, voor zover ik heb kunnen nagaan, altijd personen die voordien bij een of meer andere verwante organisaties aangesloten bij een of meer andere verwante organisaties aangeloten zijn geweest. Deze personele continuiteit geldt niet alleen voor de oprichters, maar evenzeer voor een aantal personen die zich gaandeweg bij een organisatie aansluiten.''

Door deze genealogische benadering lopen door de partijen en dus ook door de hoofdstukken heen verschillende biografieen die het makkelijker maken om je voor te stellen wat de aantrekkingskracht van dergelijke organisaties is, over welke kwesties er onderlinge verdeeldheid heerst, hoe de verschillende standpunten tot uiteenlopende organisatievormen leiden, en wat de maatschappelijke prijs van extreem-rechts activisme kan zijn. Het zijn ook deze biografieen die de meeste vermakelijke momenten tijdens het lezen opleveren.

Zo was de NESB-voorman Paul van Tienen belust op confrontaties met tegenstanders en ging hij daarbij zelfs zo ver dat hij pamfletten liet maken die tegen de NESB gericht waren. Ook kalkte hij persoonlijk anti-NESB-leuzen op straat, zoals 'Dood aan Van Tienen' en 'Tien jaar voor Van Tienen'. ''Net alsof het van de communisten komt'', zou hij aan een partijgenoot gezegd hebben.

Ook de leider van de Nederlandse Volks-Unie - Joop Glimmerveen - is goed voor opmerkelijk stuntwerk. In 1984 slaagde hij erin om enkele nachtelijke bezoeken te brengen aan het kantoor van zijn concurrent: de Centrumpartij van Janmaat. Urenlang verzamelde hij er gegevens uit de administratie en liet zich als klap op de vuurpijl fotograferen met de vlag van de Centrumpartij in de hand.

Van Donselaar beschrijft hoe het gezicht dat extreem-rechtse organisaties aan de buitenwereld laten zien, vaak een heel ander is dan wat aan de eigen leden getoond wordt. In navolging van de socioloog Erving Goffman gebruikt hij voor dit onderscheid de begrippen front-stage en back-stage.

LANDVERRADERLIJK

Fascistische organisaties kunnen in Nederland na de Tweede Wereldoorlog op nog minder waardering rekenen dan de NSB dat voor de oorlog al kon. Groeperingen die openlijk voor hun ideeengoed uitkomen, lopen het risico in het kader van het Besluit Ontbinding Landverraderlijke Organisaties verboden te worden. Van Donselaar betoogt dan ook dat de steeds wisselende gedaante waarin het fascisme zich in Nederland manifesteert, gezien moet worden als een steeds andere aanpassing aan het vijanding klimaat in de 'buitenwereld'.

Extreem-rechtse organisaties van welke snit dan ook kampen altijd weer met hetzelfde dilemma: herkenbaarheid voor potentiele aanhangers met als risico een verbod van de organisatie door justitie, of een in de ogen van justitie ongevaarlijk image met als nadeel dat leden het optreden niet 'pittig' genoeg vinden en dat potentiele leden de wolf niet onder zijn schaapskleren herkennen. Binnen het fascistisch mozaiek zijn er de afgelopen vier decennia inventieve oplossingen voor dit dilemma bedacht. Oplossingen waarmee de grenzen van het toelaatbare worden afgetast. Door het verbod van de NESB - de 'nieuwe NSB' - in de jaren '50 werd duidelijk dat er voor een nazistische politieke partij geen plaats meer is. Ook bleek in de loop der tijd dat deze ban niet geldt voor elke organisatievorm.

Twee aanpassingsstrategieen ontstaan: verhulling van het feit dat de organisatie van politiek doel heeft, en verhulling van de fascistische identiteit van de organisatie. Openlijk fascistische formaties mogen blijven bestaan zolang hun activiteiten niet politiek, maar 'geschiedkundig', 'cultureel' of 'wereldbeschouwelijk' worden genoemd.

Openlijk politieke organisaties verhullen juist hun fascistisch erfgoed door een aangepaste terminologie te bezigen, door gerenommeerde 'fouten' uit en na de oorlog tussen de coulissen te houden, en door het accent te leggen op de jeugd van leiders en leden (met andere woorden: deze hebben de oorlog niet meegemaakt en zijn dus onschuldig).

Van Donselaar constateert dat de na-oorlogse geschiedenis van extreem-rechts in Nederland een slingerbeweging laat zien: een radicale politieke partij wordt gevolgd door een gematigde en omgekeerd. Van Donselaar: ''De Nationaal Europese Sociale Beweging (NESB) wordt gevolgd door de gematigde Nederlandse Oppositie Unie (NDU) en de Boerenpartij. Dan onstaat de radicale Nederlandse Volks-Unie (NVU) die bijna wordt verboden waarop de gematigde Centrumpartij volgt. Recent lijken de Centrumdemocraten en de Centrumpartij '86 te radicaliseren.''

Zo oud als de extreem-rechtse organisaties in Nederland zijn, zo oud is de discussie over de vraag of en wanneer organisaties verboden moeten worden. In de jaren '50 - de oorlog nog vers in het geheugen - was de publieke opinie uitgesproken voor het verbieden van organisaties die op enigerlei wijze de lijn van de NSB wilden voortzetten. In de jaren '70 en '80 is de wetgeving zodanig aangepast dat het vrij eenvoudig zou zijn om extreem-rechtse organisaties met name op hun racisme te verbieden. Over het geheel genomen lijkt de algemene opinie nu echter dat men niet te gauw een partij moet verbieden.

Van Donselaar: ''Deze discussie laait steeds op wanneer een extreem-rechtse partij electoraal winst boekt. Gaat het slecht met de fascistische partijen dan hoor je niemand over een verbod. Hetzelfde geldt voor de vraag of je extreem-rechts wel de massamediale aandacht moet geven die ze steeds weer weet te trekken, of dat je het fascisme en racisme effectiever bestrijdt door dergelijke groeperingen dood te zwijgen. Een van hogerhand opgelegde persbreidel is echter - net als een partijverbod - een typisch machtsmiddel in een dictatuur. Voor wat betreft die persbreidel ben ik blij dat het in ons land sinds de oorlog nooit zo ver is gekomen. Wat betreft een partijverbod zie ik dat anders. Er zijn groeperingen die het zo bont maken met hun racisme dat ook ik vind dat dat niet getolereerd mag worden. Je begeeft je dan wel in dat heel gecompliceerde dilemma: moord op de democratie of zelfmoord van de democratie. Ik ben dan voor 51% voor een partij-verbod.''

foto: Joop Glimmerveen van de Nederlandse Volksunie liep in 1983 een demonstratieve ronde bij de Haagse begraafplaats Nieuw Eykenduinen, waar hij een krans wilde leggen bij het graf van de in 1940 omgekomen NSBer Peter Ton. De kranslegging werd verboden. De auto rechts is van de politie.