LEVENSBEEINDIGENDE HULP

Dick Meerman. Goed doen door dood te maken. Katholieke Universiteit Nijmegen, 14 maart 1991. Promotor: drs. Th.C.J. Beemer. Kampen, Kok, 358 blz. Kerk en Theologie in Context, dl. 9.

'Eu' is Grieks voor goed, maar spreken over euforie is bijna synoniem geworden met waarschuwen voor de ellende die zal volgen, en eugenetica is weinig meer gebleken dan een eufemisme voor het fokken van een superras.

Volgens de titel van een polemisch boekje uit de jaren zeventig is euthanasie niet goed doen door dood te maken, maar 'het recht om grootmoeder te doden'. Uiterst demagogische taal natuurlijk, omdat met evenveel of even weinig recht gezegd zou kunnen worden dat het wachten op de dood in veel gevallen neerkomt op de plicht grootmoeder eindeloos te laten lijden. Over de vraag of met 'eu' niet alleen intentioneel, maar ook moreel goed handelen wordt bedoeld, lopen de meningen duidelijk nogal uiteen.

Ooit betekende euthanasie niet meer dan een goede dood, zonder pijn en zonder pijnlijke toestanden. Van de arts werd hoogstens verwacht dat hij bij de stervende bleef, de wacht hield en hem verzorgde, maar zeker niet dat hij door zijn ingrijpen het sterven zelf vergemakkelijkte. De arts van de achttiende eeuw deed overigens het een noch het ander. Pas in de negentiende eeuw krijgt euthanasie de betekenis van het opzettelijk levensbeeindigend handelen, aanvankelijk niet eens altijd door een arts of op verzoek van de betrokkene zelf.

Meerman geeft voorbeelden van de praktijk van de genadedood op het slagveld, een praktijk die nu nog voortleeft in het gebruik stervende of ernstig zieke dieren met een schot 'uit hun lijden te verlossen'.

De moderne betekenis van euthanasie ontwikkelde zich omstreeks 1870, toen in Europa en Amerika een moderne, op wetenschappelijke basis werkende medische stand was ontstaan, die niet voor het sterfbed wegvluchtte en geleidelijk aan over steeds effectievere methoden van (partieel) ziekteherstel en levensverlenging kon beschikken. Waar leven verlengd kan worden, kan het leven ook bekort worden; waar de acute dood door infectieziekten uitsterft, wordt de langzame dood van het geleidelijke functieverlies een probleem.

De oplossing wordt gezien in de toepassing van nieuwe middelen, die in eerste instantie bedoeld zijn als pijnstillers, maar ook kunnen werken als verkorters van het stervensproces: opiaten (met name morfine) en vooral chloroform. Soms wordt daarbij gedacht aan toediening op verzoek door de arts, soms ook alleen maar aan beschikbaarstelling van de middelen aan de betrokkene. Enerzijds 'echte' euthanasie dus, anderzijds hulp bij zelfdoding.

Meerman analyseert in zijn proefschrift een aantal uitvoerige publieke discussies over euthanasie, zoals die tussen 1870 en 1940 plaatsvonden in Engeland en Duitsland. Omstreeks 1870, omdat er toen een medische beroepsgroep in de moderne zin van het woord was en omdat toen de eenwording van Duitsland ook op wetgevend gebied een feit werd. Het Reichsstrafgesetzbuch van 1871 stelt doding op verzoek van debetrokkene - euthanasie dus - uitdrukkelijk strafbaar, maar de strafmaat was duidelijk minder dan in geval van moord (of doding tegen de wil van de betrokkene). Het onderscheid werd gemaakt en ook gevoeld, maar de meningen verschilden ook toen al over de vraag of en in hoeverre euthanasie zelf strafbaar zou moeten zijn. Het eindpunt ligt voor Meerman bij 1940, omdat toen de euthanasie-acties van de Nazi's de problematiek in een totaal ander licht plaatsten.

Het verrassende van Meerman's analyse is niet alleen dat de euthanasiediscussie al zoveel ouder is dan algemeen gedacht wordt (Meerman wijst er ook op, dat euthanasiedebatten zichzelf nooit als herhaling, maar altijd als nieuw presenteren), maar ook dat de argumenten pro en contra zo weinig veranderd zijn. De belangrijkste argumenten worden al vrij voeg geformuleerd en keren in verschillende combinaties en met modieuze varianten steeds opnieuw terug in de discussie.

Ook onderzoeksgegevens - of wat daarvoor door moet gaan - worden al snel als argument in de discussie ingezet. Soms met onverwachte resultaten. Zo moet de directeur van een Duitse inrichting voor zwakzinnigen, zelf een verklaard tegenstander van euthanasie, in de jaren twintig tot zijn spijt vaststellen dat de meerderheid van de vaders van de bij hem opgenomen zwakzinnigen onder bepaalde voorwaarden blijken in te kunnen stemmen met een 'pijnloze verkorting van het leven' van hun kind. Hij blijft het oneens met de resultaten van zijn eigen enquete, al blijkt hij later wel gevoelig voor de eugenetische politiek van de Nazi's, gericht op het voorkomen van 'unwertes Leben'.

Meerman is een katholieke moraaltheoloog en ik ben zijn boek gaan lezen, omdat ik benieuwd was hoe iemand met die achtergrond tegen het euthanasiedebat aan zou kijken. In zijn inleiding wijst hij erop, dat de moraaltheologie drie bronnen kent: de bijbel, de traditie van de 'recta ratio', door hem praktische wijsheid genoemd, maar in de wandeling beter bekend als gezond verstand. De laatste bron is naar zijn idee in de moraaltheologie onvoldoende serieus genomen en daarmee is ook onvoldoende recht gedaan aan de visie van de leken, van degenen die 'in de wereld staan' en gedwongen zijn vuile handen te maken. In een fascinerend betoog over de bijzondere rol van leken komt hij tot de conclusie dat hun gevraagd moet worden wat zij denken over de toelaatbaarheid van euthanasie. Want voor hen, anders dan voor de geestelijken, kan de 'vraag naar het doden praktisch worden', dat wil zeggen, leken zijn degenen die het gebod 'Gij zult niet doden'

praktisch moeten verzoenen met bijvoorbeeld de uitvoering van de doodstraf en het voeren van een gerechtvaardigde oorlog. Een vergelijkbaar probleem speelt ook voor artsen en patienten in het licht van een vaak eerst uitgestelde, maar tenslotte naderbij gewenste dood.

Dat klinkt spannend en dus ben ik gauw achterin gaan opzoeken hoe het afloopt. Dat viel tegen. Anders dan zelfdoding, aldus Meerman, is euthanasie 'een sociale vorm van doodgaan'. Dat betekent dat de verhouding tussen de 'kandidaat-doder' en 'kandidaat-sterver' nader onderzocht moet worden, uitgaande van de hypothese ''euthanasie is geen moreel probleem, wanneer de doder tot zijn dodende handeling kwam vanuit de liefde waarmee hij zich met de sterver verbonden weet''.

Leuk, maar hoe weet ik als sterver of doder dat er echt alleen maar liefde in het spel is, en vooral, hoe toets ik dat achteraf, als rechter of als pastor? Is het bij zoveel vaagheid wel eerlijk om, zoals Meerman doet, de huidige zorgvuldigheidseisen ten aanzien van de besluitvorming, de procedure en de medisch-technische uitvoering van euthanasie af te doen als een 'de-ethisering van het euthanasieprobleem', als een 'etiquette'? Het gaat er toch niet alleen maar om hoe het hoort, maar vooral om hoe het verantwoord wordt.

Liefde hoef je niet te verantwoorden en gebrek aan liefde ook niet. In geval van euthanasie is dat nogal griezelig. Maar misschien moet ik het wel anders zien en is het bijzondere hier, dat een katholieke moraaltheoloog de mogelijkheid van euthanasie generiek aanvaardt, zij het dan in uiterst omfloerste termen en in de laatste regels van zijn boek.

Het belangrijkste deel van dit omvangrijke en wat onevenwichtige proefschrift wordt gevormd door een analyse van de ethische argumenten in een reeks van euthanasiedebatten. Uit deze debatten worden uitspraken afgeleid, die worden gerubriceerd naar het type normgeving dat ze bevatten in relatie tot een standpunt pro of contra. Zo kan men zeggen dat euthanasie aanvaardbaar is, omdat uitzichtloos lijden geen zin heeft. De dood is dan een weldaad. Dit is in de woorden van Meerman een inzichtelijk gevolg op het niveau van de zinverlening (de dood lost het probleem op).

Men kan ook stellen dat euthanasie niet aanvaardbaar is, omdat God de mens verbiedt een einde te (laten) maken aan zijn leven (hier is een regel normgevend), of omdat het juist een teken van beschaving is te zorgen voor ongeneeslijk zieken (hier wordt een fase van ontwikkeling als normgevend voorgesteld). Nee, zal een ander zeggen, euthanasie is niet aanvaardbaar, omdat dan de onaantastbaarheid van ieder leven wordt aangetast. Vandaag de stervende, morgen de zwakzinnige of gehandicapte. Dit is een 'niet-inzichtelijk gevolg' in de terminologie van Meerman (een wat ongelukkig begrip, omdat het onbegrijpelijkheid suggereert waar een gevolg van het feit van de euthanasie zelf bedoeld wordt).

Uiteindelijk onderscheidt Meerman vijf verschillende typen normgevende argumenten: nietinzichtelijk en inzichtelijke gevolgen, regels, ontwikkelingsfasen en elders voorkomende alternatieven. Binnen elk type bestaan weer subtypen, die zowel pro als contra euthanasie ingezet kunnen worden.

Het is een heel pragmatische en op de praktijk van het debat gebaseerde indeling, die het Meerman mogelijk maakt de verschillende argumenten nader te typeren en rubriceren.

Wat de typologie minder goed in beeld brengt, is de reikwijdte van het euthanasiedenken (voor wie is euthanasie mogelijk relevant), terwijl ook de argumenten niet gewogen of tegen elkaar afgewogen kunnen worden. De opvatting dat euthanasie een individueel recht is van een stervende staat in de typologie in alle opzichten op hetzelfde niveau als de opvatting dat euthanasie een recht is dat een samenleving mag uitoefenen ten opzichte van niet-produktieve personen. In de uitvoerige beschrijving die Meerman geeft van de Duitse euthanasiediscussie in de jaren twintig (naar aanleiding van Binding en Hoche's 'Die Freigabe der Vernichtung lebensunwertes Lebens') blijkt hoe gevaarlijk ver, ook al voor Hitler aan de macht kwam, over de mogelijkheden van euthanasie werd gedacht en vooral met hoe weinig compassie met de betrokkenen dat gebeurde.

Euthanasie blijft een gevaarlijke praktijk en het is misschien maar goed dat er nog steeds geen nieuwe wetgeving op dit gebied is. De onzekerheid over de strafbaarheid komt de zorgvuldigheid ten goede.

Euthanasie in de strikte zin van het woord komt in Nederland waarschijnlijk niet zo heel erg veel voor. Geschat wordt dat in 1 op ongeveer 40 sterfgevallen huisartsen euthanasie toepassen, dat wil zeggen, op uitdrukkelijk verzoek van de betrokkene zelf een levensbeeindigende behandeling inzetten.

Naast deze ongeveer 2000 gevallen zijn er zeer veel meer gevallen waarin via pijnbestrijding het overlijden versneld wordt of waarin - op verzoek van de patient - afgezien wordt van verdere behandeling.

Dat is formeel allemaal geen euthanasie, maar het verschil met opzettelijke levensbeeindiging is soms maar heel klein. In zekere zin zou men wel kunnen zeggen dat in deze meer terughoudende praktijken iets van de oude euthanasieopvatting, van het verlangen naar een goede en zacht verlopen, maar toch natuurlijke dood, herleeft.